Beleidsregels Toetsingskader Wet verplichte beroepspensioenregeling, aangepaste versie
Het Toetsingskader Wet verplichte beroepspensioenregeling (Toetsingskader Wvb) is na de inwerkingtreding van de Wet verplichte beroepspensioenregeling (Wvb) ingevoerd per 1 september 2006. Beroepsgenoten, belanghebbenden en derden krijgen via het Toetsingskader Wvb inzicht in de criteria waaraan aanvragen om verplichtstelling en ook om wijziging of intrekking ervan, worden getoetst evenals in de procedures die daarbij gevolgd worden. Hierdoor kan ook van die zijde een bijdrage worden geleverd aan een snellere afwikkeling van aanvragen op basis van de Wvb.
Met de verplichtstelling wordt tegemoet gekomen aan de behoefte onder vrije beroepsgenoten om in collectief verband een pensioenvoorziening te treffen. Een verplichtstelling die naar het oordeel van het kabinet alleen gehandhaafd kan worden met strikte eisen ten aanzien van solidariteit en representativiteit. Die eisen zijn in de Wvb opgenomen.
Met de verplichtstelling wordt tegemoetgekomen aan de behoefte onder vrije beroepsgenoten om in collectief verband een pensioenvoorziening te treffen. Een verplichtstelling die naar het oordeel van het kabinet alleen gehandhaafd kan worden met strikte eisen ten aanzien van solidariteit en representativiteit. Die eisen zijn in de Wvb opgenomen.
In artikel 5, tweede lid, Wvb is bepaald dat arbitrale bedingen buiten de reikwijdte van de verplichtstelling vallen. Doordat dit in de wet is vastgelegd, zijn zulke bepalingen van rechtswege van de verplichtstelling uitgesloten. Hierdoor zijn beroepsgenoten die geen lid zijn van de beroepspensioenvereniging niet gebonden aan arbitrale bedingen in de verplichtgestelde beroepspensioenregeling.
In artikel 5, tweede lid, Wvb is bepaald dat arbitrale bedingen buiten de reikwijdte van de verplichtstelling vallen. Doordat dit in de wet is vastgelegd, zijn zulke bepalingen van rechtswege van de verplichtstelling uitgesloten. Hierdoor zijn beroepsgenoten die geen lid zijn van de beroepspensioenvereniging niet gebonden aan arbitrale bedingen in de verplichtgestelde beroepspensioenregeling.
Werkingssfeer
Op wie een besluit tot verplichtstelling van toepassing is, wordt bepaald door de werkingssfeer van de verplichtstelling zoals die is omschreven door de beroepspensioenvereniging. Het moet duidelijk zijn wie onder de werkingssfeer van de verplichtstelling vallen. Beroepsgenoten die geen lid zijn van de beroepspensioenvereniging moeten kunnen begrijpen of zij, in het geval van verplichtstelling, moeten deelnemen in de verplichtgestelde beroepspensioenregeling.
Op wie een besluit tot verplichtstelling van toepassing is, wordt bepaald door de werkingssfeer van de verplichtstelling zoals die is omschreven door de beroepspensioenvereniging. Het moet duidelijk zijn wie onder de werkingssfeer van de verplichtstelling vallen. Beroepsgenoten die geen lid zijn van de beroepspensioenvereniging moeten kunnen begrijpen of zij, in het geval van verplichtstelling, moeten deelnemen in de verplichtgestelde beroepspensioenregeling.
De beoordeling van de representativiteit van de beroepspensioenvereniging die een aanvraag in het kader van de Wvb indient, is ook gekoppeld aan de omschreven werkingssfeer van de verplichtstelling.
Om de werkingssfeer van de verplichtstelling te omschrijven, geeft de beroepspensioenvereniging een beschrijving van het beroep dat wordt uitgeoefend in de tak van beroep waarvoor de verplichtstelling wordt gevraagd.
Daarom is het in ieder geval nodig aan te geven of de werkingssfeer zich uitstrekt over beroepsgenoten in loondienst. Verder moet, als er een minimumleeftijd voor toetreding is, worden aangegeven hoe hoog die is. Ook moet de maximum leeftijd voor beëindiging van de deelname aan de pensioenregeling worden opgenomen. Wanneer voor de maximumleeftijd wordt verwezen naar artikel 18a van de Wet op de loonbelasting 1964 of artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet zal de maximumleeftijd automatisch meebewegen met het tijdpad dat daarin is opgenomen.
Wanneer in een omschrijving van een werkingssfeer wordt verwezen naar een bepaalde wet, besluit of regeling, dan moet deze worden gefixeerd. Dit betekent dat een jaartal en publicatienummer van de Staatscourant of het Staatsblad zijn opgenomen. Bij verwijzing naar artikel 18a van de Wet op de loonbelasting 1964 of artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet is het opnemen van een fixatie niet vereist.
Een overlap van werkingsferen zal zich niet voordoen bij de vrije beroepsgenoten, omdat de werkingssfeer een afgebakende omschrijving kent van het beroep van de beroepsgenoot. Voor beroepsgenoten in loondienst kan wel een overlap van werkingsferen ontstaan. Een beroepsgenoot in loondienst kan zowel onder de werkingssfeer van een verplichte beroepspensioenregeling vallen als onder de werkingssfeer van een verplichtgesteld Bedrijfstakpensioenfonds (bpf). Teneinde een samenloop te voorkomen zal de beroepspensioenvereniging de werkingssfeer zo moeten omschrijven dat werknemers die al onder een andere verplichtstelling vallen worden uitgesloten. Mocht bij de aanvraag blijken dat er toch overlap bestaat, dan zal de Minister van SZW de beroepspensioenvereniging verzoeken de werkingssfeer te wijzigen alvorens de aanvraag verder in behandeling wordt genomen.
1. Doel van verplichtstelling
Mocht uit zienswijzen blijken dat er sprake is van overlap, dan zal de Minister van SZW de betrokken partijen verzoeken tot een oplossing te komen.
3. Representativiteit
In artikel 5, tweede lid, Wvb is bepaald dat arbitrale bedingen buiten de reikwijdte van de verplichtstelling vallen. Doordat dit in de wet is vastgelegd, zijn zulke bepalingen van rechtswege van de verplichtstelling uitgesloten. Hierdoor zijn beroepsgenoten die geen lid zijn van de beroepspensioenvereniging niet gebonden aan arbitrale bedingen in de verplichtgestelde beroepspensioenregeling.
a. bij aanvragen op grond van de Wvb
Uitgangspunten
Een besluit (in beginsel voor onbepaalde tijd) in het kader van de verplichtstelling heeft grote betekenis voor een beroepsgroep. Voldoende draagvlak onder de beroepsgenoten voor zo’n besluit is dan ook van belang. Daarom is bepaald dat een aanvraag in het kader van de verplichtstelling moet worden ingediend door een beroepspensioenvereniging, die naar het oordeel van de Minister van SZW een belangrijke meerderheid van de beroepsgenoten, in de betreffende tak van beroep, vertegenwoordigt.
Als de verplichtstelling wordt aangevraagd voor zowel zelfstandig werkzame beroepsgenoten als voor beroepsgenoten in loondienst, moet voor beide groepen afzonderlijk worden aangetoond dat de beroepspensioenvereniging een belangrijke meerderheid van die beroepsgenoten vertegenwoordigt.
De representativiteit wordt beoordeeld ten aanzien van de werkingssfeer waarvoor verplichtstelling, wijziging of gehele of gedeeltelijke intrekking wordt gevraagd (zie daarover paragraaf 4).
Zoals in paragraaf 2 is vermeld heeft de beroepspensioenvereniging bij de omschrijving van de werkingssfeer de mogelijkheid om bepaalde groepen van de werkingssfeer uit te zonderen. Deze vallen dan buiten de werkingssfeer van de verplichte beroepspensioenregeling en buiten het besluit tot verplichtstelling en worden daarom niet meegenomen in de beoordeling van de representativiteit.
Om vast te stellen of de beroepspensioenvereniging voldoet aan de eis van ‘belangrijke meerderheid’ zal de representativiteit van de beroepspensioenvereniging worden beoordeeld. In artikel 5, eerste lid, onderdeel b, Wvb staat dat de beroepspensioenvereniging een belangrijke meerderheid van de beroepsgenoten die tot de beroepsgroep behoren moet vertegenwoordigen. Wie tot de beroepsgroep behoort, hebben de beroepsgenoten gedefinieerd in de werkingssfeer van de pensioenregeling. De representativiteit wordt via de volgende formule gemeten:
Overlapping van werkingssferen
aantal beroepsgenoten binnen de werkingssfeer dat lid is van de
beroepspensioenvereniging
----------------------------------------------------------------------------------------------------- x 100%
3. Representativiteit
a. bij aanvragen op grond van de Wvb
Uitgangspunten
Is het percentage minder dan 55 dan zal dat verzoek om verplichtstelling voor beide groepen niet verder in behandeling worden genomen. De beroepspensioenvereniging kan dan vervolgens een verplichtstelling voor alleen de zelfstandig werkende beroepsgenoten aanvragen.
Is het percentage 55 of meer dan zal vervolgens de representativiteit voor beide groepen beroepsgenoten afzonderlijk worden beoordeeld. Dat gebeurt via de volgende formules:
aantal zelfstandig werkende beroepsgenoten binnen de werkingssfeer dat lid is van
de beroepspensioenvereniging
Beoordeling van de representativiteit van de beroepspensioenvereniging
het totaal aantal zelfstandig werkende beroepsgenoten binnen de werkingssfeer van de pensioenregeling
aantal beroepsgenoten in loondienst binnen de werkingssfeer dat lid is van de beroepspensioenvereniging
----------------------------------------------------------------------------------------------------- x 100%
het totaal aantal beroepsgenoten in loondienst binnen de werkingssfeer van de
pensioenregeling
In lijn met de Wet Bpf 2000 en het Toetsingskader AVV worden bij het vaststellen of er sprake is van een belangrijke meerderheid de volgende uitgangspunten gehanteerd:
In lijn met de Wet Bpf 2000 en het Toetsingskader AVV worden bij het vaststellen of er sprake is van een belangrijke meerderheid de volgende uitgangspunten gehanteerd:
De beoordeling van de tweede en derde categorie is maatwerk en hangt af van de omstandigheden in het betreffende geval.
Bij de opgave van de representativiteit dienen de aantallen te worden vermeld van:
Bij de opgave van de representativiteit dienen de aantallen te worden vermeld van:
De opgegeven aantallen dienen van recente datum te zijn. De gegevens zouden op het moment van inzending in beginsel niet ouder dan één jaar mogen zijn.
Bij een aanvraag in het kader van de verplichtstelling zal, net als bij de verplichtstelling op grond van de Wet Bpf 2000, een nadere toelichting gegeven moeten worden op de manier waarop de representativiteitsgegevens zijn verzameld.
De toelichting bevat in ieder geval:
De Minister van SZW kan naar aanleiding van de opgave van de representativiteit verlangen dat een assurancerapport van een registeraccountant of accountant-administratieconsulent, die daartoe is gecertificeerd, over de juistheid van de opgave wordt overgelegd.
Deze eisen aan de opgave van representativiteitsgegevens zijn ook vastgelegd in de Regeling verplichtstelling beroepspensioenregeling.
Zienswijzen tegen en onduidelijkheid over de representativiteit zullen worden voorgelegd aan de SER.
Zienswijzen tegen en onduidelijkheid over de representativiteit zullen worden voorgelegd aan de SER.
b. de periodieke representativiteitstoets
Evenals de Wet Bpf 2000 kent ook de Wvb een periodieke representativiteitstoets.
Ten minste één maal per vijf jaar zal worden beoordeeld of voor de verplichtstelling nog voldoende draagvlak bestaat. Op deze manier wordt veilig gesteld dat de basis voor een verplichtstelling - een belangrijke meerderheid van de beroepsgenoten ondersteunt deze - gewaarborgd wordt.
Eisen aan de representativiteitsgegevens
De periodieke toets kent geen procedure op grond waarvan derden zienswijzen kunnen indienen.
De Minister van SZW zal ten minste 8 weken voor het verstrijken van de vijfjaarstermijn aan de beroepspensioenvereniging verzoeken op juiste en volledige wijze binnen 8 weken aan te tonen dat zij nog steeds een voldoende representativiteit heeft.
Uit de Wvb blijkt dat de termijn van 8 weken voor het aantonen van de representativiteit niet vrijblijvend is. Het niet voldoen aan de termijn leidt immers tot mededeling in de Staatscourant en tot een herhalingstoets.
In het verzoek van de Minister van SZW wordt aangegeven op welke wijze de representativiteit moet worden aangetoond. Als hulpmiddel zal daartoe een checklist worden meegestuurd waarin een opsomming wordt gegeven van de eisen die aan de gegevens gesteld worden (zie hiervoor: eisen aan gegevens met betrekking tot de representativiteit in paragraaf 3a).
De opgave van de representativiteitsgegevens en de hiervoor gehanteerde onderzoeksmethodiek kan worden ingediend aan de hand van het formulier representativiteitsgegevens, bedoeld in de artikelen 1, 3 en 5 van de Regeling verplichtstelling beroepspensioenregeling.
Belangrijke meerderheid in de periodieke representativiteitstoets
Rol Sociaal Economische Raad
Zienswijzen tegen en onduidelijkheid over de representativiteit zullen worden voorgelegd aan de SER.
b. de periodieke representativiteitstoets
Indien geen wijziging van de verplichtstelling plaatsvindt, zal vijf jaar na de vorige periodieke toets of in het geval van een noodzakelijke herhalingstoets, vijf jaar na afronding van die herhalingstoets, de representativiteit opnieuw worden getoetst.
In het geval dat bij een aanvraag tot wijziging van de verplichtstelling is gebleken dat de representativiteit onvoldoende is, zal de wijziging van de verplichtstelling niet plaatsvinden en begint de periode van vijf jaar niet opnieuw te lopen. Na de oorspronkelijke vijf jaar zal de periodieke toets van de representativiteit plaatsvinden en bij onvoldoende meerderheid ook na de herhalingstoets twee jaar later, zal intrekking van de verplichtstelling volgen.
In het geval dat bij een aanvraag tot wijziging van de verplichtstelling is gebleken dat de representativiteit onvoldoende is, zal de wijziging van de verplichtstelling niet plaatsvinden en begint de periode van vijf jaar niet opnieuw te lopen. Na de oorspronkelijke vijf jaar zal de periodieke toets van de representativiteit plaatsvinden en bij onvoldoende meerderheid ook na de herhalingstoets twee jaar later, zal intrekking van de verplichtstelling volgen.
Indien de beroepspensioenvereniging binnen 8 weken na het verzoek aantoont te voldoen aan de vereiste representativiteit, dan stelt de Minister van SZW betrokkenen hiervan op de hoogte.
Indien de beroepspensioenvereniging binnen 8 weken na het verzoek niet aantoont te voldoen aan de vereiste representativiteit, dan doet de Minister van SZW in de Staatscourant de mededeling dat niet is aangetoond dat voldaan wordt aan het vereiste van een belangrijke meerderheid. Ook worden betrokkenen hiervan op de hoogte gesteld.
Indien de beroepspensioenvereniging binnen 8 weken na het verzoek niet aantoont te voldoen aan de vereiste representativiteit, dan doet de Minister van SZW in de Staatscourant de mededeling dat niet is aangetoond dat voldaan wordt aan het vereiste van een belangrijke meerderheid. Ook worden betrokkenen hiervan per brief op de hoogte gesteld.
8 weken voor het verstrijken van de twee jaar na deze melding in de Staatscourant, zal aan de betrokken beroepspensioenvereniging opnieuw worden gevraagd aan te tonen dat zij voldoet aan het representativiteitsvereiste.
Wanneer in de periode tussen de vijfjaarstoets en de herhalingstoets echter is aangetoond dat er wel voldaan wordt aan het vereiste van een belangrijke meerderheid, begint vanaf dat moment een nieuwe vijfjaarstermijn te lopen en komt de herhalingstoets te vervallen. Het tussentijds aantonen van een voldoende representativiteit kan spontaan door de betrokken beroepspensioenvereniging gebeuren, maar ook in het kader van een wijziging van de verplichtstelling in de periode tussen de vijfjaarstoets en de herhalingstoets.
Betrokkenen zullen door de Minister van SZW worden geïnformeerd over het voldoen aan het aantonen van de belangrijke meerderheid.
Belangrijke meerderheid in het geval van een herhalingstoets van de representativiteit
Indien het representativiteitpercentage minder dan 60% bedraagt, moet ook in het geval van de vijfjaarstoets verplicht gebruik worden gemaakt van het formulier representativiteitsgegevens. De Minister van SZW kan naar aanleiding van de opgave van de representativiteit verlangen dat een nadere rapportage, van een registeraccountant of accountant-administratieconsulent die daartoe gecertificeerd is, over de juistheid van de opgave wordt overgelegd.
Overleg met DNB
De Minister van SZW kan bij de intrekking voorschriften geven ter bescherming van de belangen van de deelnemers en gewezen deelnemers.
De Minister van SZW kan bij de intrekking voorschriften geven ter bescherming van de belangen van de deelnemers en gewezen deelnemers.
Onduidelijkheid over de representativiteit zal worden voorgelegd aan de SER.
Onduidelijkheid over de representativiteit zal worden voorgelegd aan de SER.
Termijnen
In de Regeling verplichtstelling beroepspensioenregeling is een aantal termijnen opgenomen waarbinnen de beroepspensioenvereniging, DNB en de Minister van SZW zullen handelen. Zo wordt voorkomen dat procedures soms onevenredig lang duren, vooral doordat ze lange tijd stilliggen wegens het uitblijven van een reactie. Gedurende die periode bestaat er onzekerheid voor alle betrokkenen bij de verplichtstelling. Met het opnemen van de termijnen in genoemde ministeriële regeling wordt dit voorkomen.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.