Regeling Beroepservaringperiode

Type ZBO-regeling
Publication 2012-12-21
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op de artikelen 8, onderdeel a, en 12e, tweede lid, van de Wet op de architectentitel;

Gezien de goedkeuring van de Minister voor Wonen en Rijksdienst d.d. 5 december 2012, de Minister van Economische Zaken d.d. 10 december 2012 en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 5 december 2012;

Besluit:

Hoofdstuk I. Definities

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

Hoofdstuk II. Doel en inhoud van de beroepservaringperiode

Artikel 2
1.

De beroepservaringperiode moet er toe leiden dat de kandidaat aan het einde van deze periode beschikt over de kennis, het inzicht en de vaardigheden die staan beschreven in de eindtermen voor de disciplines architectuur, stedenbouw, tuin- en landschapsarchitectuur en interieurarchitectuur in de bijlage bij deze regeling.

2.

Om te bevorderen dat de kandidaat beschikt over de in het eerste lid genoemde kennis, inzicht en vaardigheden doorloopt hij een individueel traject, waarin hij gedurende twee jaar het beroep van architect uitoefent onder begeleiding van een mentor, alsmede gelijktijdig een aanvullend traject, waarin hij beroepservaringmodules volgt.

3.

De kandidaat doet in het individueel traject beroepsmatig ervaring op in een aantal te onderscheiden fases in het ontwerp- en realisatieproces, welke fases staan genoemd in de bijlage bij deze regeling.

Artikel 3
1.

De kandidaat die met goed gevolg een door het bureau architectenregister erkend geïntegreerd beroepservaringprogramma heeft doorlopen, wordt geacht te beschikken over de kennis, het inzicht en de vaardigheden die staan beschreven in de eindtermen voor de disciplines architectuur, stedenbouw, tuin- en landschapsarchitectuur en interieurarchitectuur in de bijlage bij deze regeling.

2.

De kandidaat die deelneemt aan een geïntegreerd beroepservaringprogramma voert het startgesprek, bedoeld in artikel 10 en de in de artikelen 12, tweede lid, en 24, tweede lid, bedoelde gesprekken bij de aanbieder van het programma en levert in dat kader bij die aanbieder, op de door die aanbieder te bepalen momenten, de bescheiden als bedoeld in de artikelen 8, 11 en 24 in.

Hoofdstuk III. Commissie beroepservaringperiode

Artikel 4
1.

Er is een commissie beroepservaringperiode voor elk van de disciplines architectuur, stedenbouw, tuin- en landschapsarchitectuur en interieurarchitectuur, die bestaat uit ten minste drie personen.

2.

Een commissie als bedoeld in het eerste lid heeft in elk geval tot taak het boordelen van persoonlijke ontwikkelingsplannen van kandidaten, het evalueren en beoordelen van de vorderingen van kandidaten en het adviseren van het bureau architectenregister omtrent de vraag of de kandidaat die niet een geïntegreerd beroepservaringprogramma doorloopt, de beroepservaringperiode met goed gevolg heeft doorlopen.

3.

De voorzitter en leden van een commissie als bedoeld in het eerste lid, worden benoemd en ontslagen door het bureau architectenregister. Het bureau architectenregister kan plaatsvervangend leden benoemen. Benoemingen geschieden gehoord de Rijksbouwmeester.

4.

Benoemingen gelden voor een periode van ten hoogste vier jaar en kunnen, na het verstrijken daarvan, één keer voor ten hoogste vier jaar worden verlengd.

5.

Een commissie als bedoeld in het eerste lid, bestaat in meerderheid uit personen die werkzaam zijn of zijn geweest op het gebied van de desbetreffende discipline.

Hoofdstuk IV. Begin van de beroepservaringperiode

Artikel 5
1.

De beroepservaringperiode vangt aan op de dag waarop de kandidaat begint met de uitoefening van het beroep van architect onder begeleiding van de mentor.

2.

De kandidaat is zelf verantwoordelijk voor het vinden van een mentor.

Artikel 6

De kandidaat werkt gedurende de beroepservaringperiode op het bureau waar de mentor werkzaam is of met een mentor die elders werkzaam is.

Artikel 7
1.

Ten minste vier weken vóór de beoogde aanvang van de beroepservaringperiode dienen de kandidaat en de beoogde mentor gezamenlijk bij het bureau architectenregister een aanmelding in.

2.

Op de in het eerste lid bedoelde aanmelding staan onder meer vermeld:

Artikel 8

Bij de in artikel 7 bedoelde aanmelding dient de kandidaat een door hem opgesteld persoonlijk ontwikkelingsplan in, waarin staat beschreven hoe hij zijn beroepservaringperiode zal inrichten om te bewerkstelligen dat hij aan het einde van de beroepservaringperiode beschikt over de kennis, het inzicht en de vaardigheden die staan beschreven in de eindtermen voor de disciplines architectuur, stedenbouw, tuin- en landschapsarchitectuur en interieurarchitectuur in de bijlage bij deze regeling.

Artikel 9
1.

De in artikel 7 bedoelde aanmelding wordt door het bureau architectenregister geweigerd indien de kandidaat minder dan 20 uur per week als architect werkzaam zal zijn.

2.

Indien de kandidaat minder dan 32 uur per week wil werken, verlengt het bureau architectenregister de beroepservaringperiode naar evenredigheid.

Artikel 10

Voor de aanvang van de beroepservaringperiode vindt een startgesprek plaats tussen de kandidaat en de commissie beroepservaringperiode waarin het in artikel 8 bedoelde persoonlijk ontwikkelingsplan van de kandidaat wordt besproken en, indien dit naar het oordeel van de commissie noodzakelijk is, wordt aangepast.

Hoofdstuk V. Verloop van de beroepservaringperiode

§ 1. Logboek en evaluaties

Artikel 11

De kandidaat houdt tijdens de beroepservaringperiode een logboek bij, waarin hij zijn ontwikkelingen van de kennis, het inzicht en de vaardigheden die staan beschreven in de eindtermen voor de disciplines architectuur, stedenbouw, tuin- en landschapsarchitectuur of interieurarchitectuur in de bijlage bij deze regeling, beschrijft.

Artikel 12
1.

De mentor brengt halverwege de beroepservaringperiode door middel van een door het bureau architectenregister verstrekt evaluatieformulier aan het bureau architectenregister schriftelijk verslag uit van het verloop van de beroepservaringperiode en de vorderingen van de kandidaat.

2.

Na indiening van het in het eerste lid bedoelde evaluatieformulier vindt een tussengesprek plaats tussen de kandidaat, de mentor en de commissie beroepservaringperiode, waarin mede aan de hand van het in artikel 11 bedoelde logboek de vorderingen van de kandidaat worden besproken.

3.

Indien het tussengesprek naar het oordeel van de commissie beroepservaringperiode daartoe aanleiding geeft, wordt het persoonlijk ontwikkelingsplan door de kandidaat aangepast overeenkomstig de aanwijzingen van de commissie.

§ 2. Tussentijds einde en opschorting

Artikel 13
1.

De beroepservaringperiode eindigt tussentijds:

indien niet binnen drie maanden na de opzegging, bedoeld onder a of b, of de beëindiging met wederzijds goedvinden de kandidaat met een andere mentor een aanmelding als bedoeld in artikel 7 indient.

2.

Een beëindiging van de samenwerking met een mentor wordt door de kandidaat en de mentor onverwijld schriftelijk doorgegeven aan het bureau architectenregister.

Artikel 14
1.

Het bureau architectenregister kan de beroepservaringperiode opschorten gedurende de tijd dat de kandidaat geen mentor heeft.

2.

Het bureau architectenregister schort de beroepservaringperiode op verzoek van de kandidaat op indien de kandidaat de beroepservaringperiode om hem moverende redenen tijdelijk wenst te staken.

§ 3. Verplichtingen mentor en kandidaat

Artikel 15
1.

De mentor staat de kandidaat gedurende de gehele beroepservaringperiode bij met voorlichting en raad met betrekking tot de beroepsuitoefening in de breedste zin van het woord.

2.

De mentor ziet erop toe en bevordert dat de kandidaat zich dusdanig ontwikkelt dat deze aan het einde van de beroepservaringperiode beschikt over de kennis, het inzicht en de vaardigheden, bedoeld in artikel 2, eerste lid.

3.

De mentor zorgt dat de kandidaat, voor zover die bij hem in loondienst is, gedurende de normale werktijden kan deelnemen aan beroepservaringmodules en voorziet de kandidaat van passend werk.

4.

De mentor dient tijdig en zorgvuldig de door hem in te vullen evaluaties van de kandidaat in bij het bureau architectenregister.

Artikel 16
1.

De kandidaat dient zich gedurende de beroepservaringperiode zodanig te ontwikkelen dat hij aan het einde van de beroepservaringperiode beschikt over de kennis, het inzicht en de vaardigheden, bedoeld in artikel 2, eerste lid.

2.

De kandidaat volgt tijdens de beroepservaringperiode het door hem opgestelde persoonlijk ontwikkelingsplan, bedoeld in artikel 8.

3.

De kandidaat stelt de mentor in staat te voldoen aan zijn verplichting om de kandidaat te begeleiden.

4.

De kandidaat stelt de commissie beroepservaringperiode in staat te evalueren op de daartoe bestemde tijdstippen.

§ 4. Geschillen tussen mentor en kandidaat

Artikel 17

Het bureau architectenregister, althans een door hem aan te wijzen persoon of in te stellen geschillencommissie, bemiddelt of adviseert op verzoek daartoe van de meest gerede partij in geschillen tussen de mentor en de kandidaat.

§ 5. Aanvullend traject

Artikel 18
1.

De kandidaat volgt, naast het in artikel 2, tweede lid, genoemde individueel traject, een aanvullend traject met beroepservaringmodules, voor zover hij daarvan geen vrijstelling als bedoeld in artikel 21 heeft verkregen.

2.

Tijdens het in artikel 10 bedoelde startgesprek en, indien dit naar het oordeel van de commissie beroepservaringperiode noodzakelijk is, tijdens het tussengesprek, bedoeld in artikel 12, tweede lid, wordt vastgesteld welke beroepservaringmodules de kandidaat tijdens de beroepservaringperiode doorloopt.

3.

De beroepservaringmodules worden gevolgd bij een door het bureau architectenregister overeenkomstig artikel 28 als zodanig erkende aanbieder van beroepservaringmodules.

4.

De kandidaat dient zich op de door de aanbieder van beroepservaringmodules voorgeschreven wijze op de modules voor te bereiden.

5.

De kandidaat is vrij in de keuze van de volgorde waarin hij de beroepservaringmodules doorloopt, doch dient zich ervan te vergewissen dat deze zoveel mogelijk aansluit bij zijn ontwikkelingen in het individueel traject.

Artikel 19

De kandidaat dient de door hem te volgen beroepservaringmodules te hebben afgerond vóór het in artikel 24, tweede lid, bedoelde eindgesprek.

Artikel 20

Certificaten van deelname aan beroepservaringmodules zijn tot zes jaar na afgifte geldig.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.