Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 8 december 2012, nr. WJZ/353186 (10126), houdende verlaagde bezoldigingmaxima voor topfunctionarissen in het onderwijs en ter invoering van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen in de publieke en semipublieke sector (Regeling bezoldiging topfunctionarissen OCW-sectoren)
Gehoord de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en mede namens de Minister van Economische Zaken;
Gelet op de artikelen 2.6, eerste lid, 4.1, derde lid, 4.2, zevende lid, 5.1, eerste lid, en 5.2, eerste en tweede lid, van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector; de artikelen 5:14 en 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht; artikel 3, tweede lid, onder g, van de Wet op het onderwijstoezicht; de artikelen 2 en 4 van de Experimentenwet onderwijs en artikel 6.4, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008;
Besluit:
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
- besluit: Uitvoeringsbesluit WNT;
- bezoldiging: de bezoldiging in de zin van artikel 1.1, onderdeel e, van de wet;
- minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
- rechtspersonen of instellingen in het onderwijs: rechtspersonen of instellingen in het onderwijs, genoemd onder de nummers 1 tot en met 8 en 12 tot en met 16, genoemd in bijlage 1 bij de wet onder het opschrift ‘Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap’;
- topfunctionarissen in het beroepsonderwijs en educatie: de topfunctionarissen van de instellingen onder nummer 13, genoemd in bijlage 1 bij de wet onder het opschrift ‘Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap’;
- topfunctionarissen in het primair onderwijs: de topfunctionarissen van de instellingen onder de nummers 1 en 4, genoemd in bijlage 1 bij de wet onder het opschrift ‘Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap’;
- topfunctionarissen in het voortgezet onderwijs: de topfunctionarissen van de instellingen onder nummer 6, genoemd in bijlage 1 bij de wet onder het opschrift ‘Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap’;
- topfunctionarissen in het wetenschappelijk onderwijs: de topfunctionarissen van de instellingen onder nummer 16, genoemd in bijlage 1 bij de wet onder het opschrift ‘Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap’ met uitzondering van de instellingen, genoemd in de onderdelen c en g van de bijlage bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
- topfunctionarissen van de cultuurfondsen: de topfunctionarissen van een rechtspersoon, bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, onder a, van de wet, voor zover het betreft een fonds als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op het specifiek cultuurbeleid;
- topfunctionarissen van hogescholen: de topfunctionarissen van de instellingen onder nummer 16, genoemd in bijlage 1 bij de wet onder het opschrift ‘Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap’ met uitzondering van de instellingen, genoemd in de onderdelen a, b, h en i van de bijlage bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
- topfunctionarissen van media-instellingen: de topfunctionarissen van de instellingen onder nummer 17, genoemd in bijlage 1 bij de wet onder het opschrift ‘Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap’;
Paragraaf 2. Functionarissen in het onderwijs
Artikel 2. Toepassingsbereik
De artikelen 3 tot en met 3c zijn uitsluitend van toepassing op:
- a. de topfunctionarissen in het primair onderwijs;
- b. de topfunctionarissen in het voortgezet onderwijs;
- c. de topfunctionarissen in het beroepsonderwijs en educatie;
- d. de topfunctionarissen van hogescholen; en
- e. de topfunctionarissen in het wetenschappelijk onderwijs.
Artikel 3. Bezoldigingsmaximum per klasse voor topfunctionarissen van onderwijsinstellingen
In afwijking van artikel 2.3, eerste lid, van de wet komen partijen geen bezoldiging overeen die per kalenderjaar meer bedraagt dan het van toepassing zijnde bezoldigingsmaximum voor dat jaar.
Voor een rechtspersoon of instelling geldt het bezoldigingsmaximum behorende bij het aantal complexiteitspunten dat op basis van de criteria, genoemd in de bijlage bij deze regeling, is berekend.
Voor universiteiten, zoals bedoeld in de bijlage behorende bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, onder a, b, h en i, geldt het aantal complexiteitspunten van 9 als minimumaantal.
Per klasse geldt het volgende bezoldigingsmaximum:
| Klasse | Bezoldigingsmaximum |
|---|---|
| A (4 complexiteitspunten) | € 156.000 |
| B (5 – 6 complexiteitspunten) | € 175.000 |
| C (7 – 8 complexiteitspunten) | € 187.000 |
| D (9 – 12 complexiteitspunten) | € 204.000 |
| E (13 – 15 complexiteitspunten) | € 222.000 |
| F (16 – 17 complexiteitspunten) | € 238.000 |
| G (18 – 20 complexiteitspunten) | Het bedrag, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de wet. |
Artikel 4. Elektronische verzending bezoldigingsgegevens
Vervallen
Artikel 5. Elektronische melding accountant
Vervallen
Paragraaf 2a. Topfunctionarissen van de cultuurfondsen
Artikel 6. Toezicht en handhaving door de Inspectie van het onderwijs
De inspecteur-generaal van het onderwijs en de ambtenaren van de Inspectie van het onderwijs die zijn belast met de uitoefening van de taken, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht, zijn belast met het toezicht op de naleving van de wet, het besluit en deze regeling, ten aanzien van de rechtspersonen en instellingen, genoemd onder de nummers 1 tot en met 8, 13, 14 en 16, in bijlage 1 bij de wet onder het opschrift ‘Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap’.
De inspecteur-generaal van het onderwijs is gemandateerd om ten aanzien van de rechtspersonen waarop hij toezicht houdt, de bevoegdheden aan te wenden, bedoeld in de artikelen 5.4, eerste lid, 5.5, eerste tot en met vierde lid, en 5.6, eerste en derde lid, van de wet.
De inspecteur-generaal van het onderwijs kan ten aanzien van de aan hem toekomende bevoegdheden, bedoeld in het tweede lid, ondermandaat verlenen.
De inspecteur-generaal van het onderwijs is bevoegd te beslissen op een bezwaarschrift dat is ingediend tegen een in ondermandaat genomen besluit ter aanwending van de bevoegdheden, bedoeld in het tweede lid.
Artikel 7. Toezicht en handhaving door het Commissariaat voor de Media
De leden van het Commissariaat voor de Media en de bij besluit van het Commissariaat aangewezen medewerkers van het Commissariaat, bedoeld in artikel 7.11, tweede lid, van de Mediawet 2008 zijn belast met het toezicht op de naleving van de wet, het besluit en deze regeling ten aanzien van de instellingen, genoemd onder de nummers 17 en 18, in bijlage 1 bij de wet onder het opschrift ‘Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap’.
De leden van het Commissariaat voor de Media zijn gemandateerd om ten aanzien van de rechtspersonen waarop het op grond van het eerste lid toezicht houdt, de bevoegdheden aan te wenden, bedoeld in de artikelen 5.4, eerste lid, 5.5, eerste tot en met vierde lid, en 5.6, eerste en derde lid, van de wet.
Paragraaf 2a. Topfunctionarissen van de cultuurfondsen
Artikel 8. Intrekking uitgewerkte beschikking
Vervallen
Artikel 9. Wijziging in verband met het vervallen van delegatiegrondslag
Vervallen
Artikel 10. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 december 2013, treedt deze regeling in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt zij terug tot en met 1 januari 2013.
Artikel 11. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling normering topinkomens OCW-sectoren.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 5a. Toepassingsbereik
Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op de topfunctionarissen van de cultuurfondsen.
Artikel 5b. Verlaagde bezoldigingsmaxima topfunctionarissen van de cultuurfondsen
In afwijking van artikel 2.3, eerste lid, van de wet komen partijen voor de topfunctionarissen van de cultuurfondsen geen bezoldiging overeen die per kalenderjaar meer bedraagt dan € 218.000 voor zover het betreft:
- a. het Fonds Podiumkunsten;
- b. het Fonds voor Cultuurparticipatie;
- c. het Mondriaan Fonds;
- d. het Nederlands Filmfonds;
- e. het Nederlands Letterenfonds; en
- f. het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie.
Paragraaf 3. Toezicht en handhaving
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 7a. Begripsbepaling toezicht overige OCW-sectoren
In de artikelen 7b tot en met 7k wordt onder instellingen verstaan: rechtspersonen op wie de wet van toepassing is en die niet vallen onder het toezicht van de Inspectie van het onderwijs, bedoeld in artikel 6, eerste lid, of het Commissariaat voor de Media, bedoeld in artikel 7, eerste lid, en voor zover de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de minister is wie het aangaat.
Artikel 7b. Sector primair onderwijs voor zover geen onderwijsinstelling
Voor instellingen in de sector primair onderwijs, alsmede de sector jeugd, onderwijs en zorg, worden de volgende personen, werkzaam binnen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, belast met het toezicht op de naleving van de wet, het besluit en de regeling:
- a. de directeur en plaatsvervangend directeur van de directie onderwijspersoneel en primair onderwijs;
- b. de ambtenaren, werkzaam bij de afdeling financiën en verantwoording van de directie onderwijspersoneel en primair onderwijs.
Artikel 7c. Sector voortgezet onderwijs voor zover geen onderwijsinstelling
Voor instellingen in de sector voortgezet onderwijs worden de volgende personen, werkzaam binnen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, belast met het toezicht op de naleving van de wet, het besluit en de regeling:
- a. de directeur en plaatsvervangend directeur van de directie onderwijsprestaties en voortgezet onderwijs;
- b. de ambtenaren, werkzaam bij de afdeling financiën en verantwoording van de directie onderwijsprestaties en voortgezet onderwijs.
Artikel 7d. Sector middelbaar beroepsonderwijs voor zover geen onderwijsinstelling
Voor instellingen in de sector middelbaar beroepsonderwijs worden de volgende personen, werkzaam binnen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, belast met het toezicht op de naleving van de wet, het besluit en de regeling:
- a. de directeur en plaatsvervangend directeur van de directie middelbaar beroepsonderwijs;
- b. de ambtenaren belast met subsidiecoördinatie, werkzaam bij de directie middelbaar beroepsonderwijs.
Artikel 7e. Sector hoger onderwijs en studiefinanciering voor zover geen onderwijsinstelling
Voor instellingen in de sector hoger onderwijs en studiefinanciering worden de volgende personen, werkzaam binnen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, belast met het toezicht op de naleving van de wet, het besluit en de regeling:
- a. de directeur en plaatsvervangend directeur van de directie hoger onderwijs en studiefinanciering;
- b. de ambtenaren, werkzaam bij de afdeling control, begroting en verantwoording van de directie hoger onderwijs en studiefinanciering.
Artikel 7f. Sector onderzoek en wetenschapsbeleid
Voor instellingen in de sector onderzoek en wetenschapsbeleid worden de volgende personen, werkzaam binnen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, belast met het toezicht op de naleving van de wet, het besluit en de regeling:
- a. de directeur en plaatsvervangend directeur van de directie onderzoek en wetenschapsbeleid;
- b. de ambtenaren belast met subsidiecoördinatie, werkzaam bij de directie onderzoek en wetenschapsbeleid.
Artikel 7g. Sector monumenten en archeologie
Voor instellingen in de sector monumenten en archeologie worden de volgende personen, werkzaam binnen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, belast met het toezicht op de naleving van de wet, het besluit en de regeling:
- a. de directeur en plaatsvervangend directeur van de rijksdienst voor het cultureel erfgoed;
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.