Besluit van 9 februari 2004 houdende de algemene eisen voor de opleiding, registratie en herregistratie van medisch specialisten en voor de erkenning van opleiders, plaatsvervangend opleiders, stageopleiders en opleidingsinrichtingen

Type ZBO-regeling
Publication 2007-10-20
State In force
Source BWB
artikelen Not indexed
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 14, tweede lid, onder c van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg en artikel 12, eerste lid, van de Regeling specialisten geneeskunst van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst;

Gezien de adviezen van het Federatiebestuur van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst, de Orde van Medisch Specialisten, de Landelijke vereniging van Artsen in Dienstverband en de Medisch Specialisten Registratie Commissie;

Besluit:

Hoofdstuk A. Algemene bepalingen

Artikel A.1. Begripsomschrijvingen

In dit besluit wordt verstaan onder:

  • a. afdeling: onderdeel van een inrichting;
  • b. aios: arts(en) in opleiding tot (medisch) specialist;
  • c. algemene competentie: competentie die voor ieder specialisme van toepassing is, zoals neergelegd in artikel B.2, derde lid;
  • d. AVGIO-commissie: vertegenwoordiging van artsen voor verstandelijk gehandicapten in opleiding;
  • e. Beoordelingsstage: een stage in een opleidingsinrichting voor een arts die buiten Nederland een specialisatie met goed gevolg heeft afgerond waarbij de kennis en beroepsuitoefening getoetst wordt op gelijkwaardigheid aan het eindniveau van de Nederlandse opleiding voor het betreffende medisch specialisme;
  • f. bestuurlijke eenheid: eenheid die wordt gevormd doordat de instelling wordt geleid door één Raad van Bestuur, centrale directie, bestuursraad of bestuur;
  • g. centrale opleidingscommissie: een in iedere opleidingsinrichting aanwezig overlegorgaan ter handhaving en bevordering van een optimaal opleidingsklimaat;
  • h. co-assistent: de student in opleiding tot arts die het klinisch gedeelte van de opleiding volgt;
  • i. competentie: een getoonde bekwaamheid of gedragsrepertoire waaruit blijkt dat kennis, vaardigheden, attitude, eigenschappen en inzichten in het handelen zijn geïntegreerd;
  • j. CvG: de Commissie voor Geschillen;
  • k. dagdeel: een aaneengesloten periode overdag van vier uur;
  • l. deskundigheidsbevordering: het geheel van activiteiten dat er op is gericht de kwaliteit van de eigen beroepsuitoefening te handhaven op het eindniveau van de vigerende opleiding en deze te verdiepen en verbreden in afstemming op de eisen van de eigen beroepspraktijk door geaccrediteerde bij- en nascholing;
  • m. EER: Europees Economische Ruimte;
  • n. geaccrediteerde bij- en nascholing: waardering van de betreffende wetenschappelijke medisch specialistenvereniging van de kwaliteit en de onafhankelijkheid van bij- en nascholingsactiviteiten, die kwantitatief tot uitdrukking wordt gebracht in het aantal toe te kennen accreditatieuren;
  • o. gedeelte van de opleiding: een in tijd en inhoud omschreven onderdeel van de opleiding in een medisch specialisme;
  • p. inrichting: een, al dan niet over meerdere locaties verspreide, bestuurlijk samenhangende instelling waar medisch specialisten werkzaam zijn en waar een of meer medisch specialismen uitgeoefend worden;
  • q. klinisch wetenschappelijk onderzoek: in een kliniek of onder verantwoordelijkheid van een kliniek uitgevoerd onderzoek, begeleid door een als zodanig opgeleide onderzoeker werkzaam bij een universiteit of instelling die mede het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek in haar missie heeft opgenomen;
  • r. kwaliteitsvisitatie: visitatie uitgevoerd door een wetenschappelijke medisch specialisten vereniging van een individuele specialist of de afdeling waar deze werkzaam is ter bevordering van de kwaliteit van de zorg;
  • s. mediator: persoon die het proces bij conflictbemiddeling begeleidt en als mediator geregistreerd is bij het Nederlands Mediation Instituut;
  • t. medisch specialisme: een deelgebied van de geneeskunde dat door het CCMS als zodanig is aangewezen;
  • u. medisch specialistische kennis en ervaring verkregen buiten het kader van de opleiding: kennis en ervaring in een erkend medisch specialisme, welke in Nederland na het artsexamen en buiten de opleiding tot medisch specialist in een opleidingsinrichting is verkregen;
  • v. onderzoeksbegeleider: begeleider van een klinisch wetenschappelijk onderzoeksproject;
  • w. opleider: een door de MSRC voor de opleiding erkende medisch specialist onder wiens verantwoordelijkheid de gehele opleiding of een gedeelte van de opleiding tot medisch specialist plaatsvindt;
  • x. opleiding: de opleiding of gedeelte van de opleiding in Nederland tot medisch specialist;
  • y. opleidingsgroep: het samenwerkingsverband van de medisch specialisten, inclusief de opleider en plaatsvervangend opleider, van een opleidingsinrichting betrokken bij de opleiding van het desbetreffende specialisme;
  • z. opleidingsinrichting: een inrichting in Nederland die door de MSRC voor het verzorgen van één of meer opleidingen tot medisch specialist is erkend en waar de gehele of een gedeelte van de opleiding plaatsvindt;
  • aa. opleidingsregister: een register van aios;
  • bb. patiëntgebonden zorg: de zorgverlening die bestaat uit de componenten klinische werkzaamheid, poliklinische werkzaamheid, consultatieve activiteiten, patiëntgebonden opleidingsactiviteiten en patiëntenbesprekingen;
  • cc. plaatsvervangend opleider: de opleider die als zodanig op voordracht van de opleider en de opleidingsinrichting door de MSRC is aangewezen en die voor een bepaalde periode in de rechten en plichten van de opleider kan treden;
  • dd. plenaire visitatiecommissie: een per specialisme door de MSRC ingestelde adviescommissie;
  • ee. portfolio: een verzameling van documenten waarin de verplichtingen voortvloeiende uit dit besluit en de specifieke besluiten worden bijgehouden, waaruit de voortgang van de opleiding en de zelfreflectie van de aios blijken, met ten minste de documenten ten behoeve van de beoordeling van de aios, de gehouden voordrachten en referaten, de gepubliceerde artikelen, de gevolgde cursussen en de uitgevoerde verrichtingen;
  • ff. Richtlijn 2005/36/EG: Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (Pb Nr. L 255 van 30/09/2005 blz. 0022 - 0142);
  • gg. samengestelde opleiding: een opleiding die bestaat uit een vooropleiding in een ander medisch specialisme dan het eigenlijk gekozen medisch specialisme gevolgd door een vervolgopleiding in het eigenlijk gekozen medisch specialisme;
  • hh. specifiek besluit: besluit van het CCMS dat zij ter uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Regeling per specialisme vaststelt;
  • ii. stage: een gedeelte van de opleiding dat wordt gevolgd bij een opleidingsinrichting en dat in specifieke besluiten is omschreven wat betreft duur, inhoud en verplichte of facultatieve status;
  • jj. stage-eisen: eisen met betrekking tot de duur en de inhoud van de stage;
  • kk. stageopleider: de opleider die een stage als onderdeel van de opleiding in een medisch specialisme verzorgt;
  • mm. visitatie: een vorm van onderzoek naar het functioneren van de opleider, de plaatsvervangend opleider, de stageopleider, de inrichting of de opleidingsinrichting, op locatie met als doel een zo objectief mogelijk oordeel te verkrijgen of aan de eisen of verplichtingen voor erkenning is voldaan;
  • nn. visitatieprogramma: een onderzoek om de opleidingsinrichting of de opleider op basis van de besluiten van het CCMS te toetsen;
  • oo. visitatierapport: de op de daarvoor bestemde formulieren over een visitatie uitgebrachte rapportage en de eventueel daarbij gevoegde bescheiden;
  • pp. volledige werkweek: een volledige werkweek zoals bepaald in de CAO ziekenhuizen, de CAO GGZ en de CAO academische ziekenhuizen alsmede de Arbeidsvoorwaardenregeling Medisch Specialisten (AMS) en de Honoreringsregeling Academisch Medisch Specialisten (HAMS). Voor aios geldt de hiervoor omschreven werkweek, met daarbij opgeteld het aantal in voornoemde CAO’s genoemde opleidingsuren per week (zogenaamde normatieve werkweek);
  • qq. vrijstelling: de ontheffing van de verplichting deel te nemen aan een gedeelte van de opleiding met als gevolg feitelijke bekorting van de opleidingsduur;
  • rr. waarnemer: een medisch specialist die is ingeschreven in hetzelfde register als de opleider en de opleider gedurende een bepaalde periode waarneemt.
Artikel A.2. Toepassingsbereik besluit
1.

Het CCMS kan per medisch specialisme ter uitvoering van dit besluit specifieke besluiten vaststellen op de terreinen:

  • a. de opleiding;
  • b. de erkenning;
  • c. de (her)registratie.
2.

Van dit besluit kan niet worden afgeweken in specifieke besluiten of in besluiten van de MSRC tenzij dit uitdrukkelijk in dit besluit is bepaald.

3.

In specifieke besluiten kunnen de bepalingen in dit besluit worden aangevuld.

4.

In beleidsregels van de MSRC kunnen de bepalingen in dit besluit nader worden ingevuld.

5.

Op beslissingen van de MSRC, die niet onder de werking van deAlgemene wet bestuursrecht en de Regeling vallen, is artikel 3.4., tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.

Artikel A.3. Rechtsmiddelen

In elke individuele beslissing ingevolge dit besluit staat vermeld welk rechtsmiddel bij welke instantie en binnen welke termijn tegen de betreffende beslissing kan worden aangewend.

Artikel A.4. Experimenten
1.

In het kader van ontwikkeling van een opleiding kan het CCMS op eigen initiatief of op verzoek van een wetenschappelijke vereniging of van de MSRC besluiten tot afwijking van dit besluit of van een specifiek besluit.

2.

Bij toepassing van het eerste lid, gelden de volgende voorwaarden:

  • a. er is sprake van een in tijd begrensd experiment;
  • b. het experiment is projectmatig opgezet en kent een concreet doel alsmede een beschrijving van de wijze waarop het resultaat van het experiment getoetst wordt;
  • c. het experiment is door de MSRC op uitvoerbaarheid getoetst.
Artikel A.5. Medische specialismen

De volgende deelgebieden der geneeskunde worden in dit besluit als medisch specialisme aangewezen en daaraan zijn de genoemde titels verbonden:

  • a. anesthesiologie: anesthesioloog;
  • b. cardiologie: cardioloog;
  • c. cardio-thoracale chirurgie: cardiothoracaal chirurg;
  • d. dermatologie en venerologie: dermatoloog;
  • e. heelkunde: chirurg;
  • f. interne geneeskunde: internist;
  • g. keel- neus- oorheelkunde: keelneus- oorarts;
  • h. kindergeneeskunde: kinderarts;
  • i. klinische genetica: klinisch geneticus;
  • j. klinische geriatrie: klinisch geriater;
  • k. longziekten en tuberculose: longarts;
  • l. maag-darm-leverziekten: arts voor maag-darm-leverziekten;
  • m. medische microbiologie: artsmicrobioloog;
  • n. neurochirurgie: neurochirurg;
  • o. neurologie: neuroloog;
  • p. nucleaire geneeskunde : nucleair geneeskundige;
  • q. oogheelkunde: oogarts;
  • r. orthopedie: orthopedisch chirurg;
  • s. pathologie: patholoog;
  • t. plastische chirurgie: plastisch chirurg;
  • u. psychiatrie: psychiater;
  • v. radiologie: radioloog;
  • w. radiotherapie: radiotherapeut;
  • x. reumatologie: reumatoloog;
  • y. revalidatiegeneeskunde: revalidatiearts;
  • z. urologie: uroloog.
  • aa. verloskunde en gynaecologie: gynaecoloog.
Artikel A.6. Gesloten registers

Van de volgende deelgebieden der geneeskunde die niet meer als specialisme zijn erkend houdt de MSRC een register, met de bijbehorende titel:

  • a. allergologie: allergoloog;
  • b. interne geneeskunde-allergologie: internist-allergoloog;
  • c. zenuw- en zielsziekten: zenuwarts;
  • d. klinische chemie: arts klinische chemie.

Hoofdstuk B. De opleiding

Titel I. Opleidingseisen

Paragraaf I-A. Algemeen

Artikel B.1. Opleidingsinrichting

De opleiding wordt gevolgd bij een opleider of stageopleider in een opleidingsinrichting.

Artikel B.2. Competenties
1.

De opleiding is gericht op het verwerven van door het CCMS vastgestelde algemene competenties en specialismegebonden competenties voor de opleiding in het betreffende medisch specialisme.

2.

De specialismegebonden competenties zijn vastgelegd in specifieke besluiten.

3.

De in het eerste lid bedoelde algemene competenties zijn de volgende:

  • a. ten aanzien van medisch handelen:
  • i. De specialist bezit adequate kennis en vaardigheid naar de stand van het vakgebied;
  • ii. De specialist past het diagnostisch, therapeutisch en preventief arsenaal van het vakgebied goed en waar mogelijk evidence based toe;
  • iii. De specialist levert effectieve en ethisch verantwoorde patiëntenzorg;
  • iv. De specialist vindt snel de vereiste informatie en past deze goed toe;
  • b. ten aanzien van communicatie:
  • i. De specialist bouwt effectieve behandelrelaties met patiënten op;
  • ii. De specialist luistert goed en verkrijgt doelmatig relevante patiëntinformatie;
  • iii. De specialist bespreekt medische informatie goed met patiënten en desgewenst familie;
  • iv. De specialist doet adequaat mondeling en schriftelijk verslag over patiëntencasus;
  • c. ten aanzien van samenwerking:
  • i. De specialist overlegt doelmatig met collegae en andere zorgverleners;
  • ii. De specialist verwijst adequaat;
  • iii. De specialist levert effectief intercollegiaal consult;
  • iv. De specialist draagt bij aan effectieve interdisciplinaire samenwerking en ketenzorg;
  • d. ten aanzien van kennis en wetenschap:
  • i. De specialist beschouwt medische informatie kritisch;
  • ii. De specialist bevordert de verbreding van en ontwikkelt de wetenschappelijke vakkennis;
  • iii. De specialist ontwikkelt en onderhoudt een persoonlijk bij- en nascholingsplan;
  • iv. De specialist bevordert de deskundigheid van studenten, aios, collegae, patiënten en andere betrokkenen bij de gezondheidszorg;
  • e. ten aanzien van maatschappelijk handelen:
  • i. De specialist kent en herkent de determinanten van ziekte;
  • ii. De specialist bevordert de gezondheid van patiënten en de gemeenschap als geheel;
  • iii. De specialist handelt volgens de relevante wettelijke bepalingen;
  • iv. De specialist treedt adequaat op bij incidenten in de zorg;
  • f. ten aanzien van organisatie:
  • i. De specialist organiseert het werk naar een balans in patiëntenzorg en persoonlijke ontwikkeling;
  • ii. De specialist werkt effectief en doelmatig binnen een gezondheidszorgorganisatie;
  • iii. De specialist besteedt de beschikbare middelen voor de patiëntenzorg verantwoord;
  • iv. De specialist gebruikt informatietechnologie voor optimale patiëntenzorg, en voor bij- en nascholing;
  • g. ten aanzien van professionaliteit:
  • i. De specialist levert hoogstaande patiëntenzorg op integere, oprechte en betrokken wijze;
  • ii. De specialist vertoont adequaat persoonlijk en interpersoonlijk professioneel gedrag;
  • iii. De specialist kent de grenzen van de eigen competentie en handelt daar binnen;
  • iv. De specialist oefent de geneeskunde uit naar de gebruikelijke ethische normen van het beroep.
Artikel B.3. Duur van de opleiding
1.

De duur van de opleiding wordt per medisch specialisme in een specifiek besluit vastgesteld.

2.

Tenzij in dit hoofdstuk anders is bepaald wordt de opleiding van de aios ononderbroken gevolgd en omvat een volledige werkweek.

3.

De MSRC kan de duur van de opleiding, bedoeld in het eerste lid, in een individueel geval, in het kader van de eindbeoordeling, bedoeld in artikel B.9., om opleidingsinhoudelijke redenen verlengen.

Artikel B.4. Rechtspositieregeling

De aios dient voor zijn werkzaamheden tijdens de opleiding volgens de landelijk gangbare salarisnormen te worden gehonoreerd. Op hem dient tevens de rechtspositieregeling van de opleidingsinrichting van toepassing te zijn.

Artikel B.5. Plichten van de aios
1.

De aios voldoet aan de volgende verplichtingen:

algemeen:

  • a. hij is ingeschreven als arts in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet BIG, en het opleidingsregister van de MSRC en houdt deze inschrijvingen gedurende de opleiding in stand;
  • b. hij deelt iedere wijziging in de door hem verstrekte gegevens, waaronder wijziging van adres en woonplaats, direct schriftelijk aan de MSRC mede;
  • c. hij verschaft desgevraagd de MSRC nauwkeurig en onverwijld de gegevens en bescheiden betreffende zijn opleiding die nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen;
  • e. in het geval hij de opleiding in deeltijd volgt dan wel onderbreekt,houdt hij zich aan het bepaalde genoemd in respectievelijk artikel B.13. en B.14.
  • f. De aios vult jaarlijks een door de MSRC vastgesteld evaluatieformulier in en zendt dit, nadat het voor gezien is getekend door de opleider, aan de MSRC toe. Wanneer er meer dan één aios in één afdeling van de opleidingsinrichting werkzaam is wordt door hen gezamenlijk één evaluatieformulier ingevuld en aan de MSRC toegezonden. met betrekking tot de opleiding:
  • g. hij is verplicht een portfolio bij te houden volgens een door het CCMS vastgesteld model;
  • h. hij bezoekt de wetenschappelijke vergaderingen van de betreffende wetenschappelijke medisch specialisten vereniging en woont ten minste één voor de opleiding relevant internationaal congres op het gebied van het betreffende medisch specialisme bij;
  • i. hij houdt tijdens de opleiding ten minste eenmaal een voordracht of presenteert een poster of publiceert ten minste één artikel in een wetenschappelijk tijdschrift of medisch vakblad of schrijft een dissertatie;
  • j. hij verleent desgevraagd zijn medewerking aan het geven van onderwijs aan co-assistenten, (leerling)verpleegkundigen en paramedisch personeel een en ander in overleg met de opleider;
  • k. hij volgt het cursorisch onderwijs dat onder auspiciën van de wetenschappelijke vereniging wordt gegeven;
  • l. hij volgt gedurende de opleiding de hem door de opleider en de leden van de opleidingsgroep in het belang van de opleiding en van de patiëntenzorg gegeven aanwijzingen op die relevant zijn voor de opleiding; met betrekking tot de patiëntenzorg:
  • m. hij heeft een eigenstandige zorgplicht en zal tijdens de opleiding geen handelingen verrichten die buiten zijn kennis en vermogens liggen;
  • n. hij is zoveel mogelijk aanwezig bij klinische consulten die door andere medisch specialisten worden gegeven, voor zover het patiënten betreft die onder zijn directe verantwoordelijkheid vallen;
  • o. hij houdt de ziektegeschiedenissen van de door hem behandelde patiënten goed, geregeld en nauwkeurig bij en werkt de verslaggeving aan de huisartsen en andere verwijzers zorgvuldig en vlot af;
  • p. hij neemt deel aan patiëntenbesprekingen, klinische conferenties en refereerbijeenkomsten en in overleg met de opleider, ook aan die welke worden gehouden in een opleidingsinrichting waarmee een samenwerkingsovereenkomst bestaat;
  • q. hij voldoet aan het eind van de opleiding aan de algemene competenties, genoemd in artikel B.2, derde lid.;
2.

De aios die buiten Nederland is opgeleid tot arts kan de opleiding eerst aanvangen nadat hij de taaltest zoals beschreven in hoofdstuk D, titel II, paragraaf II-D, met goed gevolg heeft afgelegd. De MSRC kan in bijzondere gevallen geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van de taaltest.

3.

Ter uitvoering van dit artikel worden in specifieke besluiten aanvullende voorschriften ten aanzien van de verplichtingen en competenties van de aios per medisch specialisme gesteld.

Artikel B.6. Geschiktheidsbeoordeling
1.

Aan het eind van het eerste jaar beoordeelt de opleider of hij de aios die bij hem in opleiding is al dan niet geschikt en in staat acht de opleiding voort te zetten. Daarbij geldt dat de beoordeling:

  • a. plaatsvindt binnen een maand nadat de aios 12 maanden opleiding heeft gevolgd;
  • b. wordt gegeven gehoord de overige leden van de opleidingsgroep waar de opleider deel van uitmaakt;
  • c. bij een samengestelde opleiding tevens ter kennis wordt gebracht van de vervolgopleider. De eerste opleider beslist, na overleg met de vervolgopleider, over het al dan niet voortzetten van de opleiding na het eerste jaar.
2.

Halverwege de opleiding beoordeelt de opleider opnieuw of hij de aios die bij hem in opleiding is al dan niet geschikt en in staat acht de opleiding voort te zetten. Daarbij geldt dat de beoordeling:

  • a. bij een samengestelde opleiding wordt gegeven aan het eind van het eerste jaar van de vervolgopleiding;
  • b. bij een vijf- of zesjarige opleiding, niet vallende onder a, wordt gegeven aan het eind van het derde opleidingsjaar;
  • c. bij een opleiding korter dan vijf jaar, niet vallende onder a, wordt gegeven wanneer de helft van de opleiding is gevolgd.
3.

De in het eerste en tweede lid bedoelde beoordelingen worden gegeven, na overleg met de in artikel B.9., tweede lid bedoelde opleider.

4.

De opleider zendt zijn beoordelingen door middel van een daartoe vastgesteld formulier aan de MSRC en verstrekt een afschrift van de beoordeling aan de aios.

5.

In geval de opleider bij de in het eerste en tweede lid bedoelde beoordelingen te kennen heeft gegeven de aios niet geschikt en in staat te achten de opleiding voort te zetten en hem in aansluiting daaraan meedeelt hem niet verder te zullen opleiden brengt de opleider zijn beoordeling schriftelijk, met redenen omkleed en met vermelding van de datum waarop de opleiding wordt beëindigd, aan de aios ter kennis en zendt van deze kennisgeving een afschrift aan de secretaris van de MSRC. In alle gevallen heeft de opleider de opleidingsgroep geraadpleegd.

Artikel B.7. Jaarlijkse beoordeling

Behalve de beoordelingen bedoeld in artikel B.6. brengt de opleider aan het eind van elk volgend opleidingsjaar, met uitzondering van het laatste jaar, een beoordeling van de aios ter kennis van de MSRC door middel van een daartoe vastgesteld formulier en verstrekt een afschrift daarvan aan de aios.

Artikel B.8. Voortgangsgesprekken

In het eerste jaar van de opleiding als bedoeld in artikel B.6., eerste lid, vindt eenmaal per kwartaal een voortgangsgesprek plaats tussen de opleider en de aios. In het tweede jaar en in het jaar halverwege de opleiding als bedoeld in artikel B.6., tweede lid, vindt halfjaarlijks een voortgangsgesprek plaats tussen de opleider en de aios. In de jaren daarna vindt tenminste een maal per jaar een voortgangsgesprek plaats, waarbij voor het laatste jaar van de opleiding geldt dat het voortgangsgesprek ten minste drie maanden voor het einde van de opleiding wordt gehouden. De conclusies van deze gesprekken worden – voor gezien of akkoord mede ondertekend door de aios – schriftelijk vastgelegd. De resultaten van voortgangsgesprekken worden steeds tijdig en behoorlijk toegelicht met de aios besproken.

Artikel B.9. Eindoordeel
1.

Ten hoogste drie maanden voor het einde van de opleiding deelt de opleider, door middel van een daartoe door de MSRC vastgesteld formulier aan de aios en de MSRC met redenen omkleed mede of naar zijn oordeel de aios al dan niet geschikt en in staat moet worden geacht het medisch specialisme waarvoor hij is opgeleid zelfstandig en naar behoren uit te oefenen nadat de opleiding is beëindigd.

2.

Het in het eerste lid bedoelde formulier wordt afgegeven door de opleider:

  • a. die is erkend voor het verzorgen van een opleidingsduur van tenminste twee jaar en;
  • b. onder wiens verantwoordelijkheid de aios het langstdurende gedeelte van zijn opleiding volgde en;
  • c. die door middel van het formulier, bedoeld in het eerste lid, verklaart dat het portfolio van de betreffende aios volledig en juist is.
3.

De oordelend opleider bedoeld in het eerste lid, hoort de opleider die voor het laatste deel van de opleiding verantwoordelijk was, en beschikt over de beoordelingen van alle opleiders bij wie de aios een deel van de opleiding volgde. In alle gevallen heeft de opleider de opleidingsgroep geraadpleegd.

4.

De MSRC stelt bij goedkeuring en bij wijziging van het opleidingsschema van de aios vast door welke bij de opleiding betrokken opleider het in het eerste lid bedoelde oordeel wordt gegeven.

Artikel B.10. Inschrijving opleidingsregister

Er is een opleidingsregister waarin de MSRC aios inschrijft. De aios dient vóór aanvang van de opleiding bij de MSRC een aanvraag tot inschrijving in het opleidingsregister in. De aanvraag bedoeld in het tweede lid, bevat in ieder geval de volgende elementen:

  • a. de naam en adres van de aios;
  • c. een bewijs dat de aios is toegelaten tot de opleiding;
  • d. opgave voor welk medisch specialisme de aios zal worden opgeleid;
  • e. opgave welke opleider zich bereid heeft verklaard de aios op te leiden;
  • f. opgave in welke opleidingsinrichting de opleiding zal plaats vinden;
  • g. verklaring van de aios dat voldaan is aan het in artikel B.4. bepaalde.

Naast de aanvraag, bedoeld in het tweede lid, legt de aios het door de opleider, met inachtneming van de eisen in dit besluit en de specifieke besluiten, schriftelijk goedgekeurde opleidingsschema aan de MSRC ter goedkeuring voor. Na ontvangst van de aanvraag, bedoeld in het tweede lid, zendt de MSRC de aios binnen twee weken een formulier voor het verkrijgen van nadere gegevens. De aios zendt het formulier, genoemd in vijfde lid, ingevuld ten hoogste één maand na aanvang van de opleiding aan de MSRC retour. Alvorens de aanvraag tot inschrijving in het opleidingsregister in behandeling kan worden genomen, dient het door de MSRC daarvoor vastgestelde bedrag te zijn voldaan. De MSRC deelt de aios, de opleider en de opleidingsinrichting mede met ingang van welke datum de opleiding van de aios aanvangt of is aangevangen. De MSRC schrijft de aios, na ontvangst van de in dit artikel genoemde bescheiden en de betaling, bedoeld in het zevende lid, alsmede na goedkeuring van het opleidingsschema, bedoeld in het vierde lid, in het opleidingsregister in.

Artikel B.11. Wijzigingen
1.

Wijzigingen in het opleidingsschema behoeven de instemming van de opleider en de MSRC.

2.

De aios dient een voorstel tot wijziging van het opleidingsschema tezamen met een instemmingsverklaring van de opleider ten minste twee maanden voor de beoogde wijziging aan de MSRC ter goedkeuring voor te leggen.

3.

De MSRC beslist binnen acht weken na ontvangst van het voorstel.

Artikel B.12. Uitschrijving opleidingsregister

De inschrijving in het opleidingsregister, bedoeld in artikel B.5., eerste lid, onder a, wordt doorgehaald zodra de aios de opleiding heeft voltooid en beschikt over een positief oordeel als bedoeld in artikel B.9., dan wel zodra de MSRC kennis neemt van tussentijdse beëindiging van de opleiding van de aios.

Paragraaf I-B. Bijzondere bepalingen

Artikel B.13. Deeltijd
1.

De opleiding kan in deeltijd worden gevolgd. Daarbij gelden de volgende voorwaarden:

  • a. de aios doet een aanvraag tot het volgen van de opleiding in deeltijd aan de MSRC onder overlegging van het (aangepaste) en door de opleider goedgekeurde opleidingsschema;
  • b. de duur van de hele of het betreffende gedeelte van de opleiding wordt naar rato verlengd, tengevolge waarvan de momenten waarop een voortgangsgesprek of een beoordelingsgesprek plaatsvindt dienovereenkomstig worden verlegd;
  • c. het opleidingsschema is zodanig aangepast, dat ten volle aan alle opleidingseisen kan worden voldaan waarbij de continuïteit van de opleiding gewaarborgd is;
  • d. wanneer een gedeelte van de opleiding in deeltijd wordt gevolgd wordt gedurende de gehele periode van dit gedeelte hetzelfde deeltijdpercentage aangehouden;
  • e. de opleiding in deeltijd beslaat ten minste de helft van een volledige werkweek. Daarbij geldt dat de opleiding uitsluitend in afgeronde percentages van tientallen variërend van 50% tot 90% in deeltijd kan worden gevolgd. De frequentie van de diensten wordt naar rato aangepast.
2.

Artikel B.11. is van overeenkomstige toepassing.

Artikel B.14. Onderbreking
1.

De opleiding kan uitsluitend worden onderbroken bij verlof op basis van wettelijke regelingen, bij opschorting van de opleiding tengevolge van een geschil als bedoeld in titel II en het doen van klinisch wetenschappelijk onderzoek als bedoeld in titel I, paragraaf I-C.

2.

Vakantie op basis van het in de betreffende arbeidsvoorwaarden geregelde aantal dagen wordt niet als onderbreking aangemerkt.

3.

Voor klinisch wetenschappelijk onderzoek gelden de bepalingen in titel I, paragraaf I-C.

4.

In het geval van onderbreking , bedoeld in het eerste lid, behoeft geen compensatie plaats te vinden indien de opleiding ten hoogste twintig dagdelen per opleidingsjaar wordt onderbroken.

5.

In het geval van onderbreking, bedoeld in het eerste lid, vindt volledige compensatie plaats van het meerdere indien de opleiding meer dan twintig dagdelen per opleidingsjaar wordt onderbroken.

6.

De aios doet van de onderbreking zo spoedig mogelijk, en in geval van zwangerschap of ouderschapsverlof voorafgaand aan de onderbreking, mededeling aan de opleider en de opleidingsinrichting.

7.

Indien de opleiding gedurende één jaar of meer, al dan niet aaneengesloten is onderbroken, wordt de MSRC hiervan onverwijld op de hoogte gesteld. De MSRC kan in dat geval bepalen dat een gedeelte van de reeds gevolgde opleiding opnieuw gevolgd wordt.

8.

Artikel B.11. is van overeenkomstige toepassing.

Artikel B.15. Vrijstelling
1.

De aios kan worden vrijgesteld van het volgen van een of meer delen van de opleiding als hij voldoet aan de criteria bedoeld in artikel B.17.

2.

De aios die meent dat hij in aanmerking komt voor vrijstelling als bedoeld in het eerste lid doet daarvan zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken nadat zekerheid is verkregen over de opleidingsplaats, schriftelijk mededeling aan de opleider.

Artikel B.16. Aanvraag tot vrijstelling
1.

De aanvraag tot vrijstelling wordt uiterlijk vóór de aanvang van het eerste opleidingsjaar bij de MSRC ingediend.

2.

De aanvraag tot vrijstelling kan zowel door de opleider en de aios gezamenlijk, als zelfstandig door de aios bij de MSRC worden ingediend.

3.

De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, bevat in ieder geval de volgende informatie:

  • a. naam en adres van de aios en een bewijs van inschrijving in het artsregister als bedoeld in artikel 3 van de Wet BIG;
  • b. een nauwkeurige omschrijving van de verrichte medische werkzaamheden;
  • c. de naam van de opleidingsinrichting of de instelling indien er sprake is van klinisch wetenschappelijk onderzoek, en de periode gedurende welke deze werkzaamheden zijn verricht;
  • d. de namen en de functies van de personen onder wiens leiding en toezicht de werkzaamheden zijn verricht;
  • e. een schriftelijke beoordeling afgegeven door degene bij wie de werkzaamheden zijn verricht.
1.

Binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, beslist de MSRC of de aanvraag in beginsel kan leiden tot vrijstelling. De beslissing wordt aan de aios gezonden, in afschrift aan de opleider.

2.

Uiterlijk voor het einde van het eerste opleidingsjaar en in het geval bedoeld in artikel B.17., vierde lid, uiterlijk voor het einde van het eerste jaar van de vervolgopleiding, beoordeelt de opleider op basis van ten minste twee voortgangsgesprekken of effectuering van de vrijstelling gerechtvaardigd is. Indien dat oordeel positief uitvalt wordt het opleidingsschema definitief aangepast.

Artikel B.17. Criteria voor vrijstelling
1.

Vrijstelling kan worden verkregen als er sprake is van medisch specialistische ervaring:

  • a. verkregen buiten het kader van de opleiding dat verband houdt met het medisch specialisme waarvoor de opleiding zal worden gevolgd. Hieronder wordt ook verstaan medisch specialistische ervaring verkregen door het verrichten van klinisch wetenschappelijk onderzoek;
  • b. opgedaan na het examen tot arts in een opleidingsinrichting tenzij er sprake is van klinisch wetenschappelijk onderzoek;
  • c. opgedaan in een periode die eindigt ten hoogste een jaar voorafgaand aan de opleiding;
  • d. met een duur van ten minste 12 maanden.
2.

De vrijstelling bedraagt ten hoogste 12 maanden en bedraagt ten hoogste de helft van de periode waarin de kennis en ervaring zijn opgedaan. Indien de kennis en ervaring bestaan uit het verricht hebben van klinisch wetenschappelijk onderzoek bedraagt de vrijstelling zes maanden, tenzij in de opleidingseisen van het betrokken medisch specialisme door middel van een vrij jaar of anderszins bepalingen met betrekking tot een langere periode van klinisch wetenschappelijk onderzoek zijn opgenomen.

3.

In het geval dat de vrijstelling wordt gevraagd voor een deel van de vooropleiding van een samengestelde opleiding wordt de vrijstelling van de opleidingsduur toegekend voor zover het betreft ervaring opgedaan in het vakgebied van de vooropleiding.

4.

In het geval dat vrijstelling wordt gevraagd voor een deel van de vervolgopleiding van de samengestelde opleiding wordt de vrijstelling toegekend voor zover het betreft ervaring opgedaan in het vakgebied van de vervolgopleiding.

5.

De MSRC kan in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van het eerste lid, onder c.

6.

In afwijking van het tweede lid kan volledige vrijstelling voor de vooropleiding worden verkregen, indien de vooropleiding is voltooid in het kader van de opleiding in een ander medisch specialisme met dezelfde vooropleiding.

Artikel B.18. Verlenging
1.

Indien om redenen bedoeld in artikel B.3., derde lid, verlenging van de opleiding noodzakelijk wordt geacht stelt de opleider ten minste drie maanden voor het beoogde einde van de opleiding de aios hiervan in kennis.

2.

De opleiding kan met ten hoogste twaalf maanden worden verlengd. Indien de opleiding in deeltijd wordt gevolgd wordt deze periode naar rato aangepast.

3.

De opleider stelt een gemotiveerd voorstel tot verlenging van de opleiding op en vraagt terzake goedkeuring aan de MSRC.

4.

De MSRC beslist binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag over het voorstel.

5.

Artikel B.11. is van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf I-C. Opleiding en klinisch wetenschappelijk onderzoek

Artikel B.19. Combinatie opleiding en klinisch wetenschappelijk onderzoek
1.

De aios heeft de mogelijkheid de opleiding tot medisch specialist onder artikel B.20. gestelde voorwaarden te combineren met het verrichten van klinisch wetenschappelijk onderzoek.

2.

Indien door het combineren, bedoeld in het eerste lid, de opleiding wordt onderbroken bedoeld in artikel B.14., wordt de opleiding voltooid binnen de in artikel B.3. bedoelde opleidingsduur verlengd met de duur van het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, met een maximum van drie jaar.

Artikel B.20. Randvoorwaarden

Aan het combineren van de opleiding met het klinisch wetenschappelijk onderzoek, bedoeld in artikel B.19., eerste lid, zijn de volgende voorwaarden verbonden:

  • a. het door de aios met de opleider en de onderzoeksbegeleider gezamenlijk opgestelde opleidingsschema is goedgekeurd door de MSRC;
  • b. ten minste een jaar van het klinisch wetenschappelijk onderzoek vindt plaats na aanvang van de opleiding voor het betreffende medisch specialisme en binnen de voltooiing daarvan;
  • c. de aios kan pas aanvangen met de combinatie van de opleiding met klinisch wetenschappelijk onderzoek indien de MSRC het opleidingsschema heeft goedgekeurd;
  • d. gedurende het klinisch wetenschappelijk onderzoek blijft de aios betrokken bij de opleiding.
Artikel B.21. Aanvraag voor beoordeling opleidingsschema
1.

De aios dient de aanvraag om goedkeuring van het met de opleider en de onderzoeksbegeleider opgestelde opleidingsschema bij de MSRC in.

2.

De MSRC neemt de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, in behandeling nadat de opleidingsinrichting de MSRC schriftelijk heeft bericht dat de aios de opleiding kan aanvangen of voortzetten.

3.

De MSRC beslist binnen acht weken nadat de aanvraag is ontvangen. Een afschrift van deze beslissing wordt verzonden aan de opleider, de onderzoeksbegeleider en de opleidingsinrichting.

Artikel B.22. Overige bepalingen
1.

Gedurende de periode dat de aios de opleiding tot medisch specialist volgt is hoofdstuk B, met uitzondering van artikel B.16., eerste lid en B.17., eerste lid, onder c, alsmede het betreffende specifieke besluit onverkort van toepassing op dat gedeelte van de opleiding.

2.

Gedurende de periode dat de aios het klinisch wetenschappelijk onderzoek uitvoert zijn de artikelen B.13., B.14., B.5., eerste lid onder a, b, c, j en k, voorzover er sprake is van patiëntenzorg, en B.11. van overeenkomstige toepassing.

3.

Het tussentijds afbreken van het klinisch wetenschappelijk onderzoek vormt geen beletsel voor het voltooien van de opleiding tot medisch specialist.

4.

Bij tussentijds afbreken van het wetenschappelijk onderzoek wordt het opleidingsschema gewijzigd en is artikel B.11. van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf I-D. De stage

Artikel B.23. Stage

Voor een stage gelden de volgende eisen:

  • a. de duur van de stage bedraagt maximaal één jaar;
  • b. de aios besteedt 80% of meer van de dagtaak aan de stage;
  • c. de patiëntenpopulatie is specifiek voor dat gedeelte van de opleiding waarop de stage is gericht.

Paragraaf I-E. Gedeeltelijke opleiding buiten Nederland

Artikel B.24. Met voorafgaande toestemming MSRC
1.

De aios die een gedeelte van de opleiding tot medisch specialist buiten Nederland wenst te volgen en die deze periode geheel of gedeeltelijk wil laten meetellen voor de in Nederland reeds gevolgde of nog te volgen opleiding, dient hiertoe vooraf de toestemming van de MSRC te verkrijgen.

2.

De aios dient in het geval, bedoeld in het eerste lid, bij de MSRC een schriftelijke aanvraag in, waarin in elk geval is vermeld in welke inrichting buiten Nederland, bij welke specialist en gedurende welke periode hij zal worden opgeleid. De aios verschaft de MSRC de gegevens en bescheiden die de MSRC voor de beoordeling van de aanvraag nodig acht en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

3.

De plenaire visitatiecommissie van de betrokken wetenschappelijke medisch specialisten vereniging en de opleider in Nederland dienen schriftelijk met de aanvraag in te stemmen.

4.

Indien de MSRC de gevraagde toestemming verleent, vermeldt zij gedurende welke periode de opleiding buiten Nederland zal worden gevolgd en tevens voor welke tijdsduur deze periode als opleiding in Nederland zal worden aangemerkt.

Artikel B.25. Zonder voorafgaande toestemming MSRC
1.

De aios die zonder de door de MSRC verleende toestemming,bedoeld in artikel B.24., eerste lid, buiten Nederland een gedeelte van de opleiding tot medisch specialist heeft gevolgd, kan bij de MSRC een aanvraag indienen tot vrijstelling van één of meer onderdelen van de opleiding in Nederland.

2.

De aios dient daartoe voor de aanvang van de opleiding in Nederland bij de MSRC een door de opleider ondersteunde schriftelijke aanvraag in, waarin is aangegeven in welke inrichting buiten Nederland, bij welke specialist en gedurende welke periode hij is opgeleid. Een beoordeling, afgegeven door de betrokken specialist, is bijgevoegd. De aios verschaft de MSRC de gegevens en bescheiden die de MSRC voor de beoordeling van de aanvraag nodig acht en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

3.

De MSRC neemt haar beslissing of de buiten Nederland gevolgde opleiding kan meetellen in het kader van de opleiding in Nederland niet eerder dan nadat de betrokken aios gedurende ten minste één jaar in opleiding is, gehoord de plenaire visitatiecommissie van de betreffende wetenschappelijke medisch specialistenvereniging en de opleider.

4.

Bij de beoordeling van de aanvraag neemt de MSRC de criteria voor vrijstelling als genoemd in artikel B.17., eerste lid, onder c en d, tweede, derde en vierde lid in acht.

5.

De MSRC kan in bijzondere gevallen, gehoord de plenaire visitatiecommissie van de betreffende wetenschappelijke medisch specialistenvereniging en de opleider, bepalen dat een langere periode dan bedoeld in het vierde lid als opleiding kan meetellen.

Artikel B.26. Laatste jaar van de opleiding
1.

De aios die een gedeelte van de opleiding buiten Nederland wenst te volgen of heeft gevolgd, volgt ten minste het laatste jaar van de opleiding bij een opleider in een opleidingsinrichting in Nederland.

2.

De MSRC kan van het eerste lid in bijzondere gevallen ontheffing verlenen.

Titel II. Geschillen

Artikel B.27. Commissie voor Geschillen (CvG)
1.

Er is een CvG inzake opleidingsaangelegenheden. De leden van de CvG worden benoemd, geschorst en ontslagen door het overleg van voorzitters van de registratiecommissies, bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Regeling.

2.

De CvG is samengesteld als volgt:

  • a. zes leden:
  • i. een lid en een plaatsvervangend lid zijn ingeschreven in één van de door de MSRC ingestelde registers voor medisch specialisten en worden bindend voorgedragen door het CCMS;
  • ii. een lid en een plaatsvervangend lid zijn ingeschreven in één van de door de SGRC ingestelde registers voor sociaal-geneeskundigen en worden bindend voorgedragen door het CSG;
  • iii. een lid en een plaatsvervangend lid zijn ingeschreven in één van de door de HVRC ingestelde registers voor huisartsen, verpleeghuisartsen en artsen voor verstandelijk gehandicapten en worden bindend voorgedragen door het CHVG;
  • iv. een lid is ingeschreven in een van de opleidingsregisters van de MSRC, de SGRC of de HVRC en maakt deel uit van een pool van artsen in opleiding die benoemd zijn op bindende voordracht van de LVAG, het LOSGIO, de LOVAH, de VVIO en de AVGIO-commissie. Dit lid wordt ad hoc en afhankelijk van de aard van het geschil door de voorzitter van de CvG aan de CvG toegevoegd;
  • v. twee leden zijn ingeschreven in één van de registers van de MSRC, de SGRC of de HVRC en maken deel uit van een pool van specialisten die benoemd zijn op bindende voordracht van de betreffende koepelorganisatie danwel beroeps- of wetenschappelijke verenigingen die een recht van voordracht hebben van leden in de registratiecommissies, genoemd in artikel 1 van de Regeling. Deze leden worden ad hoc en afhankelijk van de aard van het geschil door de voorzitter van de CvG aan de CvG toegevoegd.
  • b. een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter: beiden tevens gewoon lid met de hoedanigheid van meester in de rechten en in het dagelijks leven praktiserend jurist. Deze leden worden bindend voorgedragen door het overleg van voorzitters van de registratiecommissies.
3.

De leden en de plaatsvervangend leden van de CvG kunnen geen deel uitmaken van of werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van een college of registratiecommissie. Evenmin kunnen zij zitting hebben in het bestuur van of werkzaam zijn bij de KNMG of één van haar beroepsverenigingen.

4.

Personen die betrokken zijn bij een geschil als bedoeld in artikel B.28. of bij een partij in dat geschil, kunnen geen deel uitmaken van de CvG.

5.

De algemeen directeur van de KNMG voegt aan de CvG een ambtelijk secretaris toe.

Artikel B.28. Competentie Commissie voor Geschillen
1.

De CvG neemt kennis van alle geschillen met betrekking tot de naleving van dit besluit , de specifieke besluiten, de beleidsregels van de registratiecommissies, telkens inzake de vorm, de inhoud en de duur van de opleiding en geschillen verband houdend met het inschrijven van de arts in het opleidingsregister, voorzover de Algemene wet bestuursrecht of de Regeling niet van toepassing zijn.

2.

Van een geschil is sprake zodra een van de betrokken partijen uitdrukkelijk schriftelijk kenbaar maakt dat er een geschil is.

3.

De CvG toetst een geschil integraal.

Hoofdstuk C. De erkenning tot opleider en opleidingsinrichting

Titel I. De opleider, de plaatsvervangend opleider en de stageopleider

Paragraaf I-A. Eisen voor erkenning van de medisch specialist tot opleider

Artikel C.1. De eisen voor erkenning

De MSRC erkent een medisch specialist als opleider indien hij aan de volgende algemene eisen voldoet:

  • a. hij is ten minste vijf jaar voor het medische specialisme waarvoor hij als opleider erkend wil worden, en niet tevens voor een ander medisch specialisme, in het desbetreffende register van medisch specialisten ingeschreven en actief als medisch specialist werkzaam;
  • b. hij beschikt over didactische kwaliteiten;
  • c. hij beschikt over organisatorische kwaliteiten;
  • d. hij is wetenschappelijk actief en heeft wetenschappelijke interesse;
  • e. hij is bereid co-assistenten en aios op te leiden;
  • f. hij is in een voor het betreffende medisch specialisme erkende opleidingsinrichting werkzaam op een zodanige wijze dat hij de eindverantwoordelijkheid als opleider daadwerkelijk en naar behoren kan dragen;
  • g. hij is lid van de betreffende wetenschappelijke specialistenvereniging;
  • h. hij voert gestructureerd overleg met andere relevante hulpverleners;
  • i. hij maakt deel uit van en geeft leiding aan een opleidingsgroep als bedoeld in artikel C.2. en legt de specifieke taken en verplichtingen van leden van de opleidingsgroep schriftelijk vast;
  • j. hij is op aanwijzing van de MSRC bereid aios op te leiden, die een nieuwe opleidingsplaats zoeken in het geval een aios door de CvG in het gelijk is gesteld of in de gevallen als bedoeld in artikel C.28.
Artikel C.2. Opleidingsgroep

De leden van de opleidingsgroep dienen aan de volgende eisen te voldoen:

  • a. algemeen:
  • i. zij hebben elk een gedifferentieerd activiteiten- en belangstellingsterrein binnen het vakgebied van het betreffende medische specialisme terwijl hun gezamenlijke kennis en vaardigheden elkaar aanvullen;
  • ii. zij ondersteunen de opleiding en de aanvraag daarvoor en zijn op de hoogte van de opleidingseisen alsmede van de eindtermen van de opleiding;
  • iii. zij waarborgen dat minimaal één van de leden van de opleidingsgroep op de betreffende locatie aanwezig en beschikbaar is voor de aios;
  • b. met betrekking tot de patiëntenzorg:
  • i. zij stellen een generaal dagelijks rapport in en houden dit in stand;
  • ii. zij voldoen bij de uitoefening van het specialisme aan de kwaliteitseisen van de betreffende wetenschappelijke medisch specialisten vereniging;
  • c. met betrekking tot opleiding en onderwijs:
  • i. zij houden regelmatig stafbesprekingen, klinische conferenties en refereerbijeenkomsten waarbij in beginsel alle leden van de opleidingsgroep aanwezig zijn;
  • ii. zij houden in het kader van onderlinge toetsing probleemoplossende patiëntenbesprekingen.

Paragraaf I-B. Verplichtingen van de opleider

Artikel C.3. Verplichtingen opleider

De opleider heeft de volgende verplichtingen:

  • a. algemeen:
  • i. hij ziet er op toe dat de leden van de opleidingsgroep aan hun verplichtingen voldoen;
  • ii. hij verstrekt de MSRC op haar verzoek te allen tijde alle gevraagde informatie over de opleiding;
  • iii. hij ziet er op toe dat de aios een portfolio bijhoudt en controleert dat het portfolio voldoet aan de opleidingseisen;
  • iv. hij meldt de MSRC de voor de opleiding of de aios relevante wijzigingen;
  • b. met betrekking tot opleiding en onderwijs:
  • i. hij participeert desgevraagd actief in de centrale opleidingscommissie.
Artikel C.4. Opleidingsgroep

De leden van de opleidingsgroep hebben de volgende verplichtingen:

  • a. algemeen:
  • i. zij dragen zorg voor de begeleiding van de aios;
  • ii. zij houden ten minste vier maal per jaar een vergadering met aios uitsluitend ter bespreking van opleidingszaken;
  • iii. zij dragen er zorg voor dat de aios zijn verplichtingen, bedoeld in dit besluit en de specifieke besluiten, kan nakomen;
  • b. met betrekking tot de patiëntenzorg:
  • i. zij zien er op toe dat de door de aios verzorgde ziektegeschiedenissen en medische correspondentie aan door de beroepsgroep te stellen eisen voldoet en dat bij belangrijke beslissingsmomenten in de behandeling de aantekening geplaatst wordt dat in overleg met met name genoemde medisch specialisten onderscheidenlijk de opleiders tot een bepaald beleid is besloten;
  • ii. zij geven uitsluitend aanwijzingen die relevant zijn voor en in het belang zijn van de opleiding en van de patiëntenzorg en houden rekening met de vorderingen in de vakbekwaamheid van de aios;
  • iii. zij zien er regelmatig op toe dat de door de aios verrichte werkzaamheden voldoen aan de algemene competenties zoals neergelegd in artikel B.2. derde lid alsmede aan de specialismegebonden competenties, bedoeld in artikel B.2., tweede lid, en houden supervisie op de aios;
  • c. met betrekking tot opleiding en onderwijs:
  • i. zij besteden voldoende tijd aan de opleiding en nemen het daarmee samenhangende werk op zich;
  • ii. zij participeren actief in voor de opleiding verplichte onderwijsactiviteiten;
  • iii. zij dragen er zorg voor dat er tussen de aios en andere medische specialisten voldoende contact is;
  • d. met betrekking tot bij- en nascholing:
  • i. zij houden hun kennis en inzicht als medisch specialist op peil door het regelmatig deelnemen aan geaccrediteerde bij- en nascholingsactiviteiten;
  • ii. zij volgen systematisch geaccrediteerde bijscholing met didactische aspecten ten behoeve van de opleiding;
  • e. met betrekking tot onderzoek en ontwikkeling:
  • i. zij bevorderen klinisch wetenschappelijk onderzoek van de leden van de opleidingsgroep en de aios, hetgeen blijkt uit publicaties en voordrachten.

Paragraaf I-C. De plaatsvervangend opleider en de waarnemer

Artikel C.5. Eisen voor erkenning van medisch specialist tot plaatsvervangend opleider
1.

De MSRC erkent een medisch specialist als plaatsvervangend opleider indien hij voldoet aan de eisen, genoemd in artikel C.1. en op dezelfde afdeling, al dan niet op dezelfde locatie, werkzaam is.

2.

De aanvraag tot erkenning als plaatsvervangend opleider gaat vergezeld van de schriftelijke instemming van de opleider.

3.

Bij afwezigheid van de opleider treedt de plaatsvervangend opleider in de rechten en plichten van de opleider.

4.

Met inachtneming van het derde lid vervalt de erkenning van de plaatsvervangend opleider per direct twee jaar na de datum waarop de plaatsvervangend opleider de taak van de opleider heeft overgenomen. In het tweede jaar van deze periode mogen geen nieuwe aios worden aangesteld.

Artikel C.6. Eisen voor aanwijzing van medisch specialist als waarnemer
1.

Indien de MSRC geen plaatsvervangend opleider heeft erkend en de opleider zijn werkzaamheden als opleider gedurende een aaneengesloten periode van drie maanden niet kan of heeft kunnen verrichten, delen de opleider of de opleidingsinrichting zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen één maand na het verstrijken van genoemde periode, schriftelijk aan de MSRC mee door wie de functie van opleider wordt waargenomen. Is de opleider hiertoe niet in staat dan zal uitsluitend de opleidingsinrichting zorg dragen voor deze berichtgeving aan de MSRC.

2.

De periode van waarneming bedraagt ten hoogste zes maanden.

3.

De waarnemer maakt deel uit van de opleidingsgroep.

4.

De MSRC kan aan de waarneming, bedoeld in het eerste lid, voorwaarden verbinden.

5.

Gedurende de periode van waarneming kunnen geen nieuwe aios worden aangesteld.

Paragraaf I-D. De stageopleider

Artikel C.7. De stageopleider
1.

Ten behoeve van het verzorgen van een stage bij een opleidingsinrichting waar uitsluitend één stage kan worden gevolgd kan de MSRC een medisch specialist erkennen als stageopleider.

2.

De stageopleider is verantwoordelijk voor dat gedeelte van de opleiding dat betrekking heeft op de stage die bij hem wordt gelopen.

Artikel C.8. Eisen voor erkenning van medisch specialist tot stageopleider
1.

De MSRC erkent een medisch specialist als stageopleider, indien hij voldoet aan de eisen genoemd in artikel C.1., eerste lid, onder a, b, d en f, artikel C.4., artikel C.6. voor zover dit de betreffende stage betreft en hij aantoont een specifieke interesse in en kennis op het vakgebied van de betreffende stage te hebben.

2.

In specifieke besluiten kunnen per medisch specialisme afwijkende eisen worden gesteld.

Artikel C.9. Verplichtingen stageopleider
1.

De stageopleider heeft de volgende verplichtingen:

  • a. hij draagt er zorg voor dat er voor de aios voldoende tijd beschikbaar is voor theoretische verdieping van het betreffende gedeelte van de opleiding;
  • b. hij draagt er zorg voor dat de aios kan profiteren van de bijzondere kennis van de stafleden en van het wetenschappelijk klimaat van de afdeling van de opleidingsinrichting;
2.

In specifieke besluiten kunnen per medisch specialisme afwijkende verplichtingen worden gesteld.

Titel II. De opleidingsinrichting

Paragraaf II-A. Eisen voor de erkenning van de inrichting tot opleidingsinrichting voor de totale opleiding op één locatie

Artikel C.10. Eisen voor erkenning
1.

De inrichting voldoet aan de volgende eisen:

algemeen:

  • a. zij legt de samenwerking van medisch specialisten ten behoeve van de opleiding vast alsmede de relatie tussen de opleiders, de aios en andere bij de opleiding betrokken medisch specialisten;
  • b. zij beschikt over een bibliotheek waarin de belangrijkste recente boeken en periodieken op het gebied van het desbetreffende medische specialisme, de randgebieden en de basisvakken aanwezig zijn, daaronder begrepen informatie op het terrein van de medische ethiek en het gezondheidsrecht. Voorts is een handbibliotheek en een elektronisch of vergelijkbaar informatiesysteem of vergelijkbare moderne middelen tot ontsluiting van literatuur beschikbaar voor directe raadpleging;
  • c. zij beschikt over voldoende instrumentarium, ruimten en andere faciliteiten om een goede opleiding voor het desbetreffende medische specialisme te kunnen waarborgen;
  • d. zij beschikt over een pathologisch, een klinisch-chemisch en een medischmicrobiologisch laboratorium. De hoofden van deze diensten zijn bereid de aios voor te lichten over de onderzoeksmethodieken, welke ten behoeve van de patiënten worden toegepast;
  • e. zij draagt zorg voor deelname van de leden van de opleidingsgroep aan de kwaliteitsvisitatie van de betreffende wetenschappelijke medisch specialistenvereniging volgens de systematiek van die wetenschappelijke vereniging;
  • f. in de opleidingsinrichting voor een bepaald medisch specialisme is een opleider en een plaatsvervangend opleider voor dat medisch specialisme werkzaam; met betrekking tot opleiding en onderwijs:
  • g. zij beschikt over één of meer samenwerkingsovereenkomsten met één of meer opleidingsinrichtingen waar aios delen van de opleiding in een medisch specialisme volgen, tenzij aios de hele opleiding in de opleidingsinrichting volgen. De samenwerkingsovereenkomst is in overeenstemming met de Standaard Samenwerkingsovereenkomst zoals vastgesteld door de MSRC in overleg met het CCMS. In specifieke besluiten kunnen aanvullende bepalingen worden opgenomen;
  • h. zij stelt de opleiders in staat de medisch specialisten die betrokken zijn bij de opleiding te verplichten tot samenwerking in een opleidingsgroep;
  • i. indien er opleidingen voor meer dan één medisch specialismen worden gegeven is een centrale opleidingscommissie als bedoeld in artikel C.13. aanwezig;
  • j. zij is bereid op aanwijzing van de MSRC aios toe te laten, die een nieuwe opleidingsplaats zoeken in het geval een aios door de CvG in het gelijk is gesteld of in de gevallen als bedoeld in artikel C.28.;
  • k. zij is bereid co-assistenten en aios toe te laten, een en ander in overeenstemming met de opleider.
2.

In specifieke besluiten kan voor medisch specialismen van het eerste lid, onder d, worden afgeweken.

3.

In specifieke besluiten kan voor medisch specialismen bepaald worden dat een polikliniek aanwezig is en kan tevens bepaald worden hoe groot het minimaal aantal nieuw ingeschreven poliklinische patiënten per jaar moet zijn.

4.

De MSRC kan van het eerste lid, onder f, ontheffing verlenen van de eis dat er een plaatsvervangend opleider werkzaam moet zijn, op voorwaarde dat ten minste één andere medisch specialist voor dat medisch specialisme binnen de opleidingsinrichting werkzaam is.

Paragraaf II-B. Aanvullende eisen voor de erkenning van de inrichting tot opleidingsinrichting voor de totale opleiding op meerdere locaties

Artikel C.11. Aanvullende eisen bij meerdere locaties
1.

In aanvulling op artikel C.10. geldt voor een inrichting op meerdere locaties dat:

  • a. er sprake is van een bestuurlijke eenheid, waaronder alle locaties vallen;
  • b. de aan de opleiding deelnemende medisch specialisten één opleidingsgroep vormen
2.

In afwijking van het eerste lid onder a. kan in een uitzonderingssituatie een inrichting worden erkend als opleidingsinrichting indien er een overeenkomst bestaat met de andere inrichting waar (een deel van) de opleiding wordt verzorgd, waarin is vastgelegd dat de opleider verantwoordelijk is voor het functioneren van de opleiding op beide inrichtingen.

3.

De in het tweede lid bedoelde uitzonderingssituatie is aanwezig als:

  • a. de inrichting kan aantonen niet in aanmerking te komen voor erkenning van de opleiding of een gedeelte daarvan op basis van artikel C.10, C.11, eerste lid en paragraaf II E; en
  • b. de opleiding in het betreffende medische specialisme niet of niet volledig mogelijk is zonder afwijking van het eerste lid onder a.
4.

De in het tweede lid bedoelde overeenkomst is in overeenstemming met de Standaard Samenwerkingsovereenkomst bestuurlijke opleidingseenheid zoals door de MSRC in overleg met het CCMS is vastgesteld.

5.

Uit de erkenning blijkt duidelijk welke locaties voor de opleiding worden erkend.

Paragraaf II-C. Verplichtingen voor de opleidingsinrichting voor de totale opleiding op één locatie

Artikel C.12. Verplichtingen opleidingsinrichting
1.

De opleidingsinrichting heeft de volgende verplichtingen:

  • a. algemeen:
  • i. het aantal daadwerkelijk binnen de opleidingsinrichting werkzame aios voor een medisch specialisme uitgedrukt in fte’s bedraagt ten hoogste 1,5 maal het gezamenlijk aantal medisch specialisten uitgedrukt in fte’s van het betreffende medische specialisme dat in de opleidingsinrichting werkzaam en daadwerkelijk bij de opleiding betrokken is;
  • ii. zij stelt de aios, de opleider en de opleidingsgroep in de gelegenheid de eisen en verplichtingen op grond van dit besluit en de specifieke besluiten na te komen;
  • iii. zij neemt jaarlijks een paragraaf op in een jaarverslag over de opleidingsactiviteiten gedurende het kalenderjaar;
  • iv. zij verstrekt de aios vóór aanvang van de opleiding een modelinstructie en alle relevante protocollen;
  • v. zij meldt de MSRC de voor de opleiding of de aios relevante wijzigingen;
  • vi. zij houdt zich aan de onder iv. bedoelde modelinstructie en protocollen.
  • b. met betrekking tot opleiding en onderwijs:
  • i. wanneer de functie van opleider vacant komt als bedoeld in artikel C.5., derde lid, deelt de opleidingsinrichting dit uiterlijk binnen één maand schriftelijk mede aan de MSRC, onder vermelding van de ingangsdatum van de waarneming.
2.

De MSRC kan, gehoord de plenaire visitatiecommissie, voor een beperkte tijd en onder voorwaarden ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid, onder a, onderdeel i.

Artikel C.13. Centrale opleidingscommissie
1.

De centrale opleidingscommissie fungeert als overlegorgaan ter handhaving en bevordering van een optimaal en veilig opleidingsklimaat en heeft daartoe de volgende taken:

  • a. algemeen:
  • i. het overleggen over raakvlakken tussen de verschillende medisch specialistische opleidingen;
  • ii. het voorbereiden op visitaties;
  • iii. het bespreken van algemene belangen van de aios;
  • iv. het bespreken van kritiekpunten van de zijde van opleiders en aios;
  • v. het bemiddelen bij geschillen in gevallen als bedoeld in artikel B.28.;
  • vi. het jaarlijks opstellen van een jaarverslag over de opleidingsactiviteiten gedurende het kalenderjaar;
  • b. opleiding en onderwijs:
  • i. het bewaken van de kwaliteit van de in het ziekenhuis aanwezige opleidingen;
  • ii. het overleggen over algemene en specifieke opleidingsaangelegenheden.
2.

De centrale opleidingscommissie is samengesteld uit:

  • a. de opleiders in het ziekenhuis of vertegenwoordigers daarvan, welke eveneens medisch specialisten zijn;
  • b. een lid van de directie van de opleidingsinrichting;
  • c. twee vertegenwoordigers van de in de opleidingsinrichting aanwezig zijnde aios;
  • d. een vertegenwoordiging van de niet voor de opleiding erkende medische specialismen.
3.

De centrale opleidingscommissie stelt een reglement van orde vast waarin in ieder geval is geregeld dat:

  • a. uit haar midden een voorzitter en een secretaris worden gekozen;
  • b. ten minste vier maal per jaar wordt vergaderd;
  • c. de vergaderingen worden genotuleerd.

Paragraaf II-D. Aanvullende verplichtingen voor de opleidingsinrichting op meerdere locaties

Artikel C.14. Aanvullende verplichtingen bij meerdere locaties
1.

In aanvulling op paragraaf II-C geldt voor een opleidingsinrichting op meerdere locaties dat:

  • a. voor iedere locatie afzonderlijk het aantal daadwerkelijk op de locatie werkzame aios voor een medisch specialisme uitgedrukt in fte’s ten hoogste 1,5 maal het gezamenlijk aantal medisch specialisten uitgedrukt in fte’s van het betreffende medische specialisme bedraagt dat in de betreffende locatie werkzaam en daadwerkelijk bij de opleiding betrokken is;
  • b. tussen de verschillende locaties een aantoonbare eenheid bestaat in de opleiding, tot uitdrukking komend in op elkaar afgestemde opleidingsdelen, gezamenlijke opleidingsmomenten en één opleider.
2.

De MSRC kan voor een beperkte tijd en onder voorwaarden ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid, onder a.

Paragraaf II-E. De opleidingsinrichting voor een gedeelte van de opleiding of een stage

Artikel C.15. Samenwerkingsovereenkomsten

Vervallen

Artikel C.16. Eisen en verplichtingen voor de erkenning gedeelte opleiding
1.

De eisen en verplichtingen genoemd in paragraaf II-A tot en met II-D zijn van overeenkomstige toepassing

2.

Uit de erkenning blijkt duidelijk voor welke onderdelen van de opleiding en voor welke opleidingsduur de inrichting wordt erkend.

Artikel C.17. Eisen en verplichtingen voor de erkenning van een opleidinginrichting voor een stage
1.

Een inrichting waar uitsluitend één stage kan worden gevolgd voldoet aan de volgende eisen:

  • b. in de inrichting een stageopleider aanwezig is;
  • c. naast de stageopleider altijd een medisch specialist van het betreffende specialisme aanwezig is die als waarnemer fungeert bij afwezigheid van de stageopleider;

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)