Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 5 december 2012, nr. IENM/BSK-2012/241281, houdende vaststelling beleidsregels voor de sturing van en het toezicht op de Dienst Wegverkeer (Beleidsregels sturing van en toezicht op de Dienst Wegverkeer)
Gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen;
BESLUIT:
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
In deze regels wordt verstaan onder:
- de dienst: de Dienst Wegverkeer;
- de Kaderwet: de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen;
- de wet: de Wegenverkeerswet 1994.
§ 2. Directie van de dienst
Artikel 2. Goedkeuring bestuursreglement
Bij de goedkeuring van het bestuursreglement op grond van artikel 11 Kaderwet io. artikel 4n van de wet bekijkt de minister in ieder geval of ten aanzien van de hierna volgende onderwerpen bepalingen zijn opgenomen:
- a. een nadere omschrijving van de taken van de leden van de directie;
- b. nadere bepaling van de bevoegdheden binnen de directie;
- c. de schriftelijke goedkeuring van diverse besluiten door de raad van toezicht;
- d. de besluitvorming in en buiten de vergadering;
- e. de notulen van de vergadering;
- f. het hebben en melden van nevenfuncties aan de raad van toezicht;
- g. de handelwijze in geval van tegenstrijdige belangen van een lid van de directie.
Artikel 3. Procedure benoeming nieuwe leden directie
Bij de benoeming van een nieuw lid van de directie worden de volgende processtappen gevolgd:
- a. de minister verzoekt de raad van toezicht een deskundigheidsprofiel op te stellen voor het nieuwe directielid;
- b. na goedkeuring van het deskundigheidsprofiel door de minister, al dan niet in aangepaste vorm, verzoekt de minister de raad van toezicht potentiële kandidaten te selecteren en een niet-bindende concept-voordracht van minimaal één kandidaat voor de invulling van de vacature te doen;
- c. na het akkoord van de minister op de concept-voordracht worden door de secretaris-generaal gesprekken met de kandida(a)t(en) gevoerd, waarin verwachtingen van de minister ten aanzien van de organisatie worden geschetst. Het gaat om voorziene ontwikkelingen in beleid en de verwachte bijdrage van de betreffende organisatie hieraan alsmede de bijdrage van het specifiek te benoemen lid. Evenzo kan hierin worden stilgestaan bij de onderlinge werkwijze en relatie;
- d. de secretaris-generaal stelt de raad van toezicht op de hoogte van zijn bevindingen en verzoekt de raad van toezicht een met de bevindingen van de secretaris-generaal rekening houdende, niet-bindende voordracht voor een nieuw lid van de directie te doen;
- e. de minister besluit tot benoeming of gemotiveerd tot afwijzing van de kandidaat;
- f. in de brief waarmee het benoemingsbesluit wordt toegezonden aan de betrokkene worden onder verwijzing naar het gesprek met de secretaris-generaal de verwachtingen van de minister ten aanzien van de organisatie geschetst.
Indien de minister besluit tot afwijzing van de kandidaat, wordt de procedure herhaald.
Artikel 4. Procedure herbenoeming leden directie
Bij de herbenoeming van een lid van de directie worden de volgende processtappen gevolgd:
- a. de minister voert overleg met de raad van toezicht over de herbenoeming van een lid van de directie;
- b. de raad van toezicht doet een niet bindende voordracht voor de herbenoeming van het betreffende lid van de directie;
- c. de minister besluit tot herbenoeming van het betreffende lid van de directie of gemotiveerd tot afwijzing.
Indien uit het in het eerste lid, onderdeel a, genoemde overleg blijkt dat er bij de betrokkenen onvoldoende draagvlak bestaat voor de herbenoeming, of de minister besluit tot afwijzing, wordt de procedure van artikel 3 gevolgd.
Artikel 5. Schorsing en ontslag van de directie
Voorafgaand aan schorsing of ontslag van de leden van de directie informeert de minister de raad van toezicht over zijn voornemen.
Artikel 6. Bezoldiging directie
Ten behoeve van het vaststellen van de bezoldiging van de directie conform artikel 14, tweede lid, van de Kaderwet verzoekt de minister de raad van toezicht om een voorstel voor de bezoldiging van de directie op te stellen, rekening houdend met de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector. De raad van toezicht kan binnen een door de minister vastgestelde marge jaarlijks een variabele component toekennen aan de directie, afhankelijk van de prestaties en de realisatie van vooraf tussen de raad van toezicht en de directie overeengekomen doelen. Die marge blijft binnen de grenzen die de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector stelt.
§ 3. Raad van toezicht van de dienst
Artikel 7. Reglement van de raad van toezicht
Bij de goedkeuring van het reglement van de raad van toezicht op grond van artikel 4l, zevende lid, van de wet bekijkt de minister in ieder geval of ten aanzien van de hierna volgende onderwerpen bepalingen zijn opgenomen:
- a. een nadere omschrijving van de taken van de leden van de raad van toezicht;
- b. een nadere bepaling van de bevoegdheden van en binnen de raad van toezicht;
- c. de besluitvorming in en buiten de vergadering;
- d. de notulen van de vergadering;
- e. de handelwijze in geval van tegenstrijdige belangen van een lid van de raad van toezicht;
- f. de instelling en werkwijze van commissies zoals een auditcommissie.
Artikel 8. Benoeming nieuwe leden raad van toezicht
Bij de benoeming van een nieuw lid van de raad van toezicht worden de volgende processtappen gevolgd:
- a. de minister verzoekt de raad van toezicht een deskundigheidsprofiel op te stellen voor het nieuwe lid van de raad van toezicht;
- b. na goedkeuring van het deskundigheidsprofiel door de minister, al dan niet in aangepaste vorm, verzoekt de minister de raad van toezicht potentiële kandidaten te selecteren en een niet-bindende concept-voordracht van minimaal één kandidaat voor de invulling van de vacature te doen;
- c. na het akkoord van de minister op de concept-voordracht voert de secretaris-generaal gesprekken met de kandida(a)t(en) waarin de verwachtingen van de minister ten aanzien van de organisatie worden geschetst. Het gaat dan om voorziene ontwikkelingen in beleid en de verwachte bijdrage van de betreffende organisatie hieraan alsmede de bijdrage van het specifiek te benoemen lid. Evenzo kan hierin worden stilgestaan bij de onderlinge werkwijze en relatie;
- d. de secretaris-generaal stelt de raad van toezicht op de hoogte van zijn bevindingen en verzoekt de raad van toezicht een met de bevindingen van de secretaris-generaal rekening houdende, niet-bindende voordracht voor een nieuw lid van de raad van toezicht te doen;
- e. de minister besluit tot benoeming of gemotiveerd tot afwijzing van de kandidaat;
- f. in de brief waarmee het benoemingsbesluit wordt toegezonden aan de betrokkene worden nogmaals de verwachtingen van het ministerie ten aanzien van de organisatie geschetst en verwezen naar het gesprek.
Indien de minister besluit tot afwijzing van de kandidaat, wordt de procedure herhaald.
Artikel 9. Procedure herbenoeming leden raad van toezicht
Bij de herbenoeming van een lid van de raad van toezicht worden de volgende processtappen gevolgd:
- a. de minister voert overleg met de raad van toezicht over de herbenoeming van een lid van de raad van toezicht;
- b. de raad van toezicht doet een niet bindende voordracht voor de herbenoeming van het betreffende lid van de raad van toezicht;
- c. de minister besluit tot herbenoeming van het betreffende lid van de raad van toezicht of gemotiveerd tot afwijzing.
Indien uit het in het eerste lid, onderdeel a, genoemde overleg blijkt dat er bij de betrokkenen onvoldoende draagvlak bestaat voor de herbenoeming, of de minister besluit tot afwijzing, wordt de procedure van artikel 8 gevolgd.
§ 4. Financieel toezicht
Artikel 10. Tarieven voor taken of taakclusters op grond van de artikelen 4b, eerste lid, en tweede lid, onderdeel a, en 4q, van de wet, alsmede tarieven voor andere op basis van artikel 4b, tweede lid, onderdeel b, van de wet opgedragen taken, voor zover deze taken mede een andere basis hebben in of krachtens de wet
De kostprijzen die ten grondslag liggen aan de tarieven conform het artikel 4b, eerste lid, en tweede lid, onderdeel a, en 4q, van de wet, alsmede aan de tarieven voor andere opgedragen taken op basis van artikel 4b, tweede lid, onderdeel b, van de wet voor zover deze taken mede een andere basis hebben in of krachtens de wet, worden op basis van bedrijfseconomisch aanvaardbare verdeelsleutels bepaald.
De in het eerste lid bedoelde tarieven kunnen bestaan uit de volgende componenten:
- a. kosten van de taak of het cluster van taken onder beschouwing;
- b. structurele overdekking ter dekking van kosten die niet of niet geheel worden getarifeerd;
- c. over- of onderdekking teneinde de vermogenspositie te wijzigen.
Artikel 11. Prijzen voor andere, op basis van artikel 4b, tweede lid, onderdeel b, van de wet opgedragen taken, voor zover deze taken niet mede een andere basis hebben in of krachtens de wet
Bij andere, op basis van artikel 4b, tweede lid, onderdeel b, van de wet door de minister opgedragen taken, voor zover deze taken niet mede een andere basis hebben in of krachtens de wet, geeft de minister bij het opdragen van die taken aan dat er prijzen voor die taken in rekening worden gebracht en aan welke eisen deze prijzen moeten voldoen.
Indien voor deze prijzen een wettelijke basis noodzakelijk is, zorgt de minister hiervoor.
Artikel 12. Inhoud tarievenvoorstel
De minister besteedt bij de beoordeling van het voorstel voor de tarieven en tariefwijzigingen van de dienst ten behoeve van de goedkeuring op grond van artikel 17 van de Kaderwet in ieder geval aandacht aan de volgende aspecten:
- a. de voorgestelde tarieven per taak dan wel per cluster van taken, alsmede de wettelijke basis voor en de rechtmatigheid van die tarieven;
- b. de voorgestelde wijzigingen in het tarievenbeleid;
- c. de invloed van en consequenties voor de vermogenspositie op basis van het jaarverslag van het voorafgaande jaar, de geprognosticeerde realisatie van het lopende jaar en de begroting van het komende jaar;
- d. de mate van kostendekkendheid en de kostenontwikkeling per taak dan wel per cluster van taken;
- e. de invloed van efficiëntie-ontwikkelingen;
- f. de invloed van loon- en prijsontwikkelingen;
- g. de in artikel 10, tweede lid, genoemde componenten van dit tarief;
- h. de reactie van de gebruikers, zoals weergegeven door de dienst;
- i. departementsoverstijgende aangelegenheden;
- j. maatschappelijke belangen;
- k. ontwikkeling van de doelmatigheid;
- l. kostendekkendheid per taakcluster;
- m. vooruitzicht voor volgende jaren;
- n. consistentie tussen de tarieven;
- o. de wijze waarop de tarieven zich verhouden tot de tarieven van het jaar ervoor.
Om de minister in staat te stellen de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, uit te voeren, voegt de dienst bij het in het eerste lid bedoelde voorstel een toelichting die aansluit op de artikelen 10 en 11 en ingaat op de consequenties van het streven naar kostendekkendheid per taak of taakcluster.
Om de minister in staat te stellen de rechtmatigheid van de tarieven als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, te beoordelen, vermeldt de dienst bij het in het eerste lid bedoelde voorstel bij ieder tarief de wettelijke grondslag.
De dienst informeert de minister bij voorgestelde tariefwijzigingen en tarieven voor nieuwe taken of clusters van taken inzake de mogelijk aan het voorstel gekoppelde gevoeligheden.
Artikel 13. Begroting
Ten behoeve van de goedkeuring van het besluit tot vaststelling van de begroting conform artikel 29 van de Kaderwet beoordeelt de minister de begroting, zoals die door de dienst aan de minister is aangeboden na instemming van de raad van toezicht, en besteedt hij daarbij in ieder geval aandacht aan de onderdelen a tot en met f in het tweede lid.
De begroting bevat de navolgende elementen, waarbij ter vergelijking bij de onderdelen a, b en c tevens de gerealiseerde gegevens van het laatst afgesloten boekjaar, het lopende jaar, het komende begrotingsjaar en de vier volgende jaren worden vermeld:
- a. de begroting conform artikel 27 van de Kaderwet, aangevuld met de kosten en opbrengsten, zowel met betrekking tot de gehele exploitatie als onderscheiden per taakcluster;
- b. de begrote gecomprimeerde balans per ultimo van het begrotingsjaar;
- c. de wijze van financiering;
- d. een overzicht en bedrijfseconomische onderbouwing van investeringen van zwaarwegend belang;
- e. de belangrijkste risico’s voor de continuïteit en de kwaliteit van de taakuitvoering van de dienst, de wijze waarop deze risico’s zijn afgedekt alsmede de financiële consequenties daarvan;
- f. een toelichting op de onderdelen a tot en met e.
Artikel 14. Financieel meerjarenbeleidsplan
Ten behoeve van de goedkeuring van het financieel meerjarenbeleidsplan beoordeelt de minister het plan, zoals dat door de dienst aan de minister is aangeboden na instemming van de raad van toezicht, en besteedt hij daarbij in ieder geval aandacht aan de volgende aspecten:
- a. volledigheid van de elementen genoemd in artikel 5, tweede lid, van de Regeling sturing van en toezicht op de Dienst Wegverkeer;
- b. mate van op-/afbouw reserves;
- c. kostendekkendheid per taakcluster;
- d. (maximale) omvang van de voorzieningen;
- e. investeringen van zwaarwegend belang;
- f. het maatschappelijk draagvlak voor tariefstijgingen, zowel bij de burger als bij de branche;
- g. de wettelijke basis voor de tarieven en de onderbouwing van die tarieven;
- h. ontwikkelingen in de kwaliteit van de dienstverlening in relatie tot de ontwikkelingen in de bedrijfsvoering en de voorgestelde tarieven.
Indien de beoordeling door de minister daartoe aanleiding geeft, overlegt de minister met de dienst en past de dienst het financieel meerjarenbeleidsplan aan.
§ 5. Taakuitoefening
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.