Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 9 juli 2012, nr. AV/AR/2012/9243 tot vervanging van de Regeling beëindiging arbeidsovereenkomsten BES (Regeling beëindiging arbeidsovereenkomsten BES 2012)

Type Ministeriele Regeling Bes
Publication 2020-10-10
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 6 van de Wet beëindiging arbeidsovereenkomsten BES;

Besluit:

Paragraaf 1. Begripsbepalingen

Paragraaf 2. Instelling, werkwijze en vergoeding ontslagadviescommissie

Artikel 2.1. Instelling

Er is een ontslagadviescommissie beëindiging arbeidsovereenkomsten BES voor:

Artikel 2.2. Benoeming en termijn
1.

De minister benoemt, schorst en ontslaat de voorzitter, de leden en de plaatsvervangende leden van een ontslagadviescommissie. De commissie wijst uit haar midden een plaatsvervangend voorzitter aan die bij afwezigheid van de voorzitter in diens rechten treedt.

2.

De benoeming geschiedt voor de duur van ten hoogste vier jaar.

3.

Een aftredend lid is terstond herbenoembaar.

Artikel 2.3. Onafhankelijkheid
1.

Leden van een ontslagadviescommissie adviseren onafhankelijk en zonder last of ruggespraak. Om dit te waarborgen verstrekken leden van een ontslagadviescommissie aan de minister gegevens over hun hoofd- en nevenfuncties.

2.

Een lid van een ontslagadviescommissie adviseert niet in een zaak waarbij hij op enigerlei wijze betrokken is of is geweest.

Artikel 2.4. Vergoeding
1.

Aan leden van een ontslagadviescommissie wordt ten laste van de minister een door hem vast te stellen vergoeding toegekend.

2.

Om aanspraak te kunnen maken op de vergoeding, ondertekenen de leden van een ontslagadviescommissie per bijgewoonde vergadering een presentielijst.

Artikel 2.5. Secretariaat
1.

De voorzitter wordt bijgestaan door een secretaris.

2.

De secretaris wordt door de minister aangewezen.

Artikel 2.6. Vernietiging afschriften dossiers

Na behandeling in een ontslagadviescommissie van een verzoek worden de aan de leden toegezonden afschriften van de dossiers betreffende het verzoek bij de secretaris ingeleverd en door hem vernietigd.

Artikel 2.7. Vergaderingen
1.

De voorzitter bepaalt de plaats en het tijdstip van een vergadering van de ontslagadviescommissie. Hij stelt de agenda vast en leidt de vergadering.

2.

In een vergadering kunnen geen adviezen worden uitgebracht, indien niet ten minste één lid-vertegenwoordiger van de werknemers en één lid-vertegenwoordiger van de werkgevers aanwezig zijn.

3.

Indien het in het tweede lid vermelde minimum aantal leden niet ter vergadering verschijnt, roept de voorzitter op korte termijn een nieuwe vergadering bijeen met dezelfde agenda, in welke vergadering adviezen kunnen worden vastgesteld ongeacht het aantal aanwezige leden.

4.

Alle uit te brengen adviezen worden vastgesteld bij meerderheid van stemmen. Bij staking van de stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend.

5.

Wanneer een ontslagadviescommissie niet tot een eenstemmig advies komt, worden de verschillende standpunten aan de minister medegedeeld voor zover de leden van de ontslagadviescommissie daarom verzoeken.

6.

Indien een lid tevens plaatsvervangend voorzitter is en bij afwezigheid van de voorzitter als zodanig optreedt, treedt hij niet tegelijkertijd op als lid van de ontslagadviescommissie.

Paragraaf 3. Procedure

Paragraaf 3. Procedure

Paragraaf 5. Ontslag wegens bedrijfseconomische redenen

Paragraaf 6. Beëindiging wegens andere dan bedrijfseconomische redenen

Paragraaf 7. Overige bepalingen

Paragraaf 8. Slotbepalingen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 1.1. Definities

In deze regeling wordt verstaan onder:

Paragraaf 2. Instelling, werkwijze en vergoeding ontslagadviescommissie

Artikel 3.1. Mogelijkheid voor werkgever tot aanvulling informatie

Indien de door de werkgever bij het verzoek tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van het verzoek, heeft de werkgever de gelegenheid het verzoek binnen acht dagen na mededeling hiervan door de minister aan te vullen. Deze termijn kan door de minister worden verlengd indien bijzondere omstandigheden dit noodzakelijk maken.

Artikel 3.2. Verzoek werkgever tot beëindiging arbeidsovereenkomst
1.

Na ontvangst van een verzoek doet de minister de werknemer hiervan onder vermelding van de ontvangstdatum van het verzoek schriftelijk mededeling en stelt hij de werknemer in de gelegenheid om binnen vijf dagen na deze mededeling mondeling of schriftelijk verweer te voeren.

2.

Indien de werknemer mondeling verweer voert, wordt het verweer door de minister in een door de werknemer ondertekend stuk neergelegd.

3.

Na ontvangst van het verweer kan de minister achtereenvolgens de werkgever en de werknemer in de gelegenheid stellen binnen drie dagen hun zienswijze naar voren te brengen.

4.

De in het eerste en derde lid voor de werkgever en werknemer gestelde termijnen kunnen door de minister worden verlengd indien bijzondere omstandigheden dit noodzakelijk maken.

5.

Indien de werkgever of de werknemer bezwaren heeft tegen het ter kennis brengen van vertrouwelijke gegevens aan de wederpartij, worden deze gegevens niet in beschouwing genomen bij de beoordeling van het verzoek en per omgaande teruggezonden.

Artikel 3.3. Zienswijze werkgever en werknemer na advies

Indien door een controlerende geneeskundige als bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van de Wet ziekteverzekering BES of als bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van de Wet ongevallenverzekering BES een advies is uitgebracht in verband met de toepassing van artikel 6.2, kan de minister de werkgever en de werknemer in de gelegenheid stellen binnen twee weken hun zienswijze op dat advies naar voren te brengen.

Artikel 3.4. Verzending verzoek aan ontslagadviescommissie

Na ontvangst van het in artikel 3.2, eerste lid, bedoelde verweer van de werknemer dan wel nadat de werkgever en werknemer hun zienswijze krachtens artikel 3.2, derde lid, naar voren hebben gebracht, zendt de minister zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen 28 dagen een afschrift van het verzoek om toestemming en van de daarop betrekking hebbende gegevens en bescheiden, waaronder een verslag van het in artikel 3.2, eerste lid, bedoelde verweer, voor advies aan de ontslagadviescommissie.

Artikel 3.5. Kennisgeving collectief ontslag

Indien een kennisgeving als bedoeld in artikel 5 van de wet is gedaan, zendt de minister de daarop betrekking hebbende stukken alsmede het afvloeiingsplan, bedoeld in dat artikel, uiterlijk binnen twintig dagen na ontvangst van het afvloeiingsplan aan de ontslagadviescommissie.

Artikel 3.6. Uitbrenging advies door ontslagadviescommissie
1.

De ontslagadviescommissie brengt binnen tien dagen na ontvangst van de stukken, bedoeld in artikel 3.4, aan de minister een schriftelijk en met redenen omkleed advies uit over het verzoek tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

2.

Indien niet binnen de termijn, bedoeld in het eerste lid, advies kan worden uitgebracht, geeft de voorzitter van de betrokken ontslagadviescommissie dat schriftelijk, onder opgave van redenen, tijdig te kennen aan de minister.

Artikel 3.7. Termijn en voorwaarden toestemming
1.

Indien de minister toestemming voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst verleent, bepaalt hij daarbij gedurende welke termijn de toestemming geldt. Deze termijn, welke begint te lopen vanaf de bekendmaking van de toestemming, wordt op ten hoogste acht weken gesteld.

2.

Behoudens de in artikel 5.7 genoemde voorwaarde kunnen aan de beslissing inzake het verlenen van toestemming geen voorwaarden worden verbonden.

Paragraaf 4. Toetsing ontslag

Artikel 4.1. Redelijkheid ontslag
1.

De minister beoordeelt of het voorgenomen ontslag redelijk is.

2.

Hij neemt daarbij de mogelijkheden en belangen van de betrokken werkgever en werknemer in aanmerking en andere belangen voor zover de navolgende regels dit inhouden.

3.

De werkgever verstrekt aan de minister de gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van een voorgenomen ontslag.

Paragraaf 5. Ontslag wegens bedrijfseconomische redenen

Artikel 5.1. Ontslag wegens bedrijfseconomische redenen
1.

In geval van redenen van bedrijfseconomische aard maakt de werkgever aannemelijk dat op grond hiervan een of meer arbeidsplaatsen dienen te vervallen.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing indien:

3.

De minister verleent toestemming voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van de daarbij betrokken werknemers met inachtneming van de artikelen 5.2 tot en met 5.7.

Artikel 5.2. Selectiecriterium bij individueel ontslag

Bij het vervallen van meer dan een arbeidsplaats, zonder dat sprake is van een collectief ontslag als bedoeld in artikel 5 van de wet, geldt dat binnen een categorie van uitwisselbare functies bij een bedrijfsvestiging, de werknemer met het kortste dienstverband als eerste voor ontslag wordt voorgedragen.

Artikel 5.3. Selectiecriteria bij collectief ontslag
1.

Ingeval van een collectief ontslag als bedoeld in artikel 5 van de wet geldt dat voor zover het bij de te vervallen arbeidsplaatsen uitwisselbare functies betreft, per leeftijdsgroep binnen een categorie uitwisselbare functies van de betreffende bedrijfsvestiging, de werknemers met het kortste dienstverband als eerste voor ontslag worden voorgedragen.

2.

Het aantal werknemers dat per leeftijdsgroep voor ontslag in aanmerking wordt gebracht, komt voor zover mogelijk voor en na ontslag overeen met de onderlinge verhouding van het aantal werknemers in elk van de leeftijdsgroepen binnen de betreffende categorie uitwisselbare functies.

3.

De in het eerste en tweede lid bedoelde leeftijdsgroepen zijn de groepen van 15 tot 25 jaar, van 25 tot 35 jaar, van 35 tot 45 jaar, van 45 tot 55 jaar en van 55 jaar en ouder.

Artikel 5.4. Afwijkingsmogelijkheid selectiecriteria op verzoek werkgever

De werkgever kan van de in artikel 5.2 of 5.3 omschreven selectiecriteria afwijken, indien:

Artikel 5.5. Afwijkingsmogelijkheid selectiecriteria in het belang van werknemer

De minister kan ten aanzien van een werknemer die overeenkomstig de artikelen 5.2, 5.3 of 5.4 voor ontslag in aanmerking komt toestemming weigeren, indien deze werknemer een zwakke arbeidsmarktpositie heeft, en dit niet het geval is met de werknemer die alsdan voor ontslag in aanmerking komt.

Artikel 5.6. Bescherming werknemers met arbeidshandicap
1.

Indien toepassing van de artikelen 5.1 tot en met 5.5 er toe leidt dat een of meer werknemers met een arbeidshandicap voor ontslag in aanmerking komen, kan de toestemming voor hun ontslag slechts worden verleend indien is voldaan aan artikel 6.2, aanhef en onderdeel b.

2.

Als werknemers met een arbeidshandicap als bedoeld in het eerste lid, worden aangemerkt, werknemers:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.