Besluit van 25 maart 2013 tot wijziging van een aantal algemene maatregelen van bestuur in verband met regels inzake bodemenergiesystemen en enkele technische verbeteringen
Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, van 9 juli 2012, nr. IenM/BSK-2012/132287, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;
Gelet op richtlijn nr. 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG (PbEU 2009, L 140) en op de artikelen 8.40, eerste lid, 8.41, 8.42, 9.2.2.1, eerste lid, 9.2.2.6a, eerste lid, 10.2, tweede lid, 10.30, derde lid, en 11.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer, op de artikelen 6, eerste lid, 8, eerste en derde lid, 18, derde lid, en 65, eerste lid, van de Wet bodembescherming, op artikel 2.1, eerste lid, onder i, en 2.17 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en op de artikelen 4.3, eerste lid, 6.5, aanhef en onder c, 6.6, eerste lid, 6.16, eerste lid, en 6.20, tweede lid, van de Waterwet;
De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 24 september 2012, No. W14.12.0304/IV);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van 22 maart 2013, nr. IenM/BSK-2013/53797, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel I
Wijzigt het Activiteitenbesluit milieubeheer.
Artikel II
Wijzigt het Besluit bodemkwaliteit.
Artikel III
Wijzigt het Besluit hernieuwbare energie vervoer.
Artikel IV
Wijzigt het Besluit lozen buiten inrichtingen.
Artikel V
Wijzigt het Besluit lozing afvalwater huishoudens.
Artikel VI
Wijzigt het Besluit omgevingsrecht.
Artikel VII
Wijzigt het Waterbesluit.
Artikel VIII
Onze Minister zendt voor 1 juli 2016 aan de Staten-Generaal een verslag over de werking van de in dit besluit opgenomen regels met betrekking tot bodemenergiesystemen in de praktijk.
In het verslag wordt met betrekking tot bodemenergiesystemen in elk geval ingegaan op de volgende onderwerpen:
- a. de aantallen meldingen en vergunningaanvragen die zijn ontvangen;
- b. de hoogte van de temperatuur van het water dat mag worden gebruikt;
- c. de lengte van de periode waarin een energiebalans moet worden aangetoond;
- d. de eisen die aan monitoring worden gesteld;
- e. het energierendement dat in de praktijk wordt behaald;
- f. de mogelijkheid van regulering van het te behalen energierendement;
- g. het optreden van interferentie met ander gebruik van de ondergrond en de problemen die daardoor ontstaan;
- h. de ervaringen met het lozen van afvalwater;
- i. de toepassing van het besluit in interferentiegebieden;
- j. de stand van zaken met betrekking tot de erkenning van bedrijven en de aanwijzing van normdocumenten voor werkzaamheden op grond van het Besluit bodemkwaliteit;
- k. het gebruik van de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften;
- l. het gebruik van de bevoegdheid op een aanvraag om een watervergunning te besluiten volgens de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel IX
Een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onderdeel e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht die van kracht en onherroepelijk was onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel VI, onderdeel B, wordt, voor zover die omgevingsvergunning een activiteit betreft die in artikel VI, onderdeel B, is aangewezen, gelijkgesteld met een omgevingsvergunning voor die activiteit op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onderdeel i, van die wet.
Onverminderd artikel 6.4, derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer blijft op een aanvraag om een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onderdeel e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor zover die aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op een activiteit die in artikel VI, onderdeel B, is aangewezen, het recht van toepassing zoals dat gold onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel VI, onderdeel B, indien:
- a. die aanvraag is ingediend voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel VI, onderdeel B, en
- b. op die aanvraag vóór het tijdstip, bedoeld in onderdeel a, nog niet onherroepelijk is beslist.
In gevallen als bedoeld in het tweede lid wordt een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onderdeel e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gelijkgesteld met een omgevingsvergunning voor de betrokken activiteit op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onderdeel i, van die wet op het tijdstip waarop de omgevingsvergunning onherroepelijk is geworden. De voorschriften die aan die omgevingsvergunning zijn verbonden, worden overeenkomstig artikel 6.1, eerste of vierde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer aangemerkt als maatwerkvoorschriften.
Artikel X
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2013.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.