Regeling van de Minister van Economische Zaken van 15 februari 2013, nr. WJZ/13014657, houdende regels met betrekking tot de verdeling van frequentieruimte als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel b, van de Telecommunicatiewet (Regeling verdeling op afroep)

Type Ministeriële regeling
Publication 2020-09-29
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op de artikelen 14 en 16 van het Frequentiebesluit 2013;

Besluit:

Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Telecommunicatiewet, enz. (Nota frequentiebeleid 2005) in werking treedt.

§ 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

§ 2. De aanvraag

Artikel 2
1.

Een aanvraag tot verlening van een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel b, van de Telecommunicatiewet geschiedt door middel van een daartoe strekkend formulier. De aanvraag bevat de in het formulier genoemde gegevens en bescheiden.

2.

De aanvraag is in de Nederlandse taal gesteld.

3.

In de aanvraag worden de namen vermeld van ten minste één en ten hoogste vier natuurlijke personen, die ieder voor zich zelfstandig bevoegd zijn om de aanvraag namens de aanvrager in te dienen alsmede in het geval van een veiling namens de aanvrager handelingen te verrichten gedurende de veiling en die daartoe beschikken over een rechtsgeldige en toereikende volmacht.

4.

Met de gegevens en bescheiden, bedoeld in het eerste lid, worden gelijkgesteld zodanige gegevens en bescheiden krachtens het recht van een van de andere lidstaten van de Europese Unie of een van de andere staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.

5.

De gegevens en bescheiden, bedoeld in het vierde lid, mogen in afwijking van het tweede lid, in een van de officiële talen van de Europese Unie of de Europese Economische Ruimte worden gesteld. In dat geval worden die gegevens en bescheiden vergezeld van een Nederlandse vertaling van die gegevens en bescheiden tenzij het gegevens en bescheiden betreft die in de Engelse taal zijn gesteld.

6.

Een aanvrager dient per VOA-procedure ten hoogste één aanvraag in.

7.

De aanvraag wordt ingediend per post dan wel door persoonlijke overhandiging op een bij publicatie van het aanvraagformulier door de minister bekendgemaakt adres, dan wel, indien beschikbaar, via een door de minister bij publicatie van het aanvraagformulier aan te wijzen elektronisch communicatiekanaal. De persoonlijke overhandiging vindt plaats op werkdagen tussen 8:30 uur en 16:00 uur.

Artikel 3
1.

Indien de aanvrager niet heeft voldaan aan de in artikel 2 gestelde vereisten, deelt de minister dit de aanvrager mee en stelt de minister de aanvrager in de gelegenheid het verzuim te herstellen.

2.

De aanvrager heeft gedurende tien werkdagen, te rekenen vanaf de dag nadat de mededeling, bedoeld in het eerste lid, is verstuurd, de gelegenheid het verzuim te herstellen.

3.

De gegevens, bedoeld in het tweede lid, worden op de wijze, bedoeld in artikel 2, zevende lid, ingediend.

4.

Indien het verzuim, bedoeld in het eerste lid, binnen de termijn, genoemd in het tweede lid, niet is hersteld of de aanvraag na herstel niet voldoet aan de in artikel 2 gestelde eisen, kan de minister besluiten de aanvraag overeenkomstig artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht niet te behandelen.

Artikel 4
1.

De aanvrager is een natuurlijke persoon of een rechtspersoon naar Nederlands recht of het equivalent daarvan naar het recht van een van de overige lidstaten van de Europese Unie of een van de overige staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, en heeft zijn woonplaats, of indien het geen natuurlijke persoon is, is gevestigd in de Europese Economische Ruimte.

2.

De aanvrager voldoet voorts aan de volgende eisen:

3.

Met de eisen van het tweede lid worden gelijkgesteld zodanige eisen volgens het recht van een van de andere lidstaten van de Europese Unie of een van de andere staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.

Artikel 5
1.

Indien uit de aanvraag niet blijkt dat aan de eisen, bedoeld in artikel 4, eerste en het tweede lid, is voldaan, wijst de minister de aanvraag af.

2.

De minister wijst aanvragen betreffende een band waarvoor reeds een VOA-procedure gaande is, ingediend in de periode vanaf de datum na afloop van de termijn, bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel b, van het Frequentiebesluit 2013 tot en met de datum waarop ingevolge artikel 7 of artikel 24 over de aanvragen wordt beslist, af.

3.

De minister wijst aanvragen om het gebruik van frequentieruimte binnen een band waarbinnen geen frequentieruimte beschikbaar is, af.

§ 3. Toewijzing frequentieruimte zonder veiling

Artikel 6

Indien de minister een besluit neemt, als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel a, van het Frequentiebesluit 2013, verleent de minister aan de aanvrager een vergunning voor het gebruik van de in diens aanvraag vermelde hoeveelheid frequentieruimte.

Artikel 7
1.

Indien de minister een besluit neemt, als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel a, van het Frequentiebesluit 2013, deelt de minister iedere aanvrager mee aan wie de vergunningen zullen worden verleend.

2.

De frequentieruimte waarop de vergunningen die aan een aanvrager worden verleend, betrekking hebben, is indien mogelijk aaneengesloten.

3.

Indien het totaal aan frequentieruimte waarop de te verlenen vergunningen betrekking hebben, kleiner is dan de beschikbare frequentieruimte binnen de band, worden de vergunningen zodanig verleend dat de frequentieruimte binnen de band waarvoor geen vergunning wordt verleend aaneengesloten is.

4.

Met inachtneming van het tweede en derde lid worden, indien dit mogelijk is voor alle aanvragers aan wie vergunningen worden verleend en die een voorkeur hebben opgegeven bij de aanvraag, de vergunningen verleend overeenkomstig de voorkeur die bij de aanvraag is opgegeven.

5.

Indien binnen een frequentieband aan meerdere aanvragers vergunningen worden verleend, en toepassing van het vierde lid niet voor elk van de aanvragers aan wie vergunningen worden verleend en die een voorkeur hebben opgegeven bij de aanvraag mogelijk is, worden alle aanvragers aan wie vergunningen worden verleend gedurende vier weken vanaf de mededeling bedoeld in het eerste lid in de gelegenheid gesteld om, met inachtneming van het tweede en derde lid, onderling overeen te komen voor welke frequentieruimte vergunningen worden verleend aan welke aanvrager. Indien na afloop van de periode bedoeld in de eerste volzin niet alle aanvragers aan wie vergunningen worden verleend tot overeenstemming zijn gekomen, bepaalt de minister door middel van een loting, met inachtneming van het tweede en derde lid, voor welke frequentieruimte vergunningen worden verleend aan welke aanvrager.

6.

Indien toepassing van het vierde lid mogelijk is voor elk van de aanvragers aan wie vergunningen worden verleend die een voorkeur hebben opgegeven bij de aanvraag, is het vijfde lid van overeenkomstige toepassing op de verdeling van de na toepassing van het vierde lid resterende frequentieruimte tussen de aanvragers aan wie vergunningen zullen worden verleend en die bij de aanvraag hebben opgegeven geen voorkeur te hebben.

7.

De minister deelt iedere aanvrager mee voor welke frequentieruimte de vergunningen zijn verleend en aan welke aanvrager. De minister maakt de datum van het einde van de VOA-procedure en de nadien nog beschikbare frequentieruimte binnen de band waarop de procedure betrekking had, bekend.

§ 4. Veiling

Artikel 8

Indien de Minister een besluit als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel b, van het Frequentiebesluit 2013 heeft genomen zijn de artikelen 9 tot en met 25 van toepassing.

Artikel 9
1.

De veiling vindt plaats door middel van internet, met behulp van een elektronisch veilingsysteem.

2.

Biedingen worden uitsluitend uitgebracht door middel van het elektronisch veilingsysteem.

3.

Andere communicatie vindt plaats via het elektronisch veilingsysteem dan wel telefonisch of via een door de minister bekendgemaakt elektronisch communicatiekanaal, waarbij de deelnemer bereikbaar is op het door hem in zijn aanvraag opgegeven telefoonnummer en een door de minister aan te wijzen elektronisch communicatiekanaal en de minister bereikbaar is op het telefoonnummer en elektronisch communicatiekanaal bedoeld in artikel 10, tweede lid, onderdeel e.

4.

De veiling wordt uitsluitend op werkdagen gehouden.

5.

De minister leidt de veiling en draagt zorg voor een goed verloop van de veiling.

Artikel 10
1.

De minister deelt iedere aanvrager schriftelijk mee of hij als deelnemer wordt toegelaten tot de veiling. Degene die een aanvraag heeft ingediend die voldoet aan de eisen van de artikelen 2 en 4 wordt toegelaten tot de veiling.

2.

De minister deelt een deelnemer uiterlijk twee weken voor de aanvang van de veiling schriftelijk mee:

Artikel 11
1.

Een aanvrager, inbegrepen diegene die een aanvrager ten behoeve van de veiling bijstaat of een lid van de groep van een aanvrager, verspreidt geen vertrouwelijke informatie en doet geen vertrouwelijke informatie verspreiden aan een andere aanvrager of een derde, en maakt geen vertrouwelijke informatie openbaar tot de mededeling bedoeld in artikel 24, zevende lid. De vorige volzin is na de mededeling bedoeld in artikel 24, derde lid, niet van toepassing op communicatie over de hoeveelheid, soort of combinatie van vergunningen tussen winnende deelnemers ten behoeve van het bereiken van de overeenstemming, bedoeld in artikel 24, vijfde en zesde lid.

2.

Een aanvrager, inbegrepen diegene die een aanvrager ten behoeve van de veiling bijstaat of een lid van de groep van een aanvrager, onthoudt zich voorafgaand aan en gedurende de veilingprocedure van afspraken of gedragingen die afbreuk doen of kunnen doen aan een goed verloop van de veiling, de mededinging in de veilingprocedure daaronder begrepen.

3.

Indien naar het oordeel van de minister sprake is van gedragingen in strijd met het eerste of tweede lid, kan de minister de veiling opschorten voor een termijn van ten hoogste één jaar.

4.

De minister kan een aanvrager die naar het oordeel van de minister handelt in strijd met het eerste of tweede lid van deelname of van verdere deelname aan de veiling uitsluiten.

5.

Indien een deelnemer in strijd heeft gehandeld met het eerste of tweede lid, kan de minister:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.