Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 5 december 2012, nr. IENM/BSK-2012/241275, houdende vaststelling beleidsregels voor de sturing van en het toezicht op de Dienst voor het kadaster en de openbare registers, bedoeld in artikel 2 van de Organisatiewet Kadaster (Beleidsregels sturing van en toezicht op de Dienst voor het kadaster en de openbare registers, bedoeld in artikel 2 van de Organisatiewet Kadaster)

Type Beleidsregel
Publication 2013-01-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen;

Besluit:

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

In deze regels wordt verstaan onder:

§ 2. Bestuur van de Dienst

Artikel 2. Goedkeuring bestuursreglement

Bij de goedkeuring van het bestuursreglement op grond van artikel 11 Kaderwet juncto artikel 9 van de wet bekijkt de minister in ieder geval of ten aanzien van de hierna volgende onderwerpen bepalingen zijn opgenomen:

Artikel 3. Procedure benoeming nieuwe leden bestuur
1.

Bij de benoeming van een nieuw lid van het bestuur worden de volgende processtappen gevolgd:

2.

Indien de minister besluit tot afwijzing van de kandidaat, wordt de procedure herhaald.

Artikel 4. Procedure herbenoeming leden bestuur
1.

Bij de herbenoeming van een lid van het bestuur worden de volgende processtappen gevolgd:

2.

Indien uit het in het eerste lid, onderdeel a, genoemde overleg blijkt dat er bij de betrokkenen onvoldoende draagvlak bestaat voor de herbenoeming, of de minister besluit tot afwijzing, wordt de procedure van artikel 3 gevolgd.

Artikel 5. Schorsing en ontslag van het bestuur

Voorafgaand aan schorsing of ontslag van de leden van het bestuur informeert de minister de raad van toezicht over zijn voornemen.

Artikel 6. Bezoldiging bestuur

Ten behoeve van het vaststellen van de bezoldiging van het bestuur conform artikel 14, tweede lid, van de Kaderwet, verzoekt de minister de raad van toezicht om een voorstel voor de bezoldiging van het bestuur op te stellen, rekening houdend met de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector. De raad van toezicht kan binnen een door de minister vastgestelde marge jaarlijks een variabele component toekennen aan de directie, afhankelijk van de prestaties en de realisatie van vooraf tussen de raad van toezicht en het bestuur overeengekomen doelen. Die marge blijft binnen de grenzen die de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector stelt.

§ 3. Raad van toezicht van de Dienst

Artikel 7. Reglement van de raad van toezicht

Bij de goedkeuring van het reglement van de raad van toezicht op grond van artikel 14, tweede lid, van de wet bekijkt de minister in ieder geval of ten aanzien van de hierna volgende onderwerpen bepalingen zijn opgenomen:

Artikel 8. Benoeming nieuwe leden raad van toezicht
1.

Bij de benoeming van een nieuw lid van de raad van toezicht worden de volgende processtappen gevolgd:

2.

Indien de minister besluit tot afwijzing van de kandidaat, wordt de procedure herhaald.

Artikel 9. Procedure herbenoeming leden raad van toezicht
1.

Bij de herbenoeming van een lid van de raad van toezicht worden de volgende processtappen gevolgd:

3.

Indien uit het in het eerste lid, onderdeel a, genoemde overleg blijkt dat er bij de betrokkenen onvoldoende draagvlak bestaat voor de herbenoeming, of de minister besluit tot afwijzing, wordt de procedure van artikel 8 gevolgd.

§ 4. Financieel toezicht

Artikel 10. Tarieven voor taken of strategische eenheden op grond van artikel 3 van de Kadasterwet
1.

De kostprijzen die ten grondslag liggen aan de tarieven voor taken conform artikel 3 van de Kadasterwet, alsmede aan de tarieven voor andere op basis van een wet opgedragen taken, worden op basis van bedrijfseconomisch aanvaardbare verdeelsleutels bepaald.

2.

De in het eerste lid bedoelde tarieven kunnen bestaan uit de volgende componenten:

Artikel 11. Tarieven voor andere opgedragen taken, voor zover deze taken niet mede een andere basis hebben in of krachtens een wet
1.

Bij andere door de minister opgedragen taken, voor zover deze taken niet mede een andere basis hebben in of krachtens een wet geeft de minister bij het opdragen van die taken aan dat er tarieven voor die taken in rekening worden gebracht en aan welke eisen deze prijzen moeten voldoen.

2.

Indien voor deze tarieven een wettelijke basis noodzakelijk is, zorgt de minister hiervoor.

Artikel 12. Inhoud tarievenvoorstel
1.

De minister besteedt bij de beoordeling van het voorstel voor de tarieven en tariefwijzigingen in ieder geval aandacht aan de volgende aspecten:

2.

Om de minister in staat te stellen de beoordeling als genoemd in het eerste lid, uit te voeren, voegt de Dienst bij het in het eerste lid bedoelde voorstel een toelichting op de voorgestelde tarieven, waarbij per strategische eenheid tevens inzicht wordt geboden in de kostendekkendheid van het lopende jaar. Tevens geeft de Dienst inzicht in de opbrengsten per strategische eenheid.

3.

Om de minister in staat te stellen de rechtmatigheid van de tarieven als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, te beoordelen, vermeldt de Dienst bij het in het eerste lid bedoelde voorstel bij ieder tarief de wettelijke grondslag.

4.

De Dienst informeert de minister bij voorgestelde tariefwijzigingen en tarieven voor nieuwe taken of clusters van taken inzake de mogelijk aan het voorstel gekoppelde gevoeligheden.

Artikel 13. Begroting
1.

Ten behoeve van de goedkeuring van het besluit tot vaststelling van de begroting conform artikel 29 van de Kaderwet beoordeelt de minister de begroting zoals door de Dienst bij de minister neergelegd na instemming van de raad van toezicht en besteedt daarbij in ieder geval aandacht aan hetgeen in het tweede lid benoemd.

2.

De begroting bevat de navolgende elementen, waarbij ter vergelijking bij de onderdelen a, b en c tevens de gerealiseerde gegevens van het laatst afgesloten boekjaar, het lopende jaar, het komende begrotingsjaar en de vier volgende jaren worden vermeld:

3.

Om de minister in staat te stellen de begroting goed te beoordelen voegt de Dienst bij de begroting relevante informatie over het lopende jaar.

Artikel 14. Meerjarenbeleidsplan
1.

Ten behoeve van de goedkeuring van het besluit tot vaststelling van de begroting conform artikel 29 van de Kaderwet beoordeelt de minister de begroting, zoals dat door de dienst aan de minister is aangeboden na instemming van de raad van toezicht, en besteedt hij daarbij in ieder geval aandacht aan de onderdelen a tot en met f in het tweede lid.

3.

Indien de beoordeling door de minister daartoe aanleiding geeft, overlegt de minister met de Dienst en past de Dienst het meerjarenbeleidsplan aan.

§ 5. Taakuitoefening

Artikel 15. Risicoprofiel en kernprestatie-indicatoren
1.

De minister stelt een risicoprofiel op mede op basis van de risicoanalyse van de Dienst om risicogestuurd toezicht te kunnen houden. Het risicoprofiel wordt besproken met de Dienst.

2.

De minister zet kernprestatie-indicatoren in. De kernprestatie-indicatoren komen tot stand in afstemming tussen de Dienst en de minister mede op basis van het in het voorgaande lid genoemde risicoprofiel.

Artikel 16. Oordeelsvorming

De minister vormt zich een oordeel over de kwaliteit van de taakuitoefening van de Dienst. Daarbij baseert hij zich onder meer op:

§ 6. Opdracht tot en inkadering van taken en activiteiten

Artikel 17. Instemmingstoets minister

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.