Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 12 december 2012, nr. BVE/431518, inzake het vaststellen van de eindtermen voor de opleidingen Nederlands als tweede taal en de opleidingen Nederlandse taal en rekenen (Regeling eindtermen educatie 2013)
Gelet op artikel 7.3.3, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
Besluit:
Artikel 1. Algemene bepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
- a. Minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
- b. Wet: Wet educatie en beroepsonderwijs.
Artikel 2. Eindtermen
De eindtermen voor de opleidingen Nederlandse taal en rekenen, gericht op alfabetisering en op het ingangsniveau van het beroepsonderwijs, als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onder b, van de Wet worden als volgt vastgesteld:
- a. de eindtermen voor de opleiding Nederlandse taal gericht op alfabetisering, zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling;
- b. de eindtermen voor de opleiding Nederlandse taal gericht op het ingangsniveau beroepsonderwijs, zoals opgenomen in bijlage 2 bij deze regeling;
- c. de eindtermen voor de opleiding Rekenen gericht op alfabetisering, zoals opgenomen in bijlage 3 bij deze regeling;
- d. de eindtermen voor de opleiding Rekenen gerichte op het ingangsniveau beroepsonderwijs, zoals opgenomen in bijlage 4 bij deze regeling.
De eindtermen voor de opleidingen Nederlands als tweede taal I en II, die opleiden voor het diploma Nederlands als tweede taal, bedoeld in het Staatsexamenbesluit Nederlands als tweede taal, als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onder c, van de Wet worden vastgesteld zoals opgenomen in bijlage 5 bij deze regeling.
De eindtermen voor de opleiding Nederlands als tweede taal, gericht op beheersing van een basisniveau Nederlandse taal, bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onder d, van de Wet worden vastgesteld zoals opgenomen in bijlage 6 bij deze regeling.
De eindtermen voor de opleiding Nederlands als tweede taal, gericht op alfabetisering, als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onder e, van de Wet worden vastgesteld zoals opgenomen in bijlage 7 bij deze regeling.
De eindtermen voor de opleiding digitale vaardigheden, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Regeling aanwijzing opleidingen educatie, worden vastgesteld zoals opgenomen in bijlage 8 bij deze regeling.
De eindtermen voor de taalschakeltrajecten, bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Regeling aanwijzing opleidingen educatie, worden vastgesteld zoals opgenomen in bijlage 9 bij deze regeling.
Artikel 3. Intrekken regeling
De volgende regelingen worden ingetrokken:
-
- Regeling Eindtermen NT2, I en II;
-
- Regeling Eindtermen Breed Maatschappelijk functioneren en Sociale redzaamheid.
Artikel 4. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt met uitzondering van artikel 2, eerste, derde en vierde lid, in werking met ingang van 1 januari 2013.
Artikel 2, eerste, derde en vierde lid, treedt in werking met ingang van 1 augustus 2013.
Artikel 5. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling eindtermen educatie 2013.
Bijlagen
Bijlage 1
Bijlage 2
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Bijlage 2
Bijlage 4
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Bijlage 3
Eindtermen opleiding Rekenen, gericht op alfabetisering
Raamwerk NT2
Vaardigheid: Luisteren
Niveau: B1
Voorbeelden bij de descriptoren bij luisteren B1:
Voor alle voorbeelden op B1 geldt dat zij over onderwerpen handelen die vertrouwd zijn omdat zij behoren tot het interesse- of het vakgebied van de luisteraar. Sprekers dienen duidelijk te spreken in standaardtaal. Opnamen (radio, televisie, omgeroepen berichten) dienen bovendien nog langzaam te worden uitgesproken.
Vaardigheid: Luisteren
Niveau: B1
Voorbeelden bij de descriptoren bij luisteren B1:
Voor alle voorbeelden op B1 geldt dat zij over onderwerpen handelen die vertrouwd zijn omdat zij behoren tot het interesse- of het vakgebied van de luisteraar. Sprekers dienen duidelijk te spreken in standaardtaal. Opnamen (radio, televisie, omgeroepen berichten) dienen bovendien nog langzaam te worden uitgesproken.
Vaardigheid: Luisteren
Niveau: B2
Voorbeelden bij de descriptoren bij luisteren B2:
Voor alle voorbeelden op B2 geldt dat zij over onderwerpen handelen die gebruikelijk zijn in het normale dagelijkse taalverkeer of waarmee de luisteraar persoonlijk vertrouwd is. Bovendien dienen sprekers in normaal tempo en standaardtaal te spreken.
Vaardigheid: Luisteren
Niveau: C1
Voorbeelden bij de descriptoren bij luisteren C1:
Bij de voorbeelden op C1 gelden geen noemenswaardige beperkingen ten aanzien van het onderwerp, de tekstkenmerken of de mate van begrip.
Vaardigheid: Lezen
Niveau: B1
Voorbeelden bij de descriptoren bij lezen B1:
Voor alle voorbeelden op B1 geldt dat zij op ondubbelzinnige wijze feitelijke zaken behandelen die behoren tot het interessegebied van de lezer.
Vaardigheid: Lezen
Niveau: B2
Voorbeelden bij de descriptoren bij lezen B2:
Voor de voorbeelden op B2 geldt dat zij – tenzij anders vermeld – handelen over onderwerpen die behoren tot het eigen vakgebied of de eigen ervaringswereld van de lezer.
Vaardigheid: Lezen
Niveau: C1
Voorbeelden bij de descriptoren bij lezen C1:
Bij de voorbeelden op C1 gelden geen noemenswaardige beperkingen ten aanzien van het onderwerp, de tekstkenmerken of de mate van begrip.
Vaardigheid: Gesprekken voeren
Niveau: B1
Voorbeelden bij de descriptoren bij gesprekken B1:
Voor alle voorbeelden op B1 geldt dat gesprekken handelen over alledaagse en/of vertrouwde onderwerpen, dat niet al te specifiek op details en nuances wordt ingegaan en dat duidelijk wordt gesproken in standaardtaal.
Vaardigheid: Gesprekken voeren
Niveau: B2
Voorbeelden bij de descriptoren bij gesprekken B2:
Voor alle voorbeelden op B2 geldt dat bij alle gespreksdeelnemers misverstanden door onjuist of gebrekkig taalgebruik kunnen voorkomen. Deze worden echter meestal ter plekke door de deelnemers opgevangen en hersteld.
Vaardigheid: Gesprekken voeren
Niveau: C1
Voorbeelden bij de descriptoren bij gesprekken C1:
Bij de voorbeelden op C1 gelden geen noemenswaardige beperkingen ten aanzien van onderwerpkeuze of kwaliteit van uitvoering.
Vaardigheid: Spreken
Niveau: B1
Voorbeelden bij de descriptoren bij spreken B1:
Voor alle voorbeelden op B1 geldt dat de onderwerpen betrekking hebben op het interessegebied van de spreker of op alledaagse zaken en in chronologische c.q. lineaire volgorde worden behandeld. Het taalgebruik is toereikend en redelijk correct. Haperingen, pauzes en afwijkend accent vormen over het algemeen geen belemmering voor het begrip bij de toehoorders.
Vaardigheid: Spreken
Niveau: B2
Voorbeelden bij de descriptoren bij Spreken B2:
Voor alle voorbeelden op B2 geldt dat onderwerpen betrekking hebben op het interessegebied van de spreker of op alledaagse zaken. Haperingen en incorrect taalgebruik komen zelden voor en zijn over het algemeen niet storend. Soms zijn de verbanden tussen tekstgedeelten niet direct duidelijk aangegeven.
Vaardigheid: Spreken
Niveau: C1
Voorbeelden bij de descriptoren bij Spreken C1:
Bij de voorbeelden op C1 gelden geen noemenswaardige beperkingen ten aanzien van onderwerpkeuze of kwaliteit van uitvoering.
Vaardigheid: Schrijven
Niveau: B1
Voorbeelden bij de descriptoren bij schrijven B1:
Voor alle voorbeelden op B1 geldt dat vertrouwde of alledaagse zaken redelijk correct worden weergegeven waarbij spelling over het algemeen geen hinderpaal vormt voor het begrip van de lezer.
Vaardigheid: Schrijven
Niveau: B2
Voorbeelden bij de descriptoren bij schrijven B2:
Voor alle voorbeelden op B2 geldt dat de zaken die behoren tot de interessesfeer of de leefwereld van de schrijver redelijk correct zijn weergeven in een spelling die mogelijk een enkele maal invloed van de moedertaal van de schrijver vertoont. Bij lange teksten zijn verbanden tussen tekstgedeelten soms niet geheel duidelijk.
Vaardigheid: Schrijven
Niveau: C1
Voorbeelden bij de descriptoren bij schrijven C1:
Voor de voorbeelden op C1 gelden geen beperkingen ten aanzien van onderwerpkeuze noch – behoudens een enkele uitzondering – ten aanzien van de kwaliteit van het taalgebruik. Spellingfouten kunnen meestal gezien worden als 'typefouten' of slordigheden, zijn niet aantoonbaar veroorzaakt door interferentie met de moedertaal van de schrijver.
Teksten verwerken
Vaardigheid: Lezen en schrijven
Niveau: B1
Voorbeelden teksten verwerken B1
Werk
Kan op basis van via de e-mail verkregen informatie een afspraak met meerdere collega’s maken.
Kan een eenvoudige samenvatting maken voor collega’s van korte krantenberichten en berichten uit tijdschriften.
Kan een afspraak uit de notulen met eigen woorden schriftelijk doorgeven aan een collega.
Opleiding
Kan voor mededeelnemers een eenvoudige samenvatting maken van informatie uit lesboeken.
Kan een eenvoudige samenvatting in eigen woorden maken van een korte tekst.
Dagelijks leven
Kan voor de sportclub op basis van opgave door de ouders een rooster samenstellen voor het rijden naar uitwedstrijden.
Kan voor een vergadering van de bewonersvereniging een korte samenvatting maken van krantenberichten over de aanleg van een nieuwe speeltuin.
Etc.
Teksten verwerken
Vaardigheid: Lezen en schrijven
Niveau: B2
Voorbeelden teksten verwerken B2
Werk
Kan een samenvatting maken, inclusief commentaar en discussiepunten, van teksten op het eigen vakgebied.
Opleiding
Kan een samenvatting maken van gelezen proza, inclusief commentaar en discussiepunten.
Dagelijks leven
Kan een samenvatting maken van een rapport van de gemeente over de sanering van een park, inclusief commentaar en discussiepunten.
Etc.
Teksten verwerken
Vaardigheid: Lezen en schrijven
Niveau: C1
Voorbeelden teksten verwerken C1
Werk
Kan artikelen uit vaktijdschriften samenvatten.
Kan beleidsstukken samenvatten.
Opleiding
Kan artikelen uit vaktijdschriften samenvatten.
Kan samenvattingen maken van studieboeken.
Dagelijks leven
Kan beleidsstukken samenvatten voor een vereniging.
Kan ten behoeve van de leesclub een roman samenvatten.
Etc.
Aantekeningen maken
Vaardigheid: luisteren en schrijven
Niveau B1
Voorbeelden aantekeningen maken B1
Werk
Kan tijdens een bijeenkomst over een nieuwe inrichting van de werkplek de belangrijkste punten noteren.
Kan tijdens een voorlichting van de OR over de verkiezingen van nieuwe OR-leden de belangrijkste punten noteren.
Opleiding
Kan tijdens een voorlichting over een excursie de belangrijkste punten noteren.
Kan tijdens een bijeenkomst van de medezeggenschapsraad over verkiezingen de belangrijkste punten noteren.
Dagelijks leven
Kan tijdens een bijeenkomst van de bewonersvereniging over schoonmaak van de portieken de belangrijkste punten noteren.
Kan tijdens een voorlichting over verkeersdrempels in de straat de belangrijkste punten noteren.
Etc.
Aantekeningen maken
Vaardigheid : luisteren en schrijven
Niveau B2
Voorbeelden aantekeningen maken B2
Werk
Kan tijdens een lezing over een onderwerp op zijn/haar vakgebied notities maken.
Kan tijdens lezing van een collega over een nieuwe werkwijze notities maken.
Opleiding
Kan tijdens een werkcollege notities maken.
Kan tijdens een toespraak van de directeur de belangrijkste punten opschrijven.
Dagelijks leven
Kan tijdens een lezing over de flora en fauna in de buurt notities maken.
Kan tijdens een presentatie van de bouwplannen van een nieuwe wijk aantekeningen maken.
Etc.
Aantekeningen maken
Vaardigheid: luisteren en schrijven
Niveau C1
Voorbeelden aantekeningen maken C1
Werk
Kan tijdens een studiedag bij een lezing van een vakgenoot gedetailleerde notities maken voor collega’s.
Kan tijdens een voorlichting over arbeidsvoorwaarden gedetailleerde notities maken voor collega’s.
Opleiding
Kan tijdens een college gedetailleerde notities maken voor mededeelnemers.
Kan tijdens een spreekbeurt van een mededeelnemer gedetailleerde notities maken voor anderen.
Bijlage 6
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Bijlage 7
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Deze regeling zal met de toelichting en de bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst.
Eindtermen opleiding Nederlandse taal, gericht op alfabetisering
Eindtermen opleiding Nederlandse taal op het ingangsniveau van het beroepsonderwijs
Bijlage 4
Eindtermen opleiding Rekenen, gericht op op het ingangsniveau van het beroepsonderwijs
Bijlage 5
Eindtermen opleidingen Nederlands als tweede taal I en II die opleiden voor het diploma Nederlands als tweede taal, bedoeld in het Staatsexamenbesluit Nederlands als tweede taal
Raamwerk NT2
Dagelijks leven
Kan tijdens een lezing in een museum gedetailleerde notities maken voor anderen.
Kan tijdens een voorlichting van de gemeente over de aanleg van een busbaan notities maken voor anderen.
Etc.
Bijlage 6
Eindtermen opleidingen Nederlands als tweede taal, gericht op beheersing van een basisniveau Nederlandse taal
Raamwerk NT2
Vaardigheid: Luisteren
Niveau: A1
Voorbeelden bij de descriptoren bij luisteren A1:
Voor alle voorbeelden bij A1 geldt dat zij langzaam en duidelijk moeten worden uitgesproken en direct tot de luisteraar gericht moeten zijn.
Vaardigheid: Luisteren
Niveau: A2
Voorbeelden bij de descriptoren bij luisteren A2:
Voor alle voorbeelden op A2 geldt dat zij over onderwerpen gaan die direct betrekking hebben op de luisteraar of waarmee de luisteraar anderszins vertrouwd is. Bovendien dienen sprekers langzaam en duidelijk te spreken.
Vaardigheid: Lezen
Niveau: A1
Voorbeelden bij de descriptoren bij lezen A1:
Voor alle voorbeelden op A1 geldt dat zij handelen over vertrouwde concrete onderwerpen, uit korte enkelvoudige zinnen bestaan en gebruik maken van hoogfrequente woorden en standaardtaal en dat de lezer tijd genoeg heeft om dingen nogmaals over te lezen Tekstuele informatie wordt bij voorkeur door illustraties ondersteund.
Vaardigheid: Lezen
Niveau: A2
Voorbeelden bij de descriptoren bij lezen A2:
Voor alle voorbeelden op A2 geldt dat zij handelen over vertrouwde concrete onderwerpen en gebruik maken van hoogfrequente woorden en standaardtaal. De structuur is eenvoudig en helder en wordt door lay-out en eventueel met behulp van illustraties ondersteund.
Vaardigheid: Gesprekken voeren
Niveau: A1
Voorbeelden bij de descriptoren bij gesprekken A1:
Voor alle voorbeelden op A1 geldt dat door alle deelnemers (inclusief de persoon zelf) langzaam en met veel herhaling direct tot de persoon zelf wordt gesproken. De persoon zelf spreekt met een sterk, vaak moeilijk verstaanbaar accent, de gesprekspartner spant zich extra in om de interactie niet te doen stranden. Gespreksonderwerpen betreffen concrete alledaagse zaken en behoeften.
Vaardigheid: Gesprekken voeren
Niveau: A2
Voorbeelden bij de descriptoren bij gesprekken A2:
Voor alle voorbeelden op A2 geldt dat door betrokken deelnemers in directe interactie met elkaar en langzaam en duidelijk wordt gesproken. Het initiatief ligt doorgaans bij de andere gesprekspartners.
Vaardigheid: Spreken
Niveau: A1
Voorbeelden bij de descriptoren bij spreken A1:
Voor alle voorbeelden op A1 geldt dat de spreker langzaam en met veel pauzes met een sterk, vaak moeilijk verstaanbaar accent, De onderwerpen hebben direct betrekking op de spreker zelf, zijn naaste omgeving of personen uit die omgeving.
Vaardigheid: Spreken
Niveau: A2
Voorbeelden bij de descriptoren bij spreken A2:
Voor alle voorbeelden op A2 geldt dat de spreker langzaam en met een duidelijk, soms minder goed verstaanbaar accent spreekt. Het taalgebruik is eenvoudig en de onderwerpen beperken zich tot concrete zaken.
Vaardigheid: Schrijven
Niveau: A1
Voorbeelden bij de descriptoren bij schrijven A1:
Voor alle voorbeelden op A1 geldt dat het onderwerp zich beperkt tot de schrijver zelf of imaginaire personen. Dat alleen hoogfrequente, op de persoon zelf of op concrete zaken betrekking hebbende woorden worden gebruikt in een beperkt aantal zeer eenvoudige structuren. Correcte spelling van de meeste woorden (behalve de eigen persoonsgegevens) is afhankelijk van de onmiddellijke beschikbaarheid van een voorbeeld dat kan worden overgeschreven.
Vaardigheid: Schrijven
Niveau: A2
Voorbeelden bij de descriptoren bij schrijven A2:
Voor alle voorbeelden op A2 geldt dat de onderwerpen handelen over de directe leefwereld van de schrijver of over alledaagse onderwerpen. De woordenschat en het gebruik van grammaticale structuren is zeer beperkt. De spelling kan wanneer deze niet direct van een voorbeeld is overgeschreven afwijken van de spellingsregels maar is fonetisch redelijk correct voor zover de woorden behoren tot de mondelinge woordenschat van de schrijver.
Teksten verwerken
Vaardigheid: Lezen en schrijven
Niveau: A1
Voorbeelden bij teksten verwerken A1
Voorbeelden:
Werk
Kan een afspraak overnemen in de eigen agenda.
Kan een verjaardagskalender van collega’s opstellen op basis van via de e-mail verkregen informatie.
Opleiding
Kan van een rooster het leslokaal waar zijn/haar les is overnemen in de eigen agenda.
Kan losse woorden en korte zinnen overnemen uit een lesboek of van het schoolbord.
Dagelijks leven
Kan namen van producten overnemen uit een reclamefolder ten behoeve van een boodschappenlijstje.
Kan een adres uit een briefhoofd op een envelop schrijven.
Etc.
Teksten verwerken
Vaardigheid: Lezen en schrijven
Niveau: A2
Voorbeelden teksten verwerken A2
Werk
Kan een planning overnemen in de eigen agenda.
Kan een schriftelijke tekst verwerken in een e-mail.
Opleiding
Kan een rooster overnemen in de eigen agenda.
Kan het huiswerk van het bord overnemen in de eigen agenda.
Dagelijks leven
Kan standaardzinnen (uit een lesboek, uit een ontvangen brief) overnemen in een korte brief.
Kan een beschrijving van een product uit een folder overnemen.
Etc.
Aantekeningen maken
Vaardigheid: luisteren en schrijven
Niveau A1
Aantekeningen maken
Vaardigheid: luisteren en schrijven
Niveau A2
Bijlage 7
Eindtermen opleidingen Nederlands als tweede taal, gericht op alfabetisering
Voor de opleidingen Nederlands als tweede taal, gericht op alfabetisering gelden de twee niveaus onder A1 alsmede het niveau A1 en de eindtermen voor deze niveaus zoals beschreven in het Raamwerk Alfabetisering NT21Het Raamwerk Alfabetisering NT2 is te downloaden via www.cito.nl. (Cito B.V., Arnhem 2008).
Het Raamwerk Alfabetisering
Om vorderingen in een taalleerproces te kunnen meten of beoordelen zijn ijkpunten nodig. In het NT2-onderwijs worden ijkpunten gehanteerd die zijn beschreven in het Raamwerk NT22Dalderop, K., F.Teunisse en E. Liemberg (2002). Raamwerk NT2. De Bilt: BVE-raad.. Het Raamwerk NT2 is een bewerking van het Common European Framework of Reference3Raad van Europa (2001). Common European Framework of reference for languages: learning, teaching, assessment.Cambridge University Press., een Europese niveaubeschrijving voor vaardigheid in de vreemde talen. Er bestaat geen Europees Raamwerk voor alfabetisering. Voor de Alfabetisering in het Nederlands als tweede taal, is het Raamwerk Alfabetisering NT24Stockmann, W.(2004). De toegepaste kunst van geletterdheid.Tilburg: Universiteit van Tilburg. ontwikkeld.
Voor de ontwikkeling van het Raamwerk Alfabetisering NT2 is gebruik gemaakt van bestaande referentiekaders zoals het Raamwerk NT2 en de Blokkendoos, maar ook van alfabetiseringstheorieën en onderzoek dat op dit terrein is gedaan. Een uitgebreide verantwoording van de totstandkoming van het Raamwerk Alfabetisering vindt u in Stockmann (2004).
In het Raamwerk Alfabetisering worden drie niveaus beschreven: Alfa A, Alfa B en Alfa C. Het niveau Alfa C loopt parallel met niveau A1 van het Raamwerk NT2. Er worden dus twee niveaus onder A1 onderscheiden. Op elk niveau worden technische vaardigheden en functionele vaardigheden beschreven. Na het behalen van de niveaustap Alfa A beheerst men het alfabetisch principe. Na Alfa B kan men effectiever lezen en schrijven doordat clusters en morfemen als geheel gelezen en geschreven kunnen worden. Na C is het lezen en schrijven zodanig geautomatiseerd dat het in de verdere taalverwerving geen stagnaties meer veroorzaakt. Het Raamwerk Alfabetisering loopt door tot niveau Alfa C omdat het alfabetiseringniveau op niveau Alfa B nog niet is voltooid. Als we dus de fout zouden maken te denken dat de alfadeelnemers na Alfa B met de geletterde deelnemers mee kunnen in een groep op weg naar A1, dan lopen we het risico dat het leerproces zal stagneren omdat de alfadeelnemer het proces van lezen en schrijven nog onvoldoende geautomatiseerd heeft.
Achtereenvolgens wordt een globaal overzicht van de beschreven niveaus gegeven, daarna het Raamwerk technische vaardigheden en ten slotte het Raamwerk functionele vaardigheden.
Bij het Raamwerk functionele vaardigheden zijn ook voorbeelden opgenomen van taken die de leerder op het betreffende niveau kan uitvoeren. Vanaf niveau Alfa B zijn de voorbeelden gekoppeld aan het uitstroomperspectief. De volgende perspectieven worden onderscheiden: opvoeding, maatschappelijke participatie en werk. Op niveau Alfa A is geen onderscheid naar perspectief gemaakt omdat de vaardigheid van de leerders dan nog erg basaal is waardoor een duidelijk onderscheid niet goed mogelijk is.
Globale kenmerken van de niveaus
De onderstaande tabel geeft inzicht in globale kenmerken van de vaardigheden op de niveaus Alfa A, B en C.
2 Raamwerk technische vaardigheden
3 Raamwerk functionele vaardigheden
¹ De verdeling in subvaardigheden is gebaseerd op het Raamwerk NT2.
Voorbeelden functioneel lezen alfa a
Voorbeelden functioneel lezen alfa b5Vanaf niveau Alfa B zijn de voorbeelden onderverdeeld naar drie uitstroomperspectieven: opvoeding, maatschappelijke participatie en werk
Voorbeelden functioneel lezen alfa c
Voorbeelden functioneel schrijven alfa a
Voorbeelden functioneel schrijven alfa b
Voorbeelden functioneel schrijven alfa c
4. Verklaring van begrippen bij het raamwerk alfabetisering NT2
Deze regeling zal met de toelichting en de bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst.
Bijlage 8. behorend bij artikel 2, vijfde lid
Eindtermen digitale vaardigheden
Inhoudsopgave
Domein 1: Het gebruik van ICT-systemen
Domein 2: Beveiliging, privacy en gezondheid
Domein 3: Informatie zoeken
Domein 4: Informatie verwerken
Domein 5: Digitaal communiceren
Toelichting:Het gaat in dit domein om het gebruiken van (functies van) ICT-systemen. Hieronder vallen zowel computers, smartphones, tablets en printers als ook digitale apparatuur zoals wasmachines, smart-tv’s en wekkers.
| Basisniveau 1 |
|---|
| Het niveau van de eindtermen wordt bepaald door de combinatie van het karakter, de context en de beschrijving van de eindterm zelf. |
| Algemene omschrijving: Kan binnen de alledaagse leef-, werk- en leeromgeving herkenbare digitale toepassingen gebruiken en de meest voorkomende handelingen verrichten. • Karakter: toepassingen en handelingen komen het meest voor en zijn herkenbaar. • Context: de alledaagse leef, werk- en leeromgeving |
| Eindtermen |
| 1. Gebruikt de interfacemogelijkheden voor basisfuncties binnen applicaties. |
| Voorbeeld: Een route instellen in een navigatiesysteem. |
| 2. Maakt gebruik van internet. |
| Voorbeeld: Door het invoeren van een URL in de adresbalk naar de website van de gemeente gaan. |
| 3. Gebruikt de interfacemogelijkheden voor bestandsbeheer in een gestructureerde digitale omgeving. |
| Voorbeeld: Oude werkverslagen verwijderen. |
| 4. Gebruikt twee applicaties op een apparaat. |
| Voorbeeld: Een filmpje opnemen met de smartphone en dit doorsturen naar een vriend via Whatsapp. |
| Basisniveau 2 |
|---|
| Het niveau van de eindtermen wordt bepaald door de combinatie van het karakter, de context en de beschrijving van de eindterm zelf. |
| Algemene omschrijving: Kan veelvoorkomende digitale toepassingen gebruiken en handelingen verrichten, gerelateerd aan de leef-, werk- en leeromgeving. • Karakter: toepassingen en handelingen komen veel voor. • Context: er is een relatie met de leef-, werk- en leeromgeving. |
| Eindtermen |
| 1. Gebruikt meerdere applicaties die tegelijkertijd actief zijn en wisselt informatie uit tussen die applicaties. |
| Voorbeeld:Een foto bewerken op de smartphone met een fotobewerkingsapp en deze foto vervolgens op Instagram plaatsen. |
| 2. Wisselt informatie uit via digitale apparatuur. |
| Voorbeeld: Een factuur scannen en deze per mail naar zichzelf sturen. |
| 3. Selecteert de meest geschikte applicatie voor een toepassing. |
| Voorbeeld: Foto’s van een personeelsuitje versturen via WeTransfer. |
| 4. Downloadt een eenvoudige applicatie en installeert deze op eigen apparatuur. |
| Voorbeeld: In een appstore de NS-app downloaden en installeren om een treinreis te plannen. |
| 5. Zet een structuur op om eigen bestanden te beheren. |
| Voorbeeld: In ‘Mijn documenten’ één map aanmaken voor werkgerelateerde bestanden en één voor privébestanden zoals foto’s. |
Toelichting: In domein 2 gaat het om het volgen van regels voor veilig en gezond werken met ICT-systemen. De focus ligt op veiligheid, privacy, lichamelijke en geestelijke gezondheid van zichzelf en anderen.
| Basisniveau 1 |
|---|
| Het niveau van de eindtermen wordt bepaald door de combinatie van het karakter, de context en de beschrijving van de eindterm zelf. |
| Algemene omschrijving: Kan binnen de alledaagse leef- werk- en leeromgeving herkenbare digitale toepassingen gebruiken en de meest voorkomende handelingen verrichten. • Karakter: toepassingen en handelingen komen het meest voor en zijn herkenbaar. • Context: de alledaagse leef, werk- en leeromgeving |
| Eindtermen |
| 1. Werkt veilig op computer, smartphone of tablet. |
| Voorbeeld: Veilige wachtwoorden met (hoofd)letters en tekens maken. |
| 2. Weet dat het gebruik van digitale informatie en communicatie risico’s met zich meebrengt. |
| Voorbeeld: Verdachte afzenders herkennen. |
| 3. Weet dat het niet is toegestaan om producten van anderen zonder toestemming te kopiëren en te verspreiden. |
| Voorbeeld: Benoemen waarom hij geen foto’s van derden op Facebook plaatst zonder hiervoor toestemming te vragen. |
| 4. Weet dat er kosten zijn verbonden aan het gebruik van mobiele telefoon en internet. |
| Voorbeeld: Zich voor laten lichten bij het kiezen van een passend (combinatie)abonnement voor telefoon, computer en dergelijke. |
| 5. Weet dat langdurig gebruik van digitale apparatuur effect heeft op de eigen lichamelijke en geestelijke gezondheid. |
| Voorbeeld: Mogelijke klachten als gevolg van veelvuldig werken met digitale apparaten benoemen. |
| 6. Hanteert correcte omgangsvormen in de eigen berichten (tekst, beeld, geluid). |
| Voorbeeld: Zijn werkbegeleider een bericht sturen met correcte aanhef en afsluiting. |
| Basisniveau 2 |
|---|
| Het niveau van de eindtermen wordt bepaald door de combinatie van het karakter, de context en de beschrijving van de eindterm zelf. |
| Algemene omschrijving: Kan veel voorkomende digitale toepassingen gebruiken en handelingen verrichten, gerelateerd aan de leef-, werk- en leeromgeving. • Karakter: toepassingen en handelingen komen veel voor. • Context: er is een relatie met de leef-, werk- en leeromgeving. |
| Eindterm |
| 1. Neemt maatregelen om te voorkomen dat (privé)informatie ongewenst wordt verspreid op internet. |
| Voorbeeld: Profiel bij sociale media zo instellen, dat alleen bekenden bepaalde informatie kunnen zien. |
| 2. Neemt maatregelen met betrekking tot kosten van telefoon- en ICT-gebruik in relatie tot zijn wensen en mogelijkheden. |
| Voorbeeld: Meldingen instellen voor overschrijding van de datalimiet. |
| 3. Neemt maatregelen die ondersteunen bij veilig en gezond gebruik van digitale apparatuur. |
| Voorbeeld: Instellingen en houding controleren voor en tijdens het gebruik van een computer. |
| 4. Neemt maatregelen om ervoor te zorgen dat eigen verstuurde berichten (tekst, beeld, geluid) passend zijn. |
| Voorbeeld: Op een gepaste manier zijn kritiek uitenop een politieke mening op Facebook. |
Toelichting:In domein 3 gaat het om informatie zoeken, vinden en selecteren.
| Basisniveau 1 |
|---|
| Het niveau van de eindtermen wordt bepaald door de combinatie van het karakter, de context en de beschrijving van de eindterm zelf. |
| Algemene omschrijving: Kan binnen de alledaagse leef-, werk- en leeromgeving herkenbare digitale toepassingen gebruiken en de meest voorkomende handelingen verrichten. • Karakter: toepassingen en handelingen komen het meest voor en zijn herkenbaar. • Context: de alledaagse leef, werk- en leeromgeving |
| Eindtermen |
| 1. Gebruikt webadressen. |
| Voorbeeld: www.oefenen.nl in de adresbalk typen om naar dit programma te gaan. |
| 2. Gebruikt de zoekfunctie binnen een applicatie. |
| Voorbeeld: De rekenhulp voor Toeslagen van de Belastingdienst zoeken en vinden op de website van de Belastingdienst. |
| 3. Gebruikt een zoekmachine op internet. |
| Voorbeeld: De naam van een persoon zoeken door zijn naam te typen in de zoekbalk van Google. |
| 4. Gebruikt portals op internet. |
| Voorbeeld: Binnen de portal Oefenen.nl het programma Lees& Schrijf-Het leesplankje opzoeken. |
| 5. Selecteert informatie. |
| Voorbeeld: Via een website, bijvoorbeeld ‘vakantiehuizen Dordogne’, een selectie maken op basis van prijs. |
| 6. Weet dat niet alle zoekresultaten en informatie betrekking hebben op de zoekvraag. |
| Voorbeeld: Benoemen dat bij gebruik zoektermkappersopleiding Rotterdamook kappersopleidingen in andere steden tevoorschijn komen. |
| 7. Weet dat nieuws en informatie op internet gemanipuleerd kan zijn (nepnieuws). |
| Voorbeeld: Een sensationeel bericht via sociale media controleren op officiële media. |
| Basisniveau 2 |
|---|
| Het niveau van de eindtermen wordt bepaald door de combinatie van het karakter, de context en de beschrijving van de eindterm zelf. |
| Algemene omschrijving: Kan veelvoorkomende digitale toepassingen gebruiken en handelingen verrichten, gerelateerd aan de leef-, werk- en leeromgeving. • Karakter: toepassingen en handelingen komen veel voor. • Context: er is een relatie met de leef-, werk- en leeromgeving. |
| Eindtermen |
| 1. Gebruikt verschillende manieren om informatie te vinden op internet en sociale media. |
| Voorbeeld: Zoeken naar gebruikerservaringen met een auto via de website van de ANWB en via netforum van Autoweek. |
| 2. Hanteert zoektechnieken die passen bij het type zoekvraag. |
| Voorbeeld: Via de vacaturesite doorklikken naar de soort vacatures en naar de afstand die voor hem acceptabel is. |
| 3. Beoordeelt en selecteert informatie op basis van relevantie. |
| Voorbeeld: Advertenties onderscheiden van vergelijkingssites als Beslist.nl als hij op Google zoekt naar bijvoorbeeld een frituurpan. |
| 4. Onderneemt actie om de bron van de informatie te achterhalen. |
| Voorbeeld: Webadressen opzoeken om een literatuurlijst bij een stageverslag te maken. |
Toelichting: In domein 4 gaat het om het omzetten van informatie in een tekst, schema, tabel of afbeelding en om het invullen van formulieren.
| Basisniveau 1 |
|---|
| Het niveau van de eindtermen wordt bepaald door de combinatie van het karakter, de context en de beschrijving van de eindterm zelf. |
| Algemene omschrijving: Kan binnen de alledaagse leef-, werk- en leeromgeving herkenbare digitale toepassingen gebruiken en de meest voorkomende handelingen verrichten. •Karakter: toepassingen en handelingen komen het meest voor en zijn herkenbaar. • Context: de alledaagse leef, werk- en leeromgeving |
| Eindtermen |
| 1. Gebruikt eenvoudige functies van een tekstverwerker. |
| Voorbeeld: Een tekst typen met kopjes, witregels en woorden in vet. |
| 2. Verwerkt informatie in tabellen en schema’s (twee variabelen). |
| Voorbeeld: Een eenvoudige tabel voor in- en uitgaven maken. |
| 3. Combineert teksten en beeldmateriaal in een tekstverwerker of in een e‑mailprogramma. |
| Voorbeeld: Een afbeelding zoeken en in een Word-tekst plaatsen. |
| 4. Voegt een bestand bij een bericht toe als bijlage. |
| Voorbeeld: Foto’s meesturen bij een e-mail. |
| 5. Vult digitale standaardformulieren tabellen en schema’s in. |
| Voorbeeld: Een urenbriefje invullen op de site van het uitzendbureau. |
| Basisniveau 2 |
|---|
| Het niveau van de eindtermen wordt bepaald door de combinatie van het karakter, de context en de beschrijving van de eindterm zelf. |
| Algemene omschrijving: Kan veelvoorkomende digitale toepassingen gebruiken en handelingen verrichten, gerelateerd aan de leef-, werk- en leeromgeving. • Karakter: toepassingen en handelingen komen veel voor. • Context: er is een relatie met de leef-, werk- en leeromgeving. |
| Eindtermen |
| 1. Past de meest gangbare lay-outmogelijkheden toe. |
| Voorbeeld: Een sollicitatiebrief schrijven met een tekstverwerker in een passende lay-out. |
| 2. Bewaart digitaal ontvangen en verzonden berichten en bestanden zo dat hij deze terug kan vinden. |
| Voorbeeld: Reacties op zijn sollicitaties archiveren. |
| 3. Vult online informatie of gegevens in die via verschillende stappen tot een bestelling, inschrijving en dergelijke leiden. |
| Voorbeeld: Online een vakantie boeken en betalen. |
Toelichting: In dit domein is de focus contact en digitale interactie met personen of instanties, via sociale media of online portals. Hierbij kan gedacht worden aan communicatie en interactie door middel van presentaties, e-mailen, appen, internetbankieren, Facebookgroepen en elektronische leeromgevingen.
| Basisniveau 1 |
|---|
| Het niveau van de eindtermen wordt bepaald door de combinatie van het karakter, de context en de beschrijving van de eindterm zelf. |
| Algemene omschrijving: Kan binnen de alledaagse leef-, werk- en leeromgeving herkenbare digitale toepassingen gebruiken en de meest voorkomende handelingen verrichten. • Karakter: toepassingen en handelingen komen het meest voor en zijn herkenbaar. • Context: de alledaagse leef-, werk- en leeromgeving |
| Eindtermen |
| 1. Stuurt ontvangen berichten, zoals teksten, beeld of geluid door naar anderen. |
| Voorbeeld:Een foto van zijn kleinkind doorsturen naar een vriendin via e-mail. |
| 2. Maakt zelf een bericht met tekst, beeld of geluid en verstuurt dit naar één of meerdere personen of instellingen. |
| Voorbeeld: Een uitnodiging voor een tuinfeest opstellen en versturen via e-mail. |
| 3. Gebruikt een bij de situatie passend communicatiekanaal voor het versturen van berichten (tekst, beeld, geluid). |
| Voorbeeld: Een bericht over ervaringen met een bepaald medicijn plaatsen op het gebruikersforum van een patiëntenvereniging. |
| 4. Gebruikt een digitaal adresboek of contactpersonenlijst. |
| Voorbeeld: In de elektronische leeromgeving een bericht aan de docent sturen. |
| 5. Herkent belangrijke digitale meldingen en reageert hierop. |
| Voorbeeld: Ramen en deuren sluiten naar aanleiding van NL-alert (ontvangen via zijn telefoon) over brand. |
| 6. Maakt een eenvoudige presentatie. |
| Voorbeeld: Een presentatie in PowerPoint maken met gebruik van standaardsjablonen. |
| Basisniveau 2 |
|---|
| Het niveau van de eindtermen wordt bepaald door de combinatie van het karakter, de context en de beschrijving van de eindterm zelf. |
| Algemene omschrijving: Kan veelvoorkomende digitale toepassingen gebruiken en handelingen verrichten, gerelateerd aan de leef-, werk- en leeromgeving. • Karakter: toepassingen en handelingen komen veel voor. • Context: er is een relatie met de leef-, werk- en leeromgeving. |
| Eindtermen |
| 1. Stemt de keuze voor het communicatiekanaal af op het communicatiedoel. |
| Voorbeeld: De chatfunctie in Skype gebruiken om contact te hebben als het videobellen niet lukt. |
| 2. Selecteert de te delen informatie weloverwogen. |
| Voorbeeld: Een vraag plaatsen op de Facebookpagina van een bedrijf, waarbij het eigen telefoonnummer of mailadres niet gedeeld wordt. |
| 3. Legt contact met de beheerder als (delen van) websites of applicaties niet functioneren. |
| Voorbeeld: Contact opnemen met de helpdesk van KOBO als het downloaden van een e-book niet lukt. |
| 4. Maakt een presentatie naar eigen ontwerp met gebruik van beeldmateriaal. |
| Voorbeeld: Een presentatie maken in Prezi over zijn geboortestad met grafieken, een kaart en afbeeldingen. |
Deze regeling zal met de toelichting en de bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst.
Bijlage 9. behorende bij artikel 2, zesde lid, van de Regeling eindtermen educatie 2013
Eindtermen taalschakeltraject
Inhoudsopgave
Deze bijlage bevat de volgende hoofdstukken:
1. Leeswijzer
Alle taalschakeltrajecten bestaan uit basisvakken en eventuele maatwerkvakken en omvatten daarnaast leervaardigheden, vaardigheden voor opleidings- en beroepskeuze en kennis van de Nederlandse maatschappij. De basisvakken en eventuele maatwerkvakken verschillen per taalschakeltraject en zijn te vinden in de hoofdstukken 2 tot en met 8. De eindtermen voor de leervaardigheden, vaardigheden voor opleidings- en beroepskeuze en kennis van de Nederlandse maatschappij zijn hetzelfde voor alle taalschakeltrajecten en te vinden in de hoofdstukken 9 tot en met 11. Per taalschakeltraject zijn dus de volgende eindtermen van toepassing:
De basisvakken betreffen verschillende niveaus voor Nederlands, Engels en rekenen of wiskunde. Voor de niveau-aanduiding voor Nederlands en Engels wordt gebruik gemaakt van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen, overal afgekort als ‘ERK’.
2. Eindtermen basis- en maatwerkvakken taalschakeltraject naar de basisberoepsopleiding
2.1. Basisvakken
2.2. Maatwerkvakken
N.v.t.
3. Eindtermen basis- en maatwerkvakken taalschakeltraject naar de vakopleiding
3.1. Basisvakken
3.2. Maatwerkvakken
N.v.t.
4. Eindtermen basis- en maatwerkvakken taalschakeltraject naar de middenkaderopleiding
4.1. Basisvakken
4.2. Maatwerkvakken
5. Eindtermen basis- en maatwerkvakken taalschakeltraject naar het hoger beroepsonderwijs, profiel Maatschappij, economie en informatietechnologie
5.1. Basisvakken
5.2. Maatwerkvakken
6. Eindtermen basis- en maatwerkvakken taalschakeltraject naar het hoger beroepsonderwijs, profiel Natuur, techniek en gezondheid
6.1. Basisvakken
6.2. Maatwerkvakken
1 Deze eindterm is optioneel.
7. Eindtermen basis- en maatwerkvakken taalschakeltraject naar het wetenschappelijk onderwijs, profiel Maatschappij, economie en informatietechnologie
7.1. Basisvakken
7.2. Maatwerkvakken
8. Eindtermen basis- en maatwerkvakken taalschakeltraject naar het wetenschappelijk onderwijs, profiel Natuur, techniek en gezondheid
8.1. Basisvakken
8.2. Maatwerkvakken
1 Deze eindterm is optioneel.
9. Eindtermen leervaardigheden
Deze eindtermen gelden voor alle taalschakeltrajecten. Op deze eindtermen dient de deelnemer een ontwikkeling te laten zien.
I. Sociale en (inter)culturele vaardigheden
A. Kennis hebben van de Nederlandse onderwijscultuur
De deelnemer weet wat de (onderscheidende) kenmerken zijn van de Nederlandse onderwijscultuur, zoals de omgang tussen docenten en deelnemers, en de nadruk op zelfstandigheid en samenwerking in het leren.
B. Verschillende visies, uitingen en gedragingen respecteren
De deelnemer gaat in discussies en omgang respectvol om met mensen met verschillende culturele, politieke en religieuze achtergrond, met andersdenkenden en heeft aandacht voor diversiteit en inclusie.
C. Gedragscodes in verschillende sociale situaties herkennen en toepassen
De deelnemer weet welk gedrag (omgangsvorm, uiterlijk) verwacht wordt in verschillende situaties tijdens de opleiding en laat dit gedrag zelf ook zien.
D. Op gepaste wijze omgaan met anderen in verschillende rollen en contexten
De deelnemer gaat met mededeelnemers, docenten en collega’s om zoals dat van hem17 verwacht wordt in het kader van de opleiding.
E. Vermogen tot zelfregulatie
De deelnemer weet wat hij moet doen als een situatie in het kader van zijn opleiding voor hem (persoonlijk) een uitdaging vormt.
Denkt na over het eigen gedrag en past dit eventueel aan in het kader van zijn opleiding.
Benoemt wat de gevolgen voor hemzelf en anderen zijn als hij een keuze maakt binnen een opdracht of taak in het kader van zijn opleiding.
Als hij zelf op basis van reflectie constateert of door anderen gewezen wordt op bepaalde effecten van zijn gedrag, past hij dit aan.
II. Zelfstandig leervermogen en projectmatig (samen)werken
A. Informatievaardigheden
De deelnemer behandelt nieuwe informatie op de juiste wijze in het kader van zijn opleiding.
Weet hoe hij informatie moet zoeken en selecteert deze in het kader van zijn opleiding.
Verwerkt informatie ten behoeve van een opdracht of taak in het kader van zijn opleiding.
Analyseert en interpreteert gevonden informatie in het kader van zijn opleiding.
Geeft een oordeel over relevantie, bruikbaarheid en betrouwbaarheid van informatie.
Presenteert in het kader van zijn opleiding informatie die hij verwerkt, geanalyseerd en geëvalueerd heeft en kiest hiervoor een passende presentatievorm.
B. Zelfstandig leren
De deelnemer geeft zelf sturing aan zijn leerproces in het kader van zijn opleiding.
Neemt zelf de verantwoordelijkheid voor zijn leerproces in het kader van zijn opleiding.
Werkt in het kader van zijn opleiding zelf zijn leerdoelen uit en stelt deze bij als dit tijdens het proces nodig blijkt.
Bepaalt welke leeractiviteiten hij onderneemt om zijn leerdoel te bereiken in het kader van zijn opleiding.
Plant zijn werkzaamheden volgens de gestelde leerdoelen in het kader van zijn opleiding.
Gaat (in overleg met zijn docent) regelmatig na of de voortgang volgens planning verloopt in het kader van zijn opleiding.
C. Samenwerken
De deelnemer werkt samen met anderen in groepsverband in een team of in een project in het kader van zijn opleiding.
Komt afspraken na, zoals op tijd komen, beloofde bijdragen tijdig aanleveren e.d. in het kader van zijn opleiding.
Luistert actief en praat mee over het onderwerp van een discussie of overleg in het kader van zijn opleiding.
Werkt in het kader van zijn opleiding volgens de afgesproken taakverdeling waarbij hij het verwachte eindresultaat in het oog houdt.
Spreekt in het kader van zijn opleiding anderen op een gepaste manier aan op hun gedrag of houding.
Reageert in het kader van zijn opleiding passend op kritische opmerkingen en geeft aan wat hij hiermee gaat doen.
Neemt in het kader van zijn opleiding waar nodig maatregelen om zijn traject goed te laten verlopen en te houden.
D. Communicatie
De deelnemer onderhoudt op gepaste wijze contact met anderen in het kader van zijn opleiding.
Luistert naar wat anderen zeggen en vinden, in het kader van zijn opleiding.
Zorgt ervoor dat hij aan het woord komt als hij iets wil zeggen in een gesprek, overleg of discussie in het kader van zijn opleiding.
Geeft duidelijk aan wat hij wil in het kader van zijn opleiding.
Geeft zijn mening op momenten dat dit opportuun is in het kader van zijn opleiding.
E. Probleemoplossend vermogen
De deelnemer is in staat oplossingen te vinden voor problemen die binnen een opdracht of taak tijdens het werkproces ontstaan in het kader van zijn opleiding.
Herkent een probleem tijdens het werkproces en benoemt het op een begrijpelijke manier in het kader van zijn opleiding.
Geeft de oorzaak en aard aan van problemen die ontstaan tijdens het werkproces in het kader van zijn opleiding.
Bedenkt (samen met anderen) mogelijke oplossingen voor problemen die hij tegenkomt in het kader van zijn opleiding.
Vraagt op het juiste moment en op de juiste manier gericht om hulp bij het oplossen van een probleem in het kader van zijn opleiding.
III. Taalvaardigheden voor studie
A. Lezen
Weet wat hij moet doen naar aanleiding van geschreven instructies, bijvoorbeeld een stappenplan of een handleiding in het kader van zijn opleiding.
Leest studieteksten om informatie te kunnen onthouden, begrijpen en reproduceren in het kader van zijn opleiding.
Begrijpt betogende teksten en weet waarvan de schrijver hem probeert te overtuigen in het kader van zijn opleiding.
B. Luisteren
Begrijpt een langere uitleg in de klas en kan er de juiste informatie uit halen.
Weet wat hij moet doen naar aanleiding van mondelinge instructies en uitleg in het kader van zijn opleiding.
C. Gesprekken voeren
Neemt actief deel aan overleg en discussies om informatie en meningen uit te wisselen over onderwerpen in het kader van zijn opleiding.
Neemt actief deel aan informele gesprekken met mededeelnemers, in de pauze of tussen de lessen.
D. Spreken
Geeft in het kader van zijn opleiding presentaties over onderwerpen, resultaten van opdrachten of onderzoek.
Is in het kader van zijn opleiding langere tijd aan het woord tijdens een discussie, overleg of gesprek om iets uit te leggen of zijn mening te onderbouwen.
E. Schrijven
Maakt in het kader van zijn opleiding begrijpelijke aantekeningen van een korte en gestructureerde plenair gegeven uitleg of van een kort overleg of opdracht.
Maakt in het kader van zijn opleiding een schriftelijk verslag van een project of opdracht.
F. Woordenschat
Begrijpt de algemene schooltaalwoorden die hij nodig heeft om de opleiding te kunnen volgen en kan deze ook gebruiken in het kader van zijn opleiding.
Begrijpt de algemene rekentaal die hij nodig heeft om de opleiding te kunnen volgen en kan deze ook gebruiken in het kader van zijn opleiding.
Beheerst een redelijke basis wat betreft algemene vaktaalwoorden en kan deze ook gebruiken in het kader van zijn opleiding.
IV. Digitale vaardigheden
A. Werken met verschillende digitale devices
De deelnemer gebruikt verschillende digitale devices (zoals computer, smartphone) op een passende manier in het kader van zijn opleiding.
B. Basisvaardigheden van digitale applicaties beheersen
De deelnemer gebruikt de interfacemogelijkheden voor basisfuncties binnen applicaties in het kader van zijn opleiding.
C. Werken met veelgebruikte applicaties op mbo, hbo of universiteit
De deelnemer gebruikt in het kader van zijn opleiding meerdere relevante applicaties die tegelijkertijd actief zijn en kan informatie uitwisselen tussen die applicaties.
D. (betrouwbare) online informatie gebruiken
De deelnemer gebruikt webadressen, portals en zoekmachines op een manier die past bij de zoekvraag om (betrouwbare) digitale bronnen te vinden in het kader van zijn opleiding.
E. Mediawijsheid
Neemt maatregelen om te voorkomen dat (privé)informatie ongewenst wordt verspreid op internet in het kader van zijn opleiding.
Weet hoe de bron achterhaald en beoordeeld kan worden van informatie zoals op sociale media en online communicatie en herkent nepnieuws of fraude.
Weet, in het kader van zijn opleiding, dat de media invloed proberen uit te oefenen op zijn internetgebruik.
10. Eindtermen vaardigheden voor opleidings- en beroepskeuze
Deze eindtermen gelden voor alle taalschakeltrajecten.
11. Eindtermen kennis van de Nederlandse maatschappij
Zie voor de eindtermen voor kennis van de Nederlandse maatschappij bijlage 2 bij de Regeling inburgering 2021. Deze eindtermen gelden voor alle taalschakeltrajecten.
Deze regeling zal met de toelichting en de bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst.