← Geldende tekst · Geschiedenis

Regeling recreatieve luchtvaart op militaire luchthavens

Geldende tekst a fecha 2017-01-01

Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu;

Gelet op de artikelen 23, vijfde lid, en 29 van het Besluit militaire luchthavens;

Besluit:

Artikel 1. Definities

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2. Algemene vereisten coördinatoren

Als hoofdvliegcoördinator of coördinator kan uitsluitend worden aangewezen degene die:

Artikel 3. Hoofdvliegcoördinator
1.

De commandant van de militaire luchthaven waarop recreatieve luchtvaart plaatsvindt, wijst op voordracht van de recreatieve vliegclubs die gevestigd zijn op de betrokken luchthaven, een hoofdvliegcoördinator aan.

2.

De hoofdvliegcoördinator voldoet aan de volgende eisen:

Artikel 4. Coördinator
1.

De commandant van de militaire luchthaven waar zweefvliegen, motorsportvliegen, modelvliegen of zeilvliegen plaatsvindt, wijst op voordracht van de vliegclubs die voor de betrokken vorm van recreatieve luchtvaart gevestigd zijn op de luchthaven, voor die vorm van recreatieve luchtvaart een coördinator aan.

2.

De coördinator voldoet aan de volgende eisen:

Artikel 5. Taakuitoefening door hoofdvliegcoördinator en coördinatoren
1.

De hoofdvliegcoördinator onderscheidenlijk de coördinator ziet er op toe dat:

2.

De hoofdvliegcoördinator coördineert de vliegoperaties vanaf de verschillende banen in nauw overleg met de coördinatoren voor de betrokken vormen van recreatieve luchtvaart. Hij onderhoudt voorts nauw contact met de commandant van de militaire luchthaven of een door deze aangewezen functionaris.

3.

Alvorens zijn taak uit te voeren, meldt de coördinator zich voor het in ontvangst nemen van instructies bij de hoofdvliegcoördinator.

4.

Indien een coördinator verneemt of constateert dat schade aan het terrein is ontstaan of dreigt te ontstaan, treft hij zodanige maatregelen dat verdere schade wordt voorkomen. Zo nodig stopt hij de luchtvaartactiviteiten op het desbetreffende terreingedeelte.

5.

Bij ongevallen die verband houden met de beoefening van de recreatieve luchtvaart, doet de hoofdvliegcoördinator of de betrokken coördinator alles wat in zijn vermogen ligt om letsel en schade aan personen en zaken te voorkomen dan wel tot een minimum te beperken. Op het eerste daartoe gedane verzoek draagt een coördinator de leiding over aan de hoofdvliegcoördinator of een door de commandant aangewezen functionaris.

6.

Ingeval van schade aan het terrein of een ongeval doet de coördinator hiervan schriftelijk melding aan de commandant van de militaire luchthaven.

7.

De hoofdvliegcoördinator noteert de gegevens van de bij hem ingediende vliegplannen. Hij geeft vluchtgegevens door aan het AOCS Nieuw Milligen. Hij controleert of de werkelijke tijden overeenkomen met de in de vluchtplannen opgegeven verwachte tijden. Bij overschrijding van de verwachte aankomsttijd (ETA) met meer dan 30 minuten neemt hij actie.

8.

Na het einde van de beoefening van de recreatieve luchtvaart controleert de coördinator het benutte terreingedeelte inclusief de toegangswegen tot het landingsterrein. Vervolgens meldt hij zich af bij de hoofdvliegcoördinator.

Artikel 6. Motorsportvliegen
1.

Het motorsportvliegen wordt uitsluitend beoefend op de gedeelten van de luchthaven die daarvoor zijn aangewezen door de commandant van de militaire luchthaven.

2.

Er wordt voortdurend op gelet dat het landingsterrein niet wordt beschadigd. Bij beschadiging wordt het motorsportvliegen op het betrokken deel van het terrein beëindigd. Indien een bij het motorsportvliegen betrokkene schade constateert, licht hij onmiddellijk de motorsportvliegcoördinator dan wel de hoofdvliegcoördinator in.

3.

De minimumafmetingen van een graslandingsbaan ten behoeve van het motorsportvliegen zijn:

4.

Indien het motorsportvliegen plaatsvindt vanaf een ander terreingedeelte dan vanaf de normale start- en landingsbanen, is de in gebruik zijnde graslandingsbaan als zodanig herkenbaar afgebakend en – zo de terreinomstandigheden dit toelaten – in de windrichting uitgezet.

5.

De afstand tussen de in het derde lid bedoelde graslandingsbaan en een evenwijdig daaraan gelegen zweefvliegbaan bedraagt ten minste 150 m.

6.

Bij het motorsportvliegen vanaf een militaire luchthaven gelden de volgende weerlimieten:

a. wolkenbasis minimaal 1500 voet
b. vlieg- en grondzicht minimaal 5 kilometer
c. windsnelheid inclusief uitschieters maximaal 25 knopen
7.

In afwijking van het zesde lid is het beoefenen van het motorsportvliegen toegestaan bij een vlieg- en grondzichtwaarde tussen 3 en 5 kilometer onder de volgende aanvullende bepalingen:

8.

De motorsportvliegcoördinator kan houders van een geldig vliegbewijs incidenteel toestaan te vliegen bij een hogere windsnelheid dan 25 knopen ten aanzien van door hem te bepalen vluchten.

9.

Het motorsportvliegen is slechts toegestaan, indien:

10.

De vlieger is bij de voorbereiding en uitvoering van de vlucht gehouden tot naleving van de op de militaire luchthaven van toepassing zijnde plaatselijke regelingen.

11.

De vlieger meldt zich voor de aanvang en na beëindiging van elke vlucht persoonlijk bij de motorsportvliegcoördinator.

Artikel 7. Zweefvliegen
1.

Een zweefvliegbaan is een voor het starten en landen van zweefvliegtuigen ingericht deel van een luchthaven. Afhankelijk van de startmethode wordt onderscheid gemaakt in lierbanen en sleepbanen.

2.

Een lierbaan is een zweefvliegbaan waarbij voor het starten van zweefvliegtuigen gebruik wordt gemaakt van een lierinrichting. Een lierbaan omvat:

3.

Een sleepbaan is een zweefvliegbaan waarbij voor het starten van zweefvliegtuigen gebruik wordt gemaakt van voor het opslepen van zweefvliegtuigen ingerichte motorvliegtuigen. Een sleepbaan omvat:

4.

Een zweefvliegbaan voldoet aan de volgende minimumeisen:

5.

Het gebruik van de zweefvliegbaan voldoet aan de volgende eisen:

6.

Landingsplaatsen en startplaatsen voldoen aan de volgende eisen:

7.

Er wordt voortdurend op gelet dat het landingsterrein niet wordt beschadigd. Bijzondere aandacht wordt daarbij besteed aan de conditie van de grasmat. Beschadiging door starts of landingen en uitrijden van lierkabels wordt voorkomen. Bij de eerste tekenen van een dergelijke schade wordt het zweefvliegen op het betrokken deel van het terrein beëindigd. Indien een bij het zweefvliegen betrokkene schade constateert, licht hij onmiddellijk de zweefvliegcoördinator dan wel de hoofdvliegcoördinator in.

8.

De obstakelvrije zones voor een zweefvliegbaan voldoen aan de volgende eisen:

9.

Sleepvluchten mogen slechts worden uitgevoerd, indien:

10.

De sleepvlieger is bij de voorbereiding en uitvoering van sleepvluchten gehouden tot naleving van de op de militaire luchthaven van toepassing zijnde plaatselijke regelingen.

11.

Het gelijktijdig beoefenen van de lierstartmethode en de sleepstartmethode, de motorzwever daaronder begrepen, is slechts toegestaan wanneer de lierstartstrook en de sleepstartstrook of startstrook motorzwever volkomen van elkaar gescheiden zijn. Indien de assen van de stroken onderling evenwijdig lopen, dienen deze assen minimaal 150 meter ten opzichte van elkaar te zijn gelegen.

12.

Voor het starten van zweefvliegtuigen vanaf een militaire luchthaven gelden de volgende weerlimieten:

Lierstarts Sleepstarts
a. wolkenbasis minimaal 1000 voet 1500 voet
b. vlieg- en grondzicht minimaal 3 kilometer 5 kilometer
c. windsnelheid inclusief uitschieters maximaal 25 knopen 20 knopen

Voor motorzweefvliegen gelden de weerlimieten voor sleepstarts.

13.

De zweefvliegcoördinator kan houders van een zweefvliegbewijs incidenteel toestaan met behulp van een lier te starten bij een hogere windsnelheid dan 25 knopen ten aanzien van door hem te bepalen vluchten.

Artikel 8. Modelvliegen
1.

Het modelvliegen wordt uitsluitend uitgeoefend op de terreingedeelten die daarvoor zijn aangewezen door de commandant van de militaire luchthaven.

2.

Het voor modelvliegen gebruikte terreingedeelte is volkomen gescheiden van alle overige voor recreatieve luchtvaart gebruikte terreingedeelten en circuits.

3.

De vlieger is bij de voorbereiding en uitvoering van de vlucht gehouden tot naleving van de op de militaire luchthaven van toepassing zijnde plaatselijke regelingen.

Artikel 9. Zeilvliegen
1.

Het zeilvliegen wordt uitsluitend beoefend op de terreingedeelten die daarvoor zijn aangewezen door de commandant van de militaire luchthaven.

2.

Het voor zeilvliegen gebruikte terreingedeelte is volkomen gescheiden van alle overige voor recreatieve luchtvaart gebruikte terreingedeelten en circuits.

3.

De vlieger is bij de voorbereiding en uitvoering van de vlucht gehouden tot naleving van de op de militaire luchthaven van toepassing zijnde plaatselijke regelingen.

Artikel 10. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 17 juni 2013.

Artikel 11. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling recreatieve luchtvaart op militaire luchthavens.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.