Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 21 juni 2012, nr. IvhO/418788, betreffende de uitleg van de termen ‘specifieke aard van het beroep’ en ‘andere gewichtige omstandigheden’, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, in verband met de toepassing van de bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 27 van de Leerplichtwet 1969, bij overtreding van de vrijstellingsgronden van geregeld schoolbezoek als bedoeld in artikel 13a, tweede lid, en artikel 14, derde lid, eerste volzin, van de Leerplichtwet 1969 (Beleidsregel uitleg ‘specifieke aard van het beroep’ en ‘andere gewichtige omstandigheden’ bedoeld in de Leerplichtwet 1969)

Type Beleidsregel
Publication 2020-11-25
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Handelend in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken, Landbouw & Innovatie (EL&I) voor zover het betreft het onderwijs en het onderzoek op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving;

Gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

Besluit:

De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte.

Artikel 1. Specifieke aard van het beroep

Op grond van artikel 11, onder f, en 13a, tweede lid, van de Leerplichtwet 1969 (Leerplichtwet) is om buiten de schoolvakanties op vakantie te gaan vanwege het specifieke beroep van één van de ouders, éénmaal vrijstelling van geregeld schoolbezoek mogelijk voor ten hoogste tien dagen per schooljaar. Dit verlof kan geen betrekking hebben op de eerste twee lesweken van het jaar. Voor een kwalificatieplichtige jongere kan slechts verlof worden verleend voor een evenredig deel van het aantal dagen dat deze verplicht is onderwijs te volgen. Het hoofd van de school of instelling kan hiervoor verlof verlenen.

Bij het begrip ‘specifieke aard van het beroep’ bedoeld in artikel 11, onderdeel f, van de Leerplichtwet dient voornamelijk te worden gedacht aan seizoensgebonden werkzaamheden, resp. werkzaamheden in bedrijfstakken die een piekdrukte kennen, waardoor het voor het gezin feitelijk onmogelijk is om in die periode een vakantie op te nemen. Het moet redelijkerwijs te voorzien zijn (en/of worden aangetoond) dat een vakantie in de schoolvakanties tot onoverkomelijke bedrijfseconomische problemen zal leiden. Slechts het gegeven dat gedurende de schoolvakanties een belangrijk deel van de omzet wordt behaald is onvoldoende.

Artikel 2. Andere gewichtige omstandigheden

Op grond van artikel 11, onderdeel g, en artikel 14 van de Leerplichtwet zijn in bepaalde situaties bijzondere vormen van verlof toegestaan voor maximaal tien dagen per schooljaar. Het gaat hier om zogenaamde ‘andere gewichtige omstandigheden’. Dit zijn omstandigheden die niet eerder in de limitatieve opsomming van artikel 11 van de Leerplichtwet zijn genoemd en die veelal buiten de wil of invloedsfeer van de ouders of jongere zijn gelegen. Het hoofd van de school of instelling kan verlof verlenen voor afwezigheid als gevolg van een dergelijke andere gewichtige omstandigheid.

In de hierna te noemen gevallen kan, zolang het totaal aan een jongere te verlenen verlof het aantal van 10 verlofdagen in een schooljaar niet te boven gaat, verlof worden gegeven voor de hierna genoemde periode:

Daarbij geldt het volgende:

In de volgende gevallen wordt in ieder geval geen extra verlof gegeven:

Artikel 3. Inwerkingtreding

Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 juli 2012.

Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.