Wet van 7 maart 2013, houdende regels inzake de subsidiëring en het toezicht op de financiën van politieke partijen (Wet financiering politieke partijen)
§ 1. Algemene bepalingen
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 7
Onze Minister verstrekt na een daartoe strekkende aanvraag subsidie aan een politieke partij indien die partij op de peildatum beschikt over 1 000 leden die vergader- en stemrechten hebben in de politieke partij en elk per jaar minimaal € 12 contributie betalen. Het lidmaatschap blijkt uit een uitdrukkelijke wilsverklaring van betrokkene.
De subsidie wordt verstrekt voor uitgaven die direct samenhangen met de volgende activiteiten:
- a. politieke vormings- en scholingsactiviteiten;
- b. informatievoorziening;
- c. het onderhouden van contacten met zusterpartijen buiten Nederland en het ondersteunen van vormings- en scholingsactiviteiten ten behoeve van het kader van die partijen;
- d. politiek-wetenschappelijke activiteiten;
- e. activiteiten ter bevordering van de politieke participatie van jongeren;
- f. het werven van leden;
- g. het betrekken van niet-leden bij activiteiten van de politieke partij;
- h. werving, selectie en begeleiding van politieke ambtsdragers;
- i. activiteiten in het kader van verkiezingscampagnes.
De subsidie wordt per kalenderjaar verstrekt.
Artikel 8
De subsidie bedraagt ten hoogste de som van de volgende bedragen:
- a. een basisbedrag van € 273.058, per kamerzetel van de politieke partij een bedrag van € 82.022 en per lid van de politieke partij een bedrag dat gelijk is aan € 3.042.199 gedeeld door het totale aantal leden van de politieke partijen die op de peildatum subsidie ontvangen;
- b. indien de politieke partij op de peildatum een politiek-wetenschappelijk instituut heeft aangewezen als neveninstelling als bedoeld in artikel 2, een basisbedrag van € 198.919 en een bedrag van € 20.609 per kamerzetel van de politieke partij;
- c. indien de politieke partij op de peildatum een politieke jongerenorganisatie heeft aangewezen als neveninstelling als bedoeld in artikel 3, een basisbedrag dat gelijk is aan € 356.927 gedeeld door het aantal politieke jongerenorganisaties die op de peildatum in aanmerking komen voor subsidie, een bedrag per kamerzetel van de politieke partij dat gelijk is aan € 1.160.013 gedeeld door het totale aantal kamerzetels van de politieke partijen die op de peildatum een politieke jongerenorganisatie hebben aangewezen en een bedrag per lid van de politieke jongerenorganisatie dat gelijk is aan € 267.696 gedeeld door het totale aantal leden van alle aangewezen politieke jongerenorganisaties;
- d. indien de politieke partij op de peildatum een instelling voor buitenlandse activiteiten heeft aangewezen als neveninstelling als bedoeld in artikel 4, een basisbedrag en een bedrag per kamerzetel van de politieke partij, berekend overeenkomstig het derde lid.
Het basisbedrag, bedoeld in het eerste lid, onder d, wordt berekend door € 754.525 te delen door het totale aantal politieke partijen dat op de peildatum een instelling voor buitenlandse activiteiten heeft aangewezen. Het bedrag per kamerzetel, bedoeld in het eerste lid, onder d, wordt berekend door € 1.085.780 te delen door het totale aantal kamerzetels van de politieke partijen die op de peildatum een instelling voor buitenlandse activiteiten hebben aangewezen.
Voor de toepassing van het eerste en tweede lid wordt voor de vaststelling van het aantal kamerzetels van een politieke partij, het aantal leden van een politieke partij en het aantal leden van een politieke jongerenorganisatie uitgegaan van de peildatum.
De bedragen, genoemd in het eerste en tweede lid, worden jaarlijks met ingang van 1 januari bij ministeriële regeling gewijzigd, overeenkomstig de voor de rijksbegroting gehanteerde loon- en prijsbijstelling en afgerond op het naastbij gelegen gehele getal.
Artikel 9
De subsidie, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder b, wordt slechts verstrekt voor die uitgaven van het aangewezen politiek-wetenschappelijk instituut, die zijn gericht op politiek-wetenschappelijke activiteiten met als voorwaarde dat de politieke partij ten minste het ten behoeve van het politiek-wetenschappelijk instituut verstrekte bedrag betaalt aan het politiek-wetenschappelijk instituut.
De subsidie, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder c, wordt slechts verstrekt voor die uitgaven van de aangeduide politieke jongerenorganisatie, die zijn gericht op activiteiten ter bevordering van de politieke participatie van jongeren met als voorwaarde dat de partij ten minste het ten behoeve van de politieke jongerenorganisatie verstrekte bedrag aan de politieke jongerenorganisatie betaalt.
De subsidie, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder d, wordt slechts verstrekt voor die uitgaven van de aangewezen instelling voor buitenlandse activiteiten, die zijn gericht op activiteiten ter ondersteuning van zusterpartijen en – organisaties buiten Nederland bij vormings- en scholingsactiviteiten, met als voorwaarde dat de politieke partij ten minste het ten behoeve van de instelling voor buitenlandse activiteiten verstrekte bedrag betaalt aan de instelling voor buitenlandse activiteiten.
Aan de betaling, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, verbindt de politieke partij geen andere voorwaarden dan die welke voortvloeien uit de toepassing van deze wet.
Artikel 10
Indien politieke partijen bij de laatstgehouden verkiezing van de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal een samenvoeging van hun geregistreerde aanduidingen of afkortingen daarvan boven de kandidatenlijst hebben geplaatst, gelden in afwijking van artikel 8, eerste lid, de basisbedragen, genoemd in dat lid, voor deze partijen gezamenlijk en worden deze bedragen verdeeld naar evenredigheid van hun kamerzetels. Voor de vaststelling van het aantal kamerzetels van de betrokken politieke partijen, wordt uitgegaan van een daartoe strekkende verklaring van de betrokken politieke partijen. Bij gebreke van een zodanige verklaring, worden de basisbedragen verdeeld naar evenredigheid van het aantal betrokken partijen.
De verdeling van het basisbedrag voor het politiek-wetenschappelijk instituut, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder b, vindt slechts plaats voor zover de politieke partijen een politiek-wetenschappelijk instituut hebben aangewezen. De verdeling van het basisbedrag voor een instelling voor buitenlandse activiteiten als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder d, vindt slechts plaats voor zover de politieke partijen een instelling voor buitenlandse activiteiten hebben aangewezen.
Artikel 11
De aanvraag tot verlening van de subsidie en een voorschot op deze subsidie voor een kalenderjaar worden voor 1 november van het voorafgaande jaar bij Onze Minister ingediend.
De aanvraag gaat vergezeld van een activiteitenplan, een begroting, een raming van de ledentallen van de politieke partij op de peildatum en, indien van toepassing, van de aangewezen politieke jongerenorganisatie.
Onze Minister verleent na een daartoe strekkende aanvraag een voorschot op de subsidie. Het voorschot bedraagt 80% van de subsidie die aan de politieke partij wordt verleend.
Onze Minister verleent de subsidie en het voorschot op de subsidie vóór 1 januari van het kalenderjaar.
Indien Onze Minister de subsidie of het voorschot niet binnen de termijn, genoemd in het vierde lid, kan verlenen, stelt Onze Minister de politieke partij daarvan schriftelijk in kennis en noemt hij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking alsnog wordt genomen.
Bij ministeriële regeling kunnen eisen worden gesteld aan de inrichting van het activiteitenplan, de begroting en de opgave van de ledentallen van de politieke partij en van de aangeduide politieke jongerenorganisatie voorzover van belang voor de verlening van de subsidie.
De artikelen 4:37 en 4:40 van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet van toepassing.
Artikel 12
De aanvraag tot vaststelling van de subsidie voor een kalenderjaar wordt vóór 1 juli van het volgende kalenderjaar ingediend bij Onze Minister, tezamen met het financieel verslag, bedoeld in de artikelen 25, eerste lid, onder a, en 26, en het activiteitenverslag, bedoeld in artikel 26, onder e.
Onze Minister stelt vervolgens de subsidie vast vóór 1 november.
Indien Onze Minister de subsidie niet voor de in het tweede lid bepaalde datum kan vaststellen, stelt Onze Minister de politieke partij daarvan schriftelijk in kennis en noemt hij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking alsnog wordt genomen.
Indien bij de vaststelling de accountantsverklaring omtrent de juistheid van de opgegeven ledentallen, bedoeld in artikel 26, onder d, ontbreekt, vervallen voor deze partij de op deze ledentallen gebaseerde bedragen per lid, bedoeld in artikel 8, eerste lid.
Artikel 13
Indien een verkiezing van de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal voor een politieke partij leidt tot een toename van het aantal kamerzetels waarop de subsidie is gebaseerd, past Onze Minister de subsidie die aan de politieke partij is verleend gedurende één kalenderjaar ambtshalve aan op de eerste dag van ieder kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin de stemming plaatsvond.
De aanpassing van de subsidie bedraagt elk kwartaal een vierde deel van het verschil tussen de subsidie die aan een politieke partij is verleend op basis van het oude aantal kamerzetels en de subsidie gebaseerd op het nieuwe aantal kamerzetels.
Bij de toepassing van het eerste en tweede lid blijven de op grond van artikel 8 berekende bedragen ongewijzigd.
Artikel 14
Indien een verkiezing van de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal er toe leidt dat een politieke partij die subsidie ontvangt geen of minder kamerzetels krijgt toegewezen, past Onze Minister de subsidie die aan de politieke partij is verleend gedurende één kalenderjaar ambtshalve aan op de eerste dag van ieder kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin de stemming plaatsvond.
De aanpassing van de subsidie, bedoeld in het eerste lid, bedraagt elk kwartaal een vierde deel van het verschil tussen de subsidie die aan een politieke partij is verleend op basis van het oude aantal kamerzetels en de subsidie gebaseerd op het nieuwe aantal kamerzetels.
Bij de toepassing van het eerste en tweede lid blijven de op grond van artikel 8 berekende bedragen ongewijzigd.
Artikel 15
Indien een verkiezing van de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal er toe leidt dat aan de lijst van een politieke partij waaraan bij de voorgaande verkiezingen geen zetels waren toegewezen, één of meer kamerzetels worden toegewezen, komt deze partij voor subsidie in aanmerking met ingang van de eerste dag van de derde kalendermaand, voorafgaand aan de maand waarin de stemming plaatsvond. Voor die politieke partij geldt, in afwijking van artikel 1, onder k, de eerste dag van de kalendermaand die volgt op de maand waarin de stemming plaatsvond, als peildatum.
De aanvraag tot de verlening van de subsidie en een voorschot op deze subsidie wordt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier maanden na de peildatum, bedoeld in het eerste lid, ingediend. Artikel 11 is van toepassing met dien verstande dat Onze Minister de subsidie en het voorschot op de subsidie verleent binnen twee maanden na ontvangst van de aanvraag.
Bij de toepassing van het eerste en tweede lid blijven de op grond van artikel 8 berekende bedragen ongewijzigd.
Een op grond van dit artikel verleende subsidie kan mede worden aangewend voor de uitgaven, bedoeld in artikel 7 die samenhangen met activiteiten die plaatsvonden in de periode die aanvangt op de eerste dag van de zesde maand voorafgaande aan de maand waarin de stemming plaatsvond.
Artikel 16
Indien een fractie van een politieke partij in de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt gesplitst en een nieuwe fractie die als gevolg hiervan is ontstaan, verbonden is met een vereniging waarvan de aanduiding op grond van artikel G 1 van de Kieswet is geregistreerd in het register van aanduidingen voor de verkiezing van leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, wordt deze vereniging aangemerkt als politieke partij als bedoeld in artikel 1, onder b. De verbondenheid met de politieke partij dient te blijken uit een gezamenlijke verklaring van de nieuwe fractie en de partij.
Indien alle leden van een fractie een nieuwe fractie vormen, wordt dit voor de toepassing van dit artikel gelijkgesteld met een splitsing van een fractie.
Artikel 17
Artikel 16 is van overeenkomstige toepassing indien een fractie van een politieke partij in de Eerste Kamer der Staten-Generaal wordt gesplitst.
Artikel 18
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.