Besluit van 22 mei 2012 houdende nadere regels met betrekking tot de financiële markten in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en de financiële ondernemingen die op die markten werkzaam zijn (Besluit financiële markten BES)

Type Amvb Bes
Publication 2026-07-24
Laatst bijgewerkt 2026-07-29
State In force
Source BWB
artikelen 283
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 2 november 2011, nr. FM/2011/9925 M;

Gelet op de artikelen 1:1, 1:3, vierde lid, 1:10, tweede lid, 1:27, eerste lid, onderdeel b en derde lid, 2:6, derde lid, 2:18, tweede en derde lid, 2:19, derde lid, 2:20, derde lid, 2:23, vijfde lid, 3:2, tweede lid, 3:4, derde lid, 3:5, tweede lid, 3:6, eerste en tweede lid, 3:8, tweede lid, 3:9, tweede lid, 3:11, tweede lid, 3:12, derde lid, 3:13, derde lid, 3:16, derde lid, 3:17, derde en vijfde lid, 3:18, eerste en tweede lid, 3:19, vierde lid, 3:21, eerste lid, 3:23, vijfde lid, 3:24, 3:34, eerste en tweede lid, 3:35, eerste tot en met derde, 3:36, eerste en vierde lid, 3:45, vijfde lid, 3:46, derde en vijfde lid, 4:3, tweede lid, 4:4, eerste lid, 4:5, tweede lid, 4:10, derde lid, 4:11, vierde lid, 4:23, derde lid, 4:26, derde lid, 4:33, eerste en tweede lid, 4:42, tweede lid, 4:48, 5:4, derde lid, 5:5, derde lid, 5:10, tweede en derde lid, 5:12, 5:14, tweede en derde lid, 5:15, tweede lid, 5:21, derde lid, 5:22, derde lid, 5:25, derde lid, 5:26, derde lid, 5:27, derde lid, 6:17, eerste lid, 7:30, tweede lid, 7:31, eerste lid, 8:3, tweede lid en 8:5, derde lid, van de Wet financiële markten BES;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 3 februari 2012, nr. W06.11.0468/III;

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 14 mei 2012, nr. FM 2012-0204 U;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1:1. (begripsbepalingen)

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder:

  • kredietvereniging: een kredietinstelling met de rechtsvorm van een coöperatie die ten doel heeft zijn leden behulpzaam te zijn bij het sparen en verlenen van kredieten;
Artikel 1:2. (professionele marktpartijen)

Bij regeling van Onze Minister kunnen personen die voldoen aan in die regeling vast te stellen criteria met betrekking tot aard en omvang van hun activiteiten, worden aangewezen als professionele marktpartij.

Artikel 1:3. (uitgezonderde adviseurs)

De wet is met betrekking tot het optreden als adviseur niet van toepassing op adviseurs die een andere hoofdberoepswerkzaamheid hebben dan het verlenen van financiële diensten of het aanbieden van financiële producten en uit hoofde van die hoofdberoepswerkzaamheid inzicht hebben in de financiële situatie van een consument of cliënt, voor zover zij, zonder daarvoor van de aanbieder provisie te ontvangen, het aanbevolen product aan te bieden of andere financiële diensten te verlenen met betrekking tot het aanbevolen product, die consument of cliënt adviseren en de door hen verstrekte adviezen in het verlengde liggen van hun hoofdberoepswerkzaamheid.

Artikel 1:4. (uitgezonderde beleggingsinstellingen)
1.

De hoofdstukken 2 tot en met 5 van de wet, met uitzondering van de artikelen 2:21 en 2:22 en de paragrafen 4 en 5 van hoofdstuk 5, zijn niet van toepassing op:

  • a. beleggingsinstellingen die uitsluitend rechten van deelneming aanbieden in een besloten kring dan wel aan professionele marktpartijen;
  • b. beheerders en bewaarders voor zover zij de in onderdeel a bedoelde beleggingsinstellingen beheren of belast zijn met de bewaring van de activa van deze beleggingsinstellingen;
  • c. beleggingsinstellingen die aan de volgende vereisten voldoen:
  • 1°. in de beleggingsinstelling kunnen ten hoogste 25 natuurlijke personen deelnemen;
  • 2°. per deelnemer wordt niet meer dan USD 10.000 ingelegd;
  • 3°. de beleggingsinstelling gaat geen verplichtingen aan waardoor voor de deelnemers een verplichting kan ontstaan tot bijbetaling;
  • 4°. de gelden of andere goederen worden niet gevraagd, dan wel de rechten van deelneming worden niet aangeboden door natuurlijke of rechtspersonen die beroeps- of bedrijfsmatig handelen of beleggen in effecten of andere beleggingen;
  • d. beleggingsinstellingen waarvan het balanstotaal voor minder dan 50% uit beleggingen bestaat en waarvan de totale gerealiseerde opbrengsten voor minder dan 50% worden gegenereerd uit beleggingen.
2.

Een beleggingsinstelling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, die een prospectus verkrijgbaar stelt, vermeldt daarin dat zij niet onder toezicht staat van de Autoriteit Financiële Markten.

Artikel 1:5. (uitgezonderde bemiddelaars in goederenkrediet)

De hoofdstukken 2 tot en met 5 van de wet, met uitzondering van de artikelen 2:21, 2:22, 4:40, derde lid, 5:2, 5:3 en 5:4 en de paragrafen 4 en 5 van hoofdstuk 5, zijn niet van toepassing op bemiddelaars in goederenkrediet dat dient ter verschaffing van het genot van een roerende zaak dan wel het verlenen van een dienst, indien de looptijd van het goederenkrediet niet langer is dan de verwachte economische levensduur van de verschafte roerende zaak of dan de periode van dienstverlening, en de bemiddelaar in goederenkrediet:

  • a. de consument niet adviseert over het goederenkrediet; en
  • b. een andere hoofdberoepswerkzaamheid heeft dan bemiddeling in goederenkrediet.
Artikel 1:6. (uitgezonderde elektronischgeldinstellingen)

De wet is niet van toepassing op de uitgifte van elektronisch geld dat uitsluitend kan worden gebruikt:

  • a. hetzij in door de onderneming of instelling door of namens wie het elektronisch geld is uitgegeven gebruikte bedrijfsgebouwen;
  • b. hetzij op grond van een handelsovereenkomst met de in onderdeel a genoemde onderneming of instelling binnen een beperkt netwerk van dienstverleners;
  • c. hetzij voor een beperkte reeks goederen dan wel diensten.
Artikel 1:7. (uitgezonderde financiële diensten ten behoeve van eigen werknemers)
1.

De wet is met betrekking tot het optreden als adviseur niet van toepassing op adviseurs, voor zover zij adviseren over andere financiële producten dan krediet aan consumenten die bij hen werkzaam zijn of anderszins onder hun verantwoordelijkheid vallen.

2.

De wet is met betrekking tot het optreden als bemiddelaar niet van toepassing op bemiddelaars, voor zover zij bemiddelen over andere financiële producten dan krediet ten behoeve van consumenten die bij hen werkzaam zijn of anderszins onder hun verantwoordelijkheid vallen.

3.

De wet is met betrekking tot het optreden als gevolmachtigd of ondergevolmachtigd agent niet van toepassing op gevolmachtigd of ondergevolmachtigd agenten, voor zover zij verzekeringen sluiten met consumenten die bij hen in dienst zijn of anderszins onder hun verantwoordelijkheid vallen.

Artikel 1:8. (uitgezonderde financiële diensten door of ten behoeve van pensioenfondsen)

De wet, met uitzondering van hoofdstuk 1, hoofdstuk 5, paragrafen 4 en 5, en de hoofdstukken 6 en 7, is niet van toepassing op:

  • a. het verlenen van financiële diensten of het aanbieden van financiële producten, niet zijnde rechten van deelneming in beleggingsinstellingen, door pensioenfondsen voor zover zij die financiële diensten verlenen of die financiële producten aanbieden aan de bedrijfstak of onderneming waarmee zij zijn verbonden;
  • b. het optreden als vermogensbeheerder ten behoeve van pensioenfondsen of daaraan gelieerde fondsen door personen die zijn verbonden aan het fonds waaraan deze financiële dienst wordt verleend.
Artikel 1:9. (uitgezonderde kredietaanbieders)
1.

De wet is niet van toepassing op:

  • a. het door een werkgever als nevenactiviteit aanbieden van krediet aan uitsluitend zijn werknemers of het verlenen van een financiële dienst met betrekking tot dat krediet:
  • 1°. rentevrij of tegen een lagere dan de op de markt gebruikelijke rentevoet;
  • 2°. tegen een rentevoet die niet hoger is dan de op de markt gebruikelijke rentevoet en onder voorwaarden die voor de consument gunstiger zijn dan de op de markt gebruikelijke voorwaarden;
  • b. het aanbieden van krediet, of het verlenen van een financiële dienst met betrekking tot zodanig krediet, dat binnen drie maanden dient te worden afgelost en ter zake waarvan slechts onbetekenende kosten aan de consument in rekening worden gebracht.
2.

De wet, met uitzondering van de artikelen 5:3, 5:4 en 5:15, is niet van toepassing op het aanbieden van, of het verlenen van financiële diensten met betrekking tot, een geoorloofde debetstand waarbij de consument is gehouden binnen een maand af te lossen.

Artikel 1:10. (uitgezonderde natura-uitvaartverzekeraars)

De hoofdstukken 2 tot en met 5 van de wet, met uitzondering van de artikelen 2:21 en 2:22 en de paragrafen 4 en 5 van hoofdstuk 5, zijn niet van toepassing op natura-uitvaartverzekeraars met minder dan 200 verzekerden.

Artikel 1:11. (doorberekening toezichtkosten)
1.

De toezichtautoriteit brengt de ingevolge artikel 1:5, derde lid, of 1:6, derde lid, van de wet onder haar toezicht staande financiële ondernemingen jaarlijks een bedrag in rekening ter gedeeltelijke vergoeding van de kosten, bedoeld in artikel 1:10, tweede lid, van de wet, overeenkomstig de daartoe ingevolge artikel 1:10, derde lid, van de wet vastgestelde tarieven.

2.

De hoogte van de in het eerste lid bedoelde tarieven wordt voor de naar aard en omvang van hun activiteiten te onderscheiden categorieën financiële ondernemingen verschillend vastgesteld. Tevens kan bij de vaststelling onderscheid worden gemaakt tussen financiële ondernemingen met zetel in een openbaar lichaam en financiële ondernemingen met zetel in het buitenland.

3.

Betaling van het ingevolge het eerste lid verschuldigde bedrag geschiedt op door de toezichtautoriteit te bepalen wijze en binnen een door haar te bepalen termijn.

Artikel 1:12. (ontheffingen)
1.

De toezichtautoriteit kan op aanvraag geheel of gedeeltelijk, al dan niet voor bepaalde tijd, ontheffing verlenen van de artikelen 3:23 tot en met 3:25, 3:29, 4:2, 4:3, 4:8, 4:20 tot en met 4:26, 4:28, 4:29, 4:37 tot en met 4:41, 4:47 tot en met 4:51, 5:2 tot en met 5:6, 6:2 tot en met 6:4, 7:2, 7:4, 7:6 tot en met 7:17, tweede tot en met achtste lid, 7:20, tweede tot en met achtste lid, en 8:1.

2.

De Autoriteit Financiële Markten kan slechts ontheffing verlenen van artikel 4:14, tweede lid, van de wet, indien de werkzaamheden worden voortgezet in een besloten kring.

Hoofdstuk 2. Markttoegang

§ 1. Aanvraag van een vergunning

Artikel 2:1. (aanvraagformulier)
1.

De aanvraag van een vergunning op grond van de wet wordt gedaan met gebruikmaking van het daartoe door de toezichtautoriteit vast te stellen formulier dat op verzoek aan de aanvrager ter beschikking wordt gesteld.

2.

Het aanvraagformulier en de daarbij ingevolge deze paragraaf te verstrekken gegevens en bescheiden worden in enkelvoud ingediend, waarbij bedoelde gegevens en bescheiden in zodanige vorm worden verstrekt dat een goede beoordeling door de toezichtautoriteit mogelijk is.

Artikel 2:2. (algemene gegevens vergunningaanvraag)

Een financiële onderneming verstrekt, voor zover van toepassing, aan de toezichtautoriteit bij de aanvraag van een vergunning de navolgende gegevens en bescheiden met betrekking tot de financiële onderneming:

  • a. naam, adres en telefoon- en faxnummer;
  • b. rechtsvorm;
  • c. statutaire zetel, statutaire naam en handelsnaam of handelsnamen;
  • d. uittreksel uit het handelsregister;
  • e. gewaarmerkt afschrift van de statuten;
  • f. programma van werkzaamheden die de financiële onderneming voornemens is te verrichten in of vanuit de openbare lichamen;
  • g. indien de financiële onderneming haar zetel in de openbare lichamen heeft:
  • 1°. naam, adres en telefoon- en faxnummer van eventuele bijkantoren in het buitenland;
  • 2°. programma van werkzaamheden die de financiële onderneming voornemens is te verrichten vanuit eventuele bijkantoren in het buitenland;
  • h. indien de financiële onderneming haar zetel in het buitenland heeft:
  • 1°. een verklaring van de toezichthoudende instantie van de staat van zetel waaruit blijkt dat de financiële onderneming in haar staat van zetel bevoegd is tot de uitoefening van de vergunningplichtige activiteiten, bedoeld in artikel 3:2 van de wet;
  • 2°. naam, adres en telefoon- en faxnummer van eventuele bijkantoren in de openbare lichamen.
Artikel 2:3. (financiële onderneming met zetel in de openbare lichamen)
1.

Een financiële onderneming met zetel in de openbare lichamen verstrekt bij de aanvraag van een vergunning gegevens en bescheiden op basis waarvan de toezichtautoriteit kan beoordelen of zal worden voldaan aan, voor zover op de betrokken financiële onderneming van toepassing, de bij of krachtens de artikelen 3:4 tot en met 3:6, 3:8 tot en met 3:13, 3:16 tot en met 3:19, 3:22 tot en met 3:24, 3:33, 3:45 en 3:46 van de wet gestelde regels, alsmede:

2.

Een bemiddelaar met zetel in de openbare lichamen verstrekt aan de toezichtautoriteit voorts gegevens en bescheiden met betrekking tot eventuele zakelijke relaties met verzekeraars waaruit blijkt of hij afhankelijk dan wel onafhankelijk is.

3.

Een gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent met zetel in de openbare lichamen verstrekt aan de toezichtautoriteit voorts de naam van de verzekeraar voor wie de volmacht geldt.

Artikel 2:4. (financiële onderneming met zetel in het buitenland)
1.

Een financiële onderneming met zetel in het buitenland verstrekt bij de aanvraag van een vergunning gegevens en bescheiden op basis waarvan de toezichtautoriteit kan beoordelen of zal worden voldaan aan, voor zover op de betrokken financiële onderneming van toepassing, de bij of krachtens de artikelen 3:4 tot en met 3:6, 3:8 tot en met 3:13, 3:23, 3:24 en 3:34 van de wet gestelde regels, alsmede:

2.

Artikel 2:3, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing op een bemiddelaar onderscheidenlijk een gevolmachtigd agent of ondergevolmachtigd agent met zetel in het buitenland.

Artikel 2:5. (programma van werkzaamheden levensverzekeraar)

Het programma van werkzaamheden, bedoeld in artikel 2:2, onderdelen f en g, onder 2°, van een levensverzekeraar met zetel in een openbaar lichaam bevat:

  • a. een opgave van de aard van de overeenkomsten die de verzekeraar voornemens is aan te gaan;
  • b. de polisvoorwaarden die de verzekeraar voornemens is te gebruiken;
  • c. de tarieven die de verzekeraar voornemens is toe te passen;
  • d. de technische grondslagen die de verzekeraar voornemens is toe te passen, met name de gegevens die nodig zijn voor de berekening van de tarieven en de technische voorzieningen;
  • e. een uiteenzetting omtrent de leidende beginselen op het gebied van de herverzekering;
  • f. een raming van de kosten voor de inrichting van de administratie en van het productienet, alsmede bewijsstukken waaruit blijkt dat de verzekeraar beschikt over de financiële middelen tot dekking daarvan;
  • g. een raming voor de eerste drie boekjaren van de liquiditeitspositie;
  • h. een raming voor de eerste drie boekjaren van de vermoedelijke inkomsten en uitgaven met betrekking tot de directe verzekeringen, de geaccepteerde herverzekeringen en de uitgaande herverzekeringen;
  • i. een raming voor de eerste drie boekjaren van de financiële middelen tot dekking van de verzekeringsverplichtingen;
  • j. een raming voor de eerste drie boekjaren van de financiële middelen tot dekking van de solvabiliteitsmarge.
Artikel 2:6. (programma van werkzaamheden schadeverzekeraar)

Het programma van werkzaamheden, bedoeld in artikel 2:2, onderdelen f en onderdeel g, onder 2°, van een schadeverzekeraar met zetel in een openbaar lichaam bevat:

  • b. een opgave van de aard van de risico’s die de verzekeraar voornemens is te dekken;
  • c. een raming voor de eerste drie boekjaren van de andere dan de in artikel 2:5, onderdeel g, bedoelde kosten van beheer, met name van de algemene kosten en provisies;
  • d. een raming voor de eerste drie boekjaren van de premies en van de schaden met betrekking tot de directe verzekeringen, de geaccepteerde herverzekeringen en de uitgaande herverzekeringen.
Artikel 2:7. (programma van werkzaamheden verzekeraar met zetel in het buitenland)
1.

Het programma van werkzaamheden, bedoeld in artikel 2:2, onderdeel f, van een levensverzekeraar met zetel in het buitenland bevat:

  • a. een opgave van de aard van de overeenkomsten die de verzekeraar voornemens is aan te gaan in de openbare lichamen;
  • b. de polisvoorwaarden die de verzekeraar voornemens is te gebruiken in de openbare lichamen.
2.

Het programma van werkzaamheden, bedoeld in artikel 2:2, onderdeel f, van een schadeverzekeraar met zetel in het buitenland bevat:

  • a. een opgave van de aarde van de risico’s die de verzekeraar voornemens is te dekken in de openbare lichamen;
  • b. de polisvoorwaarden die de verzekeraar voornemens is te gebruiken in de openbare lichamen.
3.

Een levensverzekeraar of schadeverzekeraar met zetel in het buitenland voegt bij het programma van werkzaamheden zijn jaarrekeningen van de laatste drie boekjaren.

§ 2. Melden van wijzigingen

Artikel 2:8. (wijzigingen in antecedenten)
1.

Een financiële onderneming waaraan op grond van deze wet een vergunning is verleend, meldt aan de toezichtautoriteit een wijziging in de gegevens die eerder door haarzelf aan de toezichtautoriteit zijn verstrekt met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in artikel 3:4, eerste lid, van de wet bedoelde personen.

2.

De financiële onderneming meldt de wijziging schriftelijk en onverwijld nadat zij daarvan in het kader van de normale bedrijfsvoering kennis heeft genomen

Artikel 2:9. (wijziging van beleidsbepalers)
1.

Een financiële onderneming waaraan op grond van deze wet een vergunning is verleend, geeft de toezichtautoriteit kennis van het voornemen tot wijziging van:

  • a. de personen die het dagelijks beleid van de financiële onderneming bepalen of het beleid van de financiële onderneming bepalen of mede bepalen;
  • b. indien van toepassing, de personen die onderdeel zijn van een orgaan dat belast is met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de financiële onderneming.
2.

Met betrekking tot het voornemen, bedoeld in het eerste lid, verstrekt de financiële onderneming gegevens en bescheiden op basis waarvan de toezichtautoriteit kan beoordelen of de financiële onderneming met betrekking tot de betrokken persoon voldoet aan de bij of krachtens de artikelen 3:4 en 3:5 van de wet gestelde regels met betrekking tot de betrouwbaarheid en de geschiktheid.

3.

De financiële onderneming geeft geen uitvoering aan de voornemens, bedoeld in het eerste lid, voordat de toezichtautoriteit heeft ingestemd met de wijziging. De toezichtautoriteit neemt een besluit omtrent instemming binnen acht weken na ontvangst van de kennisgeving.

Artikel 2:10. (wijziging in gegevens betreffende de financiële onderneming)

Een financiële onderneming waaraan op grond van deze wet een vergunning is verleend, meldt binnen twee weken schriftelijk aan de toezichtautoriteit een wijziging in de gegevens en bescheiden met betrekking tot de financiële onderneming die zij ingevolge artikel 2:2 aan de toezichtautoriteit heeft verstrekt.

Artikel 2:11. (oprichten bijkantoor en staken werkzaamheden bijkantoor)
1.

Een financiële onderneming met zetel in de openbare lichamen meldt aan de toezichtautoriteit schriftelijk haar voornemen om:

  • a. een bijkantoor in het buitenland op te richten;
  • b. de uitoefening van haar bedrijf vanuit een bijkantoor in het buitenland te staken.
2.

Een financiële onderneming met zetel in het buitenland meldt aan de toezichtautoriteit schriftelijk het voornemen om de uitoefening van haar bedrijf vanuit een bijkantoor in de openbare lichamen te staken.

3.

De financiële onderneming geeft geen uitvoering aan het voornemen, bedoeld in het eerste en tweede lid, voordat vier weken zijn verstreken na de melding.

§ 3. Register financiële markten

Artikel 2:12. (inschrijving register)
1.

De toezichtautoriteit draagt zorg voor een zodanige indeling en inrichting van het register financiële markten, bedoeld in artikel 2:19, eerste lid, van de wet, dat uit het register is op te maken vanaf welk tijdstip, welke activiteiten de ingeschreven financiële ondernemingen mogen verrichten, met inbegrip van de eventueel gestelde beperkingen, alsmede de staat van zetel. Het register wordt zo ingericht dat het raadpleegbaar is op een website van de toezichtautoriteit.

2.

Het register vermeldt ten aanzien van een ingeschreven financiële onderneming:

  • a. in bij regeling van Onze Minister te bepalen gevallen de op de financiële onderneming van toepassing zijnde vrijstellingen;
3.

Het register vermeldt voorts:

  • a. de in voorkomend geval aan een ingeschreven beleggingsinstelling verbonden beheerder en bewaarder, welke beheerder en bewaarder in het register worden opgenomen bij de betrokken beleggingsinstelling;
  • b. de naam van de verzekeraar voor wie de volmacht van een ingeschreven gevolmachtigde agent of ondergevolmachtigde agent geldt, welke naam van de verzekeraar in het register wordt opgenomen bij de betrokken gevolmachtigde of ondergevolmachtigde agent;
  • c. of een ingeschreven bemiddelaar afhankelijk dan wel onafhankelijk is van een of meer verzekeraars.
Artikel 2:13. (doorhaling inschrijving)

De inschrijving in het register van een financiële onderneming waarvan de vergunning is ingetrokken, wordt doorgehaald zodra de beslissing tot intrekking in werking is getreden. Zolang deze beslissing nog niet onherroepelijk is wordt dit bij de doorhaling vermeld.

Artikel 2:14. (inzage register)
1.

De toezichtautoriteit draagt er zorg voor dat de in artikel 2:12 bedoelde gegevens tot ten minste vijf jaar terug geraadpleegd kunnen worden.

2.

De toezichtautoriteit verstrekt aan een ieder desgevraagd, tegen betaling van de kostprijs, afschriften uit het register.

§ 4. Buitenlandse verzekeraars en kredietinstellingen

Artikel 2:15. (voorwaarden inkomende dienstverrichting verzekeraars)

Het is een verzekeraar als bedoeld in artikel 2:23, eerste lid, van de wet, niet zijnde een verzekeraar met zetel in Curaçao of Sint Maarten, slechts toegestaan vanuit het buitenland verzekeringen aan te bieden in de openbare lichamen indien het naar de aard en de waarde van het te verzekeren belang risico’s betreft die niet binnen de openbare lichamen verzekerbaar zijn.

Artikel 2:16. (nadere regels inzake notificatie)
1.

Een verzekeraar als bedoeld in artikel 2:23, eerste lid, van de wet maakt voor de ingevolge dat lid voorgeschreven kennisgeving gebruik van een door de Nederlandsche Bank vastgesteld formulier.

2.

Indien een verzekeraar als bedoeld in het eerste lid voornemens is verzekeringen aan te bieden tot dekking van wettelijke aansprakelijkheid, voortvloeiend uit het gebruik van motorrijtuigen, toont hij aan te voldoen aan artikel 4:32 van de wet en aan artikel 6:8 van dit besluit.

3.

Indien een verzekeraar als bedoeld in het eerste lid voornemens is verzekeringen aan te bieden als bedoeld in artikel 6:7, tweede lid, toont hij aan te voldoen aan de bij of krachtens dat artikel gestelde eisen.

Artikel 2:17. (toelating van bijkantoren)
1.

Het is een kredietinstelling met zetel in het buitenland slechts toegestaan door middel van een bijkantoor in de openbare lichamen het bedrijf van kredietinstelling uit te oefenen, indien:

  • a. de som van de bij het bijkantoor aangehouden betaalrekeningen, spaartegoeden en deposito’s per ultimo van het laatst afgesloten boekjaar niet meer bedraagt dan een bij regeling van Onze Minister vast te stellen bedrag; en
  • b. de kredietinstelling zich vanuit het bijkantoor uitsluitend of hoofdzakelijk richt op ingezetenen van de openbare lichamen, Curaçao of Sint Maarten dan wel aldaar gevestigde bedrijven.
2.

Het is een verzekeraar met zetel in het buitenland slechts toegestaan door middel van een bijkantoor in de openbare lichamen het verzekeringsbedrijf uit te oefenen, indien:

  • a. de door het bijkantoor ontvangen bruto premies over het laatst afgesloten boekjaar niet meer bedragen dan een bij regeling van Onze Minister vast te stellen bedrag; en
  • b. de verzekeraar zich vanuit het bijkantoor uitsluitend of hoofdzakelijk richt op ingezetenen van de openbare lichamen, Curaçao of Sint Maarten dan wel aldaar gevestigde bedrijven.
3.

Een kredietinstelling als bedoeld in het eerste lid of een verzekeraar als bedoeld in het tweede lid die niet meer voldoet aan de in het eerste onderscheidenlijk tweede lid gestelde voorwaarden, meldt dit terstond aan de Nederlandsche Bank. De Nederlandsche Bank stelt de kredietinstelling of verzekeraar in de gelegenheid binnen een door haar vast te stellen redelijke termijn alsnog aan de voorwaarden te voldoen dan wel haar onderscheidenlijk zijn activiteiten onder te brengen in een in de openbare lichamen gevestigde of te vestigen rechtspersoon of deze af te wikkelen.

4.

De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot het eerste lid tot en met het derde lid.

Hoofdstuk 3. Bestuur, inrichting en bedrijfsuitoefening

§ 1. Beleidsbepalers

Artikel 3:1. (betrouwbaarheidstoets)
1.

De toezichtautoriteit beoordeelt de betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, van de wet op basis van diens voornemens, handelingen en antecedenten.

2.

De toezichtautoriteit neemt bij de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval de in bijlage 1 genoemde antecedenten in aanmerking, alsmede:

  • a. het onderlinge verband tussen de aan een antecedent ten grondslag liggende gedraging of gedragingen en de overige omstandigheden van het geval;
  • b. de belangen die de wet beoogt te beschermen;
  • c. de overige belangen van de financiële onderneming en de betrokkene.
Artikel 3:2. (antecedenten die ertoe leiden dat de betrouwbaarheid niet buiten twijfel staat)

De betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikel 3:1, eerste lid, staat niet buiten twijfel als deze veroordeeld is ter zake van een misdrijf, genoemd in onderdeel 1 van bijlage 1, tenzij er sinds het onherroepelijk worden van de uitspraak acht jaren of meer zijn verstreken.

Artikel 3:3. (bronnen voor betrouwbaarheidstoets)
1.

De toezichtautoriteit verkrijgt inzicht in de in artikel 3:1, eerste lid, bedoelde voornemens, handelingen en antecedenten op grond van:

  • a. door betrokkene verstrekte gegevens en inlichtingen;
  • b. door de procureur-generaal uit inlichtingen van de justitiële documentatiedienst verstrekte gegevens;
  • c. gegevens en inlichtingen, verkregen van de rijksbelastingdienst;
  • d. gegevens en inlichtingen, verkregen van Nederlandse of buitenlandse overheidsinstanties dan wel van Nederlandse of buitenlandse van overheidswege aangewezen instanties die belast zijn met het toezicht op financiële markten of op personen die op die markten werkzaam zijn;
  • e. ambtsberichten van het Openbaar Ministerie;
  • f. inlichtingen, verkregen van door betrokkene opgegeven referenties;
  • g. gegevens uit openbare bronnen;
  • h. inlichtingen, verkregen van curatoren of bewindvoerders met betrekking tot faillissementen, surseances, schuldsaneringen, bewindvoeringen of noodregelingen waarbij de in artikel 3:1, eerste lid, bedoelde persoon betrokken is geweest;
  • i. inlichtingen, verkregen van organisaties van huidige of voormalige beroepsgenoten van betrokkene;
  • j. gegevens en inlichtingen, verkregen uit andere bij regeling van Onze Minister aan te wijzen bronnen.
2.

Indien de gegevens of inlichtingen, verkregen overeenkomstig het eerste lid, de toezichtautoriteit aanleiding geven tot nader onderzoek, kan de toezichtautoriteit ook inlichtingen inwinnen en gegevens opvragen bij andere personen of instanties dan genoemd in dat lid. De toezichtautoriteit stelt de betrokkene in dat geval vooraf schriftelijk in kennis van:

  • a. de reden van het nadere onderzoek;
  • b. de personen of instanties bij wie nadere gegevens of inlichtingen zullen worden ingewonnen;
  • c. de aard van de nadere gegevens of inlichtingen.
Artikel 3:4. (geschiktheidstoets)

Vervallen

Artikel 3:5. (vierogenprincipe en plaats van werkzaamheden)
1.

Het dagelijks beleid van een beleggingsinstelling, bewaarder, kredietinstelling, trustkantoor of verzekeraar wordt bepaald door ten minste twee natuurlijke personen.

2.

Een kredietinstelling of verzekeraar met zetel in de openbare lichamen heeft een uit ten minste drie leden bestaande raad van commissarissen dan wel gelijksoortig orgaan, belast met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken binnen de financiële onderneming.

3.

Indien een beleggingsinstelling met zetel in de openbare lichamen een raad van commissarissen heeft, bestaat deze uit ten minste drie leden.

4.

Ten minste een van de personen die het dagelijks beleid bepalen van een trustkantoor verricht zijn werkzaamheden in verband daarmee vanuit de openbare lichamen.

§ 2. Integere bedrijfsuitoefening

Artikel 3:6. (toepassingsbereik)
1.

Deze paragraaf is niet van toepassing op adviseurs, bemiddelaars, gevolmachtigde agenten of ondergevolmachtigde agenten, indien deze in het voorafgaande boekjaar een omzet hadden van minder dan USD 0,5 miljoen.

2.

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder cliënt mede verstaan de persoon die kwalificeert als professionele marktpartij, en wordt met een financiële onderneming gelijkgesteld de aan een beleggingsinstelling verbonden bewaarder.

Artikel 3:7. (integriteitsbewuste bedrijfscultuur)
1.

Een financiële onderneming draagt zorg voor een integriteitsbewuste bedrijfscultuur, door procedures en maatregelen geïntegreerd in de bedrijfsvoering en gebaseerd op een systematische analyse van risico’s die kunnen leiden tot aantasting van de reputatie of een bestaande of toekomstige bedreiging kunnen vormen van het vermogen of het resultaat van een financiële onderneming als gevolg van een ontoereikende naleving van hetgeen bij of krachtens enig wettelijk voorschrift is voorgeschreven of handelen in strijd met de maatschappelijke betamelijkheid.

2.

Een financiële onderneming legt schriftelijk haar beleid vast met betrekking tot het bepaalde in het eerste lid en stelt alle bedrijfsonderdelen in kennis van dit beleid en de procedures en de maatregelen bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3:8. (compliance officer)
1.

Een financiële onderneming wijst ten minste één functionaris op managementniveau aan die op onafhankelijke en effectieve wijze de naleving controleert van de wettelijke voorschriften en interne regels met betrekking tot de integere uitoefening van het bedrijf en de regels bedoeld in artikel 3:15, eerste lid.

2.

De financiële onderneming draagt er zorg voor dat de functionaris, bedoeld in het eerste lid, binnen korte tijd kan beschikken over transactiegegevens, alsmede over gegevens die de financiële onderneming heeft vastgelegd ingevolge dit hoofdstuk of de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme BES, en andere voor zijn taak relevante gegevens.

3.

Een financiële onderneming beschikt over procedures die erin voorzien dat gesignaleerde tekortkomingen of gebreken worden gerapporteerd aan de functionaris.

4.

Een financiële onderneming beoordeelt periodiek de interne controlesystemen op hun effectiviteit en actualiteitswaarde en stelt deze zo nodig bij.

5.

Een financiële onderneming waarborgt dat kennis die wordt opgedaan bij de uitvoering van het eerste tot en met derde lid, en de resultaten van maatregelen genomen naar aanleiding van de controle, bedoeld in het eerste lid, binnen haar organisatie beschikbaar blijven.

Artikel 3:9. (cliëntacceptatie)
1.

Een financiële onderneming beschikt met het oog op een integere uitoefening van het bedrijf over procedures en maatregelen met betrekking tot:

  • a. de acceptatie van cliënten;
  • b. risicoclassificaties ten aanzien van cliënten, producten en diensten;
  • c. de analyse van gegevens van cliënten, mede in relatie tot de door die cliënten afgenomen producten of diensten, en de detectie van afwijkende transactiepatronen.
2.

Aan de hand van de procedures en maatregelen, bedoeld in het eerste lid, bepaalt de financiële onderneming tevens de risico’s van bepaalde cliënten, producten of diensten voor de integere uitoefening van haar bedrijf.

3.

Een financiële onderneming draagt zorg voor de documentatie en vastlegging met betrekking tot de acceptatie en indeling naar risico van cliënten en de bewaking van het handelen van cliënten. Dergelijke gegevens worden bewaard tot vijf jaar na de dienstverlening dan wel het beëindigen van de relatie met de desbetreffende cliënt.

Artikel 3:10. (afgeschermde rekeningen)
1.

De Nederlandsche Bank kan regels stellen met het oog op het door financiële ondernemingen voorkomen van misbruik van technische toepassingen voor witwassen of financiering van terrorisme.

2.

De Nederlandsche Bank kan voorts met het oog op een integere uitoefening van het bedrijf regels stellen met betrekking tot het door kredietinstellingen te voeren beleid inzake afgeschermde rekeningen en rekeningen waarop waarden worden aangehouden ten behoeve van derden.

Artikel 3:11. (back-to-back leningen)

De Nederlandsche Bank kan regels stellen met betrekking tot kredietinstrumenten waarbij de kredietnemer geld of financiële instrumenten ter beschikking krijgt, waartegenover de kredietverstrekker een zekerheid ontvangt, direct of indirect, uit eigen liquide middelen van de kredietnemer.

Artikel 3:12. (onderzoek terrorisme)
1.

Een kredietinstelling, verzekeraar of geldtransactiekantoor onderzoekt op verzoek van de Nederlandsche Bank, nadat deze door Onze Minister is geïnformeerd over bepaalde personen of instellingen die naar het oordeel van Onze Minister in verband met vermoede terroristische activiteiten of daarmee verband houdende activiteiten de integriteit van de financiële sector kunnen schaden, of zulke personen of instellingen in haar onderscheidenlijk zijn administratie voorkomen.

2.

De financiële onderneming verstrekt de uitkomst van het in het eerste lid bedoelde onderzoek, binnen een door de Nederlandsche Bank te stellen termijn, aan de Nederlandsche Bank.

Artikel 3:13. (naleving andere wetten)
1.

Een financiële onderneming beschikt over procedures en maatregelen ter naleving van:

  • a. de bij of krachtens de Sanctiewet 1977 met betrekking tot het financieel verkeer gestelde regels;
2.

De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, hebben ten minste betrekking op een adequate controle van de administratie van de financiële onderneming op het overeenkomen van de identiteit van een relatie met een persoon of entiteit, als bedoeld in de bij of krachtens de Sanctiewet 1977 met betrekking tot het financieel verkeer gestelde regels, met het oog op het bevriezen van de financiële middelen van die relatie of het voorkomen van het ter beschikking stellen van financiële middelen of diensten aan die relatie.

3.

Voor de toepassing van het tweede lid wordt verstaan onder relatie: een ieder die betrokken is bij een financiële dienst of een financiële transactie.

Artikel 3:14. (incidenten)
1.

Een financiële onderneming beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot de omgang met en de vastlegging van incidenten. Die procedures en maatregelen voorzien in elk geval in een degelijke administratieve vastlegging van:

  • a. de kenmerken van het incident;
  • b. gegevens over de personen die het incident hebben bewerkstelligd;
  • c. de naar aanleiding van het incident genomen maatregelen.
2.

De financiële onderneming neemt naar aanleiding van een incident maatregelen die zijn gericht op het beheersen van de opgetreden risico’s en het voorkomen van herhaling.

3.

De financiële onderneming informeert de toezichtautoriteit onverwijld schriftelijk omtrent incidenten.

4.

Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaand onder incident: gedraging of gebeurtenis die een ernstig gevaar vormt voor de integere uitoefening van het bedrijf van de desbetreffende financiële onderneming.

Artikel 3:15. (belangenverstrengeling)
1.

Een financiële onderneming beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot het tegengaan van verstrengeling van haar belangen of die van haar cliënten met privé-belangen van:

  • a. personen die het beleid van de financiële onderneming bepalen;
  • b. personen die het beleid bepalen van de groep waartoe de financiële onderneming behoort;
  • c. leden van het orgaan dat is belast met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van de financiële onderneming;
  • d. andere werknemers of andere personen die in haar opdracht op structurele basis werkzaamheden voor haar verrichten.
2.

De toezichtautoriteit kan ter voorkoming van belangenverstrengeling regels stellen met betrekking tot het verlenen van financiële diensten op basis van personeelscondities aan personen die het beleid van de financiële onderneming bepalen en groepsbestuurders.

Artikel 3:16. (beoordeling betrouwbaarheid werknemers)
1.

Een financiële onderneming houdt een overzicht bij van de integriteitsgevoelige functies in haar onderneming en van de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden behorende bij elk van die functies.

2.

Een financiële onderneming beschikt over procedures en maatregelen die waarborgen dat integriteitsgevoelige functies slechts worden bekleed door personen waarvan zij een onderbouwde beoordeling van de betrouwbaarheid heeft gemaakt en voortdurend blijft maken.

3.

De werkzaamheden die zijn verricht ten behoeve van de naleving van het eerste en tweede lid en de uitkomsten van die werkzaamheden worden door de financiële onderneming schriftelijk vastgelegd.

4.

De toezichtautoriteit kan categorieën functies aanwijzen die voor de toepassing van dit artikel in ieder geval kwalificeren als integriteitsgevoelig, en nadere regels stellen met betrekking tot de wijze waarop een financiële onderneming de betrouwbaarheid beoordeelt van personen als bedoeld in het tweede lid en de vastlegging van gegevens ingevolge het derde lid.

Artikel 3:17. (uitwisseling gegevens betrouwbaarheid werknemers)
1.

Omtrent een persoon van wie zij de betrouwbaarheid heeft beoordeeld ingevolge artikel 3:16, verstrekt een financiële onderneming desgevraagd schriftelijk inlichtingen aan een andere financiële onderneming ten behoeve van de beoordeling door die andere financiële onderneming van die persoon ingevolge artikel 3:16, voor zover nodig om over de betrouwbaarheid een juist en zo volledig mogelijk beeld te geven.

2.

Een financiële onderneming onthoudt zich van handelingen waarvan zij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat deze een onjuist beeld kunnen doen ontstaan van een persoon als bedoeld in het eerste lid.

3.

De toezichtautoriteit kan regels stellen met betrekking tot de wijze waarop een financiële onderneming voldoet aan het eerste en het tweede lid.

Artikel 3:18. (trustkantoren)
1.

Een trustkantoor houdt op een overzichtelijke wijze ten minste de bij regeling van Onze Minister aan te wijzen bescheiden en gegevens voor de toezichtautoriteit beschikbaar.

2.

De bescheiden en gegevens, bedoeld in het eerste lid, staan onmiddellijk ter beschikking van de toezichtautoriteit, indien deze daarom verzoekt.

§ 3. Beheerste bedrijfsuitoefening

Artikel 3:19. (algemene aspecten van de beheerste bedrijfsuitoefening)
1.

De bedrijfsvoering van een financiële onderneming of een bewaarder omvat:

  • a. een duidelijke en adequate organisatiestructuur;
  • b. een duidelijke en adequate verdeling van taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden;
  • c. eenduidige rapportagelijnen;
  • d. een adequaat systeem van informatievoorziening en communicatie;
  • e. een adequaat systeem van interne controle.
2.

De bedrijfsvoering, bedoeld in het eerste lid, is afgestemd op de aard, omvang, risico’s en complexiteit van de werkzaamheden van de financiële onderneming of de bewaarder en wordt op inzichtelijke wijze vastgelegd.

3.

Een beheerder richt voor iedere beleggingsinstelling die hij beheert afzonderlijk een bedrijfsvoering als bedoeld in het eerste lid in.

Artikel 3:20. (belangenconflicten)
1.

Een bemiddelaar in effecten of vermogensbeheerder beschikt over procedures en maatregelen voor het voorkomen van en omgaan met belangenconflicten tussen zijn onderneming en zijn cliënten of tussen zijn cliënten onderling.

2.

De Autoriteit Financiële Markten kan nadere regels stellen met betrekking tot het eerste lid.

Artikel 3:21. (risicomanagement)
1.

Een bemiddelaar in effecten, elektronischgeldinstelling, kredietinstelling, vermogensbeheerder of verzekeraar voert beleid gericht op het beheersen van relevante financiële risico’s.

2.

Het beleid, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgelegd in procedures en maatregelen ter beheersing van relevante financiële risico’s en geïntegreerd in de bedrijfsprocessen. Een financiële onderneming als bedoeld in het eerste lid ziet er op systematische wijze op toe dat de procedures en maatregelen uit de eerste volzin worden nageleefd en zorgt ervoor dat gesignaleerde tekortkomingen of gebreken worden opgeheven.

3.

Een kredietinstelling of verzekeraar heeft een onafhankelijke risicobeheerfunctie die op systematische wijze een onafhankelijke risicobeheer uitvoert dat gericht is op het identificeren, meten en evalueren van de financiële risico’s waaraan de kredietinstelling of verzekeraar kan worden blootgesteld.

4.

Een financiële onderneming met zetel in het buitenland, die in de staat van zetel onder prudentieel toezicht staat, wordt vermoed te voldoen aan de in het eerste tot en met derde lid gestelde eisen, zolang zij in de staat van zetel is toegelaten tot de uitoefening van haar bedrijf.

Artikel 3:22. (risicomanagement beheerder en bewaarder)

Een beheerder of bewaarder met zetel in een openbaar lichaam, beschikt over procedures en maatregelen die waarborgen dat de omvang en samenstelling van en mutaties in de aan te houden financiële waarborgen getrouw en volledig kunnen worden vastgesteld. Artikel 3:21, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3:23. (bewaarplicht advisering)
1.

Een financiëledienstverlener als bedoeld in artikel 5:1 van de wet bewaart, indien hij een consument of cliënt adviseert, de informatie die hij overeenkomstig artikel 5:7 van de wet heeft ingewonnen, alsmede de gegevens betreffende het financiële product, de financiële dienst of de effecten, gedurende ten minste één jaar, gerekend vanaf het moment van advisering.

2.

Ten aanzien van financiëledienstverleners, niet zijnde adviseurs, is het eerste lid niet van toepassing, indien de advisering niet leidt tot het aangaan van verplichtingen door de consument onderscheidenlijk de cliënt inzake het aanbevolen financieel product, de aanbevolen financiële dienst of de aanbevolen effecten.

3.

Indien een consument of cliënt met of door bemiddeling van een financiëledienstverlener een overeenkomst aangaat waarvan de inhoud afwijkt van het advies van die financiëledienstverlener, is die financiëledienstverlener gedurende ten minste één jaar nadien in staat aan de Autoriteit Financiële Markten aan te tonen dat de consument, onderscheidenlijk de cliënt, in weerwil van het advies de keuze heeft gemaakt voor het aangaan van die overeenkomst.

Artikel 3:24. (bewaarplicht kredietovereenkomst)

Een kredietaanbieder bewaart de informatie die hij ingevolge artikel 5:14, tweede lid, van de wet heeft ingewonnen, alsmede de op schrift gestelde door hem aangeboden overeenkomst inzake krediet, indien die overeenkomst tot stand is gekomen, gedurende ten minste vijf jaren, gerekend vanaf de dag waarop die overeenkomst is afgewikkeld.

Artikel 3:25. (bewaarplicht effectenbemiddeling en vermogensbeheer)
1.

Een bemiddelaar in effecten of een vermogensbeheerder bewaart de overeenkomsten met cliënten alsmede door de toezichtautoriteit aangewezen gegevens over alle door hem verleende diensten. Hij bewaart die overeenkomsten en gegevens gedurende ten minste vijf jaar.

2.

Een vermogensbeheerder bewaart de ingevolge artikel 5:8 van de wet ingewonnen informatie gedurende ten minste vijf jaren na de beëindiging van het beheer van het vermogen van de cliënt.

Artikel 3:26. (nadere regels beheerste bedrijfsuitoefening)

De toezichtautoriteit kan nadere regels stellen met betrekking tot de artikelen 3:19 tot en met 3:25.

§ 4. Vakbekwaamheid

Artikel 3:27. (vakbekwaamheid werknemers)
1.

Werknemers en andere natuurlijke personen die zich onder verantwoordelijkheid van een financiële onderneming rechtstreeks bezighouden met het aanbieden van financiële producten of het verlenen van financiële diensten, beschikken over voldoende door een financiële onderneming of derde verzorgde relevante opleiding of daaraan gelijk te stellen ervaring.

2.

De Autoriteit Financiële Markten kan nadere regels stellen met betrekking tot de vereiste opleiding of ervaring, en op welke wijzen die ervaring kan worden aangetoond. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt naar de mate van zelfstandigheid van het optreden van categorieën personen.

Artikel 3:28. (erkenning exameninstituten)

Onze Minister kan exameninstituten erkennen die bevoegd zijn tot het afgeven van diploma’s waarmee de vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 3:27, eerste lid, wordt aangetoond. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt tussen categorieën financiële ondernemingen. Een aanwijzing wordt gepubliceerd in de Staatscourant.

Artikel 3:29. (vakbekwaamheid leidinggevenden assurantiebemiddelaars)

Een bemiddelaar in schadeverzekeringen of levensverzekeringen draagt er zorg voor dat degenen die de feitelijke leiding hebben over een vestiging van zijn bedrijf, allen beschikken over een door een bij regeling van Onze Minister, zo nodig onder voorwaarden, erkend diploma voor de bemiddeling in schadeverzekeringen onderscheidenlijk levensverzekeringen.

§ 5. Klachtbehandeling

Artikel 3:30. (klachtenadministratie)
1.

Een financiële onderneming die financiële producten aanbiedt of financiële diensten verleent beschikt met het oog op een adequate behandeling van klachten van cliënten of consumenten over die producten of diensten over een behoorlijke administratie van die klachten, waarin ten minste worden vastgelegd:

  • a. de naam en het adres van de klager;
  • b. de klacht, met de daarbij behorende dagtekening van ontvangst;
  • c. een omschrijving van de klacht;
  • d. een beschrijving van de wijze waarop de financiële onderneming de klacht heeft behandeld.
2.

Een financiële onderneming bewaart de in het eerste lid bedoelde gegevens gedurende ten minste een jaar nadat de klacht door haar is afgehandeld.

§ 6. Uitbesteding aan derden

Artikel 3:31. (definitie uitbesteden)

In deze paragraaf wordt onder uitbesteden verstaan: het door een financiële onderneming verlenen van een opdracht aan een derde tot het ten behoeve van die financiële onderneming verrichten van werkzaamheden:

  • a. die deel uitmaken van of voortvloeien uit het uitoefenen van haar bedrijf of het aanbieden van financiële producten dan wel verlenen van financiële diensten;
  • b. die deel uitmaken van de wezenlijke bedrijfsprocessen ter ondersteuning daarvan.
Artikel 3:32. (verbod op uitbesteden)
1.

Een financiële onderneming gaat niet over tot het uitbesteden van werkzaamheden indien dat een belemmering vormt voor een adequaat toezicht op de naleving van de bij of krachtens de wet gestelde regels.

2.

Een financiële onderneming besteedt de taken en werkzaamheden van personen die het dagelijks beleid bepalen, daaronder mede verstaan het vaststellen van het beleid en het afleggen van verantwoording over het gevoerde beleid, niet uit.

Artikel 3:33. (waarborgen ten aanzien van uitbesteden)
1.

Een financiële onderneming die werkzaamheden uitbesteedt aan een derde, draagt er zorg voor dat de derde de uitbestede werkzaamheden op adequate wijze uitvoert, de uitvoering afdoende controleert en de daaraan verbonden risico’s op adequate wijze beheerst. Zij legt de overeenkomst met de derde waaraan de werkzaamheden op structurele basis worden uitbesteed schriftelijk vast.

2.

De toezichtautoriteit kan nadere regels stellen met betrekking tot het eerste lid.

Artikel 3:34. (uitbesteden door beheerders en bewaarders)
1.

Een beheerder besteedt het bepalen van het beleggingsbeleid van een beleggingsinstelling niet uit.

2.

De artikelen 3:32 en 3:33 zijn van overeenkomstige toepassing op een beheerder of bewaarder.

Hoofdstuk 4. Financiële waarborgen

§ 1. Inleidende bepalingen

Artikel 4:1. (buitenlandse financiële ondernemingen)
1.

Dit paragrafen 2 tot en met 5 zijn niet van toepassing op financiële ondernemingen, beheerders en bewaarders met zetel in het buitenland die in de staat van zetel onder prudentieel toezicht staan.

2.

Een financiële onderneming, beheerder of bewaarder als bedoeld in het eerste lid voldoet aan de in de staat van zetel op haar van toepassing zijnde eisen met betrekking tot eigen vermogen, solvabiliteit, liquiditeit en technische voorzieningen.

§ 2. Minimumvermogen en solvabiliteit kredietinstellingen

Artikel 4:2. (minimumvermogen)
1.

Het minimumbedrag aan eigen vermogen bedraagt:

  • a. voor een kredietinstelling, niet zijnde een kredietinstelling als bedoeld in de onderdelen b tot en met d: USD 2.750.000;
  • b. voor een kredietinstelling die voornamelijk is gespecialiseerd in het verstrekken van hypotheken: USD 1.650.000;
  • c. voor een kredietinstelling die voornamelijk zijn fondsen aantrekt bij wijze van spaardeposito’s: USD 558.000;
  • d. voor een kredietvereniging: USD 25.000.
2.

Het minimumbedrag aan eigen vermogen van een kredietinstelling wordt gevormd door de waarde van de vermogensbestanddelen, bedoeld in artikel 4:5, tweede lid. Deze vermogensbestanddelen, alsmede de waarden die tegenover die vermogensbestanddelen staan, staan onmiddellijk en zonder beperkingen ter beschikking van de kredietinstelling.

Artikel 4:3. (solvabiliteit)
1.

De solvabiliteit, bedoeld in artikel 3:17, eerste lid, van de wet, is voldoende, indien het in aanmerking te nemen toetsingsvermogen, bedoeld in artikel 4:4, eerste lid, ten minste gelijk is aan de minimumomvang van het toetsingsvermogen berekend overeenkomstig de artikelen 4:8 tot en met 4:18.

2.

De solvabiliteit van een kredietvereniging is voldoende, indien het in aanmerking te nemen toetsingsvermogen, bedoeld in artikel 4:4, tweede lid, ten minste gelijk is aan vijf procent van de totale activa, met uitzondering van de liquide middelen en de vaste activa, van de kredietvereniging.

3.

Onverminderd het eerste en tweede lid is de solvabiliteit van een kredietinstelling ten minste gelijk aan het in artikel 4:2, eerste lid, voorgeschreven minimumbedrag aan eigen vermogen.

Artikel 4:4. (samenstelling toetsingsvermogen)
1.

Het toetsingsvermogen van een kredietinstelling, niet zijnde een kredietvereniging, wordt gevormd door de som van het in aanmerking te nemen kernkapitaal en aanvullend kapitaal, met inachtneming van artikel 4:7.

2.

Het toetsingsvermogen van een kredietvereniging wordt gevormd door de som van de ingehouden winsten, overige reserves en algemene voorzieningen.

3.

De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot het tweede lid.

Artikel 4:5. (kernkapitaal)
1.

Het kernkapitaal wordt gevormd door de waarde van de vermogensbestanddelen, bedoeld in het tweede lid, verminderd met de waarde van de posten bedoeld in het derde lid.

2.

De voor de bepaling van het kernkapitaal in aanmerking te nemen vermogensbestanddelen zijn:

  • a. het geplaatste en volgestorte aandelenkapitaal;
  • b. agioreserve;
  • c. overige reserves;
  • d. ingehouden winst;
  • e. minderheidsbelangen;
  • f. voorzieningen ter dekking van algemene risico’s;
  • g. andere door de Nederlandsche Bank toegestane vermogensbestanddelen.
3.

De voor de bepaling van het kernkapitaal in aanmerking te nemen posten zijn:

  • a. immateriële activa;
  • b. goodwill;
  • c. niet erkende latente belastingvorderingen;
  • d. vijftig procent van de waarde van de volgende deelnemingen:
  • 1°. significante minderheidsdeelnemingen in kredietinstellingen en andere financiële ondernemingen, niet zijnde verzekeraars;
  • 2°. wederzijdse deelnemingen in andere kredietinstellingen die een geflatteerd beeld beogen te geven van de vermogenspositie;
  • 3°. deelnemingen in verzekeraars;
  • 4°. deelnemingen in overige ondernemingen.
4.

De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot de berekening van de in het tweede en derde lid genoemde vermogensbestanddelen en posten.

Artikel 4:6. (aanvullend kapitaal)
1.

Het aanvullend kapitaal wordt gevormd door de waarde van:

  • a. herwaarderingsreserves;
  • b. wettelijke reserves;
  • c. achtergestelde schuldinstrumenten en preferente aandelen met vaste looptijd.
2.

Het in aanmerking te nemen aanvullend kapitaal bedraagt de som van de in het eerste lid bedoelde vermogensbestanddelen, verminderd met vijftig procent van de waarde van de in artikel 4:5, derde lid, onderdeel d, bedoelde deelnemingen.

3.

De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen met betrekking tot de berekening van de in het eerste lid genoemde waarden.

Artikel 4:7. (kwaliteit van het toetsingsvermogen)

Voor de toepassing van de artikelen 4:5 en 4:6:

  • a. wordt het kernkapitaal volledig in aanmerking genomen voor de berekening van het toetsingsvermogen;
  • b. wordt het aanvullend kapitaal voor de berekening van het toetsingsvermogen slechts in aanmerking genomen, voor zover het niet meer bedraagt dan het kernkapitaal;
  • c. worden de achtergestelde schuldinstrumenten en preferente aandelen met vaste looptijd tot een maximum van vijftig procent van het kernkapitaal in aanmerking genomen;
  • d. wordt per post rekening gehouden met het voorzienbare bedrag van de daarover verschuldigde belastingen.
Artikel 4:8. (minimumomvang toetsingsvermogen)

De minimumomvang van het toetsingsvermogen van een kredietinstelling is gelijk aan de som van:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)