Uitvoeringsregeling verklaring rijksbelastingdienst over huishoudinkomen voor een inkomensafhankelijke huurverhoging
Gelet op artikel 252a, tweede lid, onderdeel c, en vierde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;
Besluit:
Artikel 1
De verhuurder, bedoeld in artikel 252a, vierde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, is degene, bedoeld in artikel 24, derde lid, onderdeel a, van de Wet waardering onroerende zaken, te wiens aanzien de beschikking, bedoeld in artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken, is genomen voor de door die verhuurder aangeduide woonruimte, bedoeld in artikel 252a, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, waarop het verzoek om een verklaring betrekking heeft.
Artikel 2
Het verzoek om een verklaring als bedoeld in artikel 252a, vierde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek wordt op de door de inspecteur, bedoeld in artikel 252a, tweede lid, onderdeel c, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, aangegeven wijze langs elektronische weg gedaan.
Artikel 3
De verhuurder geeft de plaats van de woonruimte, bedoeld in artikel 252a, vierde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, aan met behulp van de postcode, het huisnummer en, zo nodig, een huisnummertoevoeging.
Artikel 4
De verklaring, bedoeld in artikel 252a, vierde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, wordt op de door de inspecteur, bedoeld in artikel 252a, tweede lid, onderdeel c, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, aangegeven wijze langs elektronische weg verstrekt en is voorzien van de datum van afgifte ervan.
Artikel 5
Wijzigt de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003.
Artikel 6
Indien het bij koninklijke boodschap van 22 december 2011 ingediende voorstel van wet tot wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (huurverhoging op grond van inkomen) (Kamerstukken 33 129) tot wet is of wordt verheven en die wet in werking treedt, treedt deze regeling op hetzelfde tijdstip in werking.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.