Besluit van 30 mei 2013, houdende regels voor het verstrekken van subsidies door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister voor Wonen en Rijksdienst (Kaderbesluit BZK-subsidies)

Type AMvB
Publication 2022-10-04
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mede namens Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst van 18 januari 2913, nr. 2013-0000031583;

Gelet op de artikelen 3 en 4 van de Kaderwet overige BZK-subsidies;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 13 maart 2013, nr. W04.13.0018/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mede namens Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst van 24 mei 2013, nr. 2013-0000260522;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Hoofdstuk 2. Verstrekken van subsidie

Artikel 2
1.

Subsidies die worden verstrekt krachtens een ministeriële regeling op de gebieden, genoemd in artikel 2 van de wet, worden verstrekt volgens de regels van dit besluit.

2.

Artikel 25 van dit besluit is tevens van toepassing op subsidieverstrekking door Onze Minister die niet op een wettelijk voorschrift berust.

Artikel 3

Geen subsidie wordt verstrekt aan een provincie, gemeente, waterschap of openbaar lichaam als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen, tenzij bij ministeriële regeling is bepaald dat daaraan wel subsidie wordt verstrekt.

Hoofdstuk 3. Europese subsidies en staatssteunregels

Artikel 4
1.

Indien reeds door een bestuursorgaan of de Commissie van de Europese Unie subsidie is verstrekt voor de subsidiabele kosten of een deel daarvan, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat het totale bedrag aan subsidies niet meer bedraagt dan het bedrag dat krachtens dit besluit kan worden verstrekt.

2.

Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat bepaalde subsidieregelingen of bijdragen van de Commissie van de Europese Unie bij de toepassing van het eerste lid buiten beschouwing blijven.

3.

Indien bij ministeriële regeling is bepaald dat toepassing is gegeven aan een de-minimis verordening of de algemene groepsvrijstellingsverordening, wordt het bedrag van de subsidie verlaagd voor zover dit nodig is op basis van deze verordening.

Artikel 5
1.

Een subsidie lager dan € 25 000, die op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is aan te merken als staatssteun, wordt voor zover mogelijk verstrekt met toepassing van de desbetreffende de-minimis verordening.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing indien de subsidie kan worden verstrekt met goedkeuring van de Commissie van de Europese Unie of onder de werking van een vrijstellingsverordening.

Hoofdstuk 4. Subsidiabele kosten

Artikel 6
1.

Voor subsidie komen in aanmerking de redelijk te maken kosten die direct verbonden zijn met de uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt.

2.

De subsidiabele kosten worden door de aanvrager berekend op basis van een voor de aanvrager gebruikelijke en voor Onze Minister controleerbare methode, die is gebaseerd op bedrijfseconomische grondslagen en normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd.

3.

De subsidiabele kosten worden door Onze Minister op hun aannemelijkheid en redelijkheid getoetst.

4.

Tenzij bij ministeriële regeling anders is bepaald, wordt geen subsidie verstrekt voor activiteiten voor zover die uit andere hoofde zijn of worden gesubsidieerd of gefinancierd.

5.

Vóór indiening van de aanvraag door de aanvrager gemaakte kosten komen niet voor subsidie in aanmerking, tenzij

6.

Verschuldigde btw komt uitsluitend voor subsidie in aanmerking ingeval de aanvrager de btw niet kan verrekenen met de door hem af te dragen omzetbelasting.

7.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de kosten die voor subsidie in aanmerking komen.

Artikel 7
1.

Indien in het kader van de berekening van de hoogte van de subsidiabele kosten uurtarieven worden gehanteerd, worden deze door de aanvrager berekend aan de hand van één of meer in het tweede lid genoemde standaardberekeningswijzen.

2.

Als standaardberekeningswijzen voor de berekening van uurtarieven worden gehanteerd:

3.

Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke van de in het tweede lid genoemde standaardberekeningswijzen in dat geval van toepassing is.

4.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van de standaardberekeningswijzen genoemd in het tweede lid.

Hoofdstuk 5. Subsidieplafond en wijze van verdelen

Artikel 8
1.

Bij ministeriële regeling wordt een subsidieplafond vastgesteld voor het verstrekken van subsidies op in een bepaalde periode ontvangen aanvragen op grond van die ministeriële regeling. Daarbij kunnen afzonderlijke subsidieplafonds worden vastgesteld voor bepaalde categorieën van aanvragers of activiteiten of voor bepaalde thema’s of voor bepaalde vormen van subsidie.

2.

Bij ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid wordt gekozen voor:

Bij ministeriële regeling wordt de periode vastgesteld waarbinnen de aanvragen om subsidie moeten zijn ontvangen.

3.

Indien wordt gekozen voor verdeling van het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst, kan bij ministeriële regeling worden bepaald op welke wijze wordt omgegaan met meerdere aanvragen van één aanvrager of aanvragers binnen één groep.

Artikel 9
1.

Indien het subsidieplafond wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen verdeelt Onze Minister het beschikbare bedrag in de volgorde van ontvangst van de aanvragen, met dien verstande dat indien een aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag en met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag voldoet aan de wettelijke voorschriften met betrekking tot de verdeling als datum van ontvangst geldt.

2.

Indien het subsidieplafond wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst en Onze Minister op de dag dat het subsidieplafond wordt bereikt meer dan één aanvraag ontvangt, stelt hij de onderlinge rangschikking van die aanvragen vast door middel van loting, tenzij bij ministeriële regeling een andere wijze van vaststelling van die rangschikking is bepaald.

3.

Indien het subsidieplafond wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst en het subsidieplafond is bereikt, doet Onze Minister daarvan onverwijld mededeling in de Staatscourant.

Artikel 10

Indien het subsidieplafond wordt verdeeld op volgorde van rangschikking van de aanvragen worden bij ministeriële regeling rangschikkingscriteria vastgesteld en, indien meerdere rangschikkingscriteria worden vastgesteld, de onderlinge weging daarvan. Indien Onze Minister zich bij de rangschikking van aanvragen laat adviseren door een persoon die of een college dat niet onder zijn verantwoordelijkheid werkzaam is, wordt bij ministeriële regeling bepaald door wie en op welke wijze het advies wordt uitgebracht.

Hoofdstuk 6. Indienen van de aanvraag

Artikel 11
1.

Een aanvraag om subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van een daartoe beschikbaar gesteld formulier. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat gebruik moet worden gemaakt van een door Onze Minister elektronisch beschikbaar gesteld formulier.

2.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de periode waarbinnen de aanvraag wordt ingediend.

3.

De aanvraag bevat, tenzij bij ministeriële regeling anders is bepaald, in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden:

Hoofdstuk 7. Afwijzingsgronden

Artikel 12

Onze Minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie indien de aanvraag niet voldoet aan de bij of krachtens dit besluit gestelde regels.

Artikel 13

Onze Minister beslist voorts afwijzend op een aanvraag om subsidie voor zover:

Artikel 14

Bij ministeriële regeling kunnen andere afwijzingsgronden dan de afwijzingsgronden, bedoeld in de artikelen 12 en 13, worden vastgesteld.

Hoofdstuk 8. Wijze van subsidieverstrekking

Artikel 15

Tenzij bij ministeriële regeling anders is bepaald, wordt een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld verleend onder de voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld.

Artikel 16
1.

Een subsidie lager dan € 25.000 wordt verstrekt in de vorm van een vast bedrag dat in de ministeriële regeling wordt vastgelegd of dat wordt bepaald op basis van gegevens die worden ingediend bij de aanvraag.

2.

Indien een subsidie lager dan € 25.000 wordt verstrekt, wordt:

3.

In het geval bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, is de subsidieontvanger verplicht om:

Artikel 17
1.

Een subsidie van € 25.000 tot € 125.000 wordt verstrekt in de vorm van een vast bedrag of een vast bedrag voor een nog te verrichten prestatie-eenheid, dat in de ministeriële regeling wordt vastgelegd of dat wordt bepaald op basis van gegevens die worden ingediend bij de aanvraag.

2.

Indien een subsidie van € 25.000 tot € 125.000 wordt verstrekt, wordt een beschikking tot subsidieverlening gegeven, met vermelding van de datum waarop de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht en het tijdstip waarop een aanvraag van een beschikking tot subsidievaststelling moet worden gedaan.

3.

In geval van een subsidie van € 25.000 tot € 125.000 is de subsidieontvanger verplicht om:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.