Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 12 augustus 2013, 2013-0000110985, tot cofinanciering van sectorplannen (Regeling cofinanciering sectorplannen)
Gelet op de artikelen 2, 3 en 5 van de Kaderwet SZW-subsidies;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
- –. aantal arbeidsjaareenheden: het aantal bij de organisatie gedurende een jaar voltijds werkende werknemers op grond van een arbeidsovereenkomst of een aanstelling in openbare dienst, waarbij deeltijdarbeid in fracties van arbeidsjaareenheden wordt uitgedrukt, en dienstverbanden op grond van een BBL niet worden meegerekend;
- –. aanvraagtijdvak: een door de minister vastgesteld tijdvak waarin aanvragen tot cofinanciering van sectorplannen kunnen worden ingediend;
- –. algemene opleiding: een interne of externe opleiding, niet zijnde bedrijfsspecifieke training, teneinde de leerling vakspecifieke beroepsvaardigheden aan te leren;
- –. arbeidsmarktregio: een arbeidsmarktregio die is opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling;
- –. arbeidsorganisatie: iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm, die economische activiteiten uitoefent;
- –. BBL: beroepsbegeleidende leerweg als bedoeld in artikel 7.2.2, tweede lid, onder b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
- –. branche: een tak van een handel of nijverheid binnen een sector;
- –. CAO: een collectieve arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst;
- –. centrale werkgeversorganisatie: een organisatie van werkgevers die is opgenomen in bijlage 2 bij deze regeling;
- –. cofinanciering: het percentage van de kosten in de begroting van het sectorplan dat op grond van deze regeling wordt gesubsidieerd;
- –. hoofdaanvrager: de rechtspersoon die namens een samenwerkingsverband een sectorplan indient en de subsidie aanvraagt op grond van deze regeling;
- –. kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven: een kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven als bedoeld in artikel 1.5.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
- –. kwetsbare werknemer: een persoon die ouder is dan 55 jaar, of in de voorafgaande zes maanden geen reguliere betaalde betrekking heeft gevonden, of niet in het bezit is van een startkwalificatie;
- –. loonkosten: het brutoloon van de werknemer vermeerderd met een percentage van 32% van dit brutoloon;
- –. maatregelen: alle activiteiten die tot realisatie van de doelen van het sectorplan leiden;
- –. de minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
- –. langdurig werkloze jongere: een persoon die op het moment waarop een aanvang wordt gemaakt met de inzet van een maatregel ten diens behoeven jonger is dan 27 jaar en die geen reguliere betaalde betrekking heeft gehad in de voorafgaande zes maanden;
- –. MKB-bedrijf: een onderneming waar op 31 december 2012 minder dan 250 personen werkzaam zijn en waarvan de meest recente jaaromzet 50 miljoen EUR of het jaarlijkse balanstotaal 43 miljoen EUR niet overschrijdt;
- –. O&O-fonds: een Opleidings- en Ontwikkelingsfonds, opgericht bij een bij de minister aangemelde collectieve arbeidsovereenkomst;
- –. onderneming: iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm, die commerciële economische activiteiten uitoefent;
- –. oudere werknemer: een werknemer, ouder dan 55 jaar, doch jonger dan de pensioensgerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet;
- –. potentiële werknemer: een langdurig werkloze jongere, die bij een arbeidsorganisatie werkervaring opdoet gedurende een periode van maximaal zes maanden, anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst, uitzendovereenkomst, aanstelling in openbare dienst of als zelfstandige en aan wie een arbeidsovereenkomst of aanstelling in openbare dienst in het vooruitzicht is gesteld;
- –. prestatie: de daadwerkelijk uitgevoerde maatregelen;
- –. project: het geheel van gelijksoortige maatregelen, dat wordt uitgevoerd door een onderneming of arbeidsorganisatie en dat wordt gesubsidieerd op grond van deze regeling;
- –. regeling: de Regeling cofinanciering sectorplannen;
- –. reguliere betaalde betrekking: een betaalde betrekking voor de duur van meer dan een maand op grond van een arbeidsovereenkomst of aanstelling in openbare dienst voor gemiddeld minstens 20 uur per week;
- –. samenwerkingsverband: een samenwerkingsverband dat ten minste bestaat uit een of meer werkgeversorganisaties en een of meer werknemersorganisaties;
- –. sector: een sector die is opgenomen in bijlage 3 bij deze regeling;
- –. sectorplan: een door een hoofdaanvrager namens een samenwerkingsverband ingediend plan met maatregelen voor knelpunten die blijkens een sectoranalyse in de betreffende sector aanwezig zijn;
- –. startkwalificatie: een diploma van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid onder b tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs of een diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 7 onderscheidenlijk artikel 8 van de Wet op het voortgezet onderwijs;
- –. subsidiabele activiteiten: alle maatregelen in het sectorplan die voor cofinanciering in aanmerking komen;
- –. werknemer: persoon die op het moment waarop een aanvang wordt gemaakt met de inzet van een maatregel ten diens behoeven jonger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, en die op grond van een arbeidsovereenkomst, dan wel een aanstelling in openbare dienst, arbeid verricht als werknemer, uitzendkracht of die arbeid verricht als zelfstandige zonder personeel;
- –. werkgeversorganisatie: een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid van werkgevers die partij is bij een op het moment van aanvraag geldende collectieve arbeidsovereenkomst, of een collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor personen werkzaam in openbare dienst, dan wel bij afwezigheid daarvan bij de laatst geldende collectieve arbeidsovereenkomst of collectieve arbeidsvoorwaardenregeling, dan wel een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid van werkgevers die is aangesloten bij een centrale werkgeversorganisatie;
- –. werknemersorganisatie: vereniging met volledige rechtsbevoegdheid van werknemers, niet zijnde zelfstandigen zonder personeel, die partij is bij een op het moment van aanvraag geldende collectieve arbeidsovereenkomst of een collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor personen werkzaam in openbare dienst, dan wel bij afwezigheid daarvan bij de laatst geldende collectieve arbeidsovereenkomst of collectieve arbeidsvoorwaardenregeling;
- –. wettelijk minimumloon: de aanspraak, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, of het percentage hiervan, bedoeld in de artikelen 2 of 3 van het Besluit minimumjeugdloon.
Artikel 1.2. Financiering sectorplannen
De sectorplannen worden gefinancierd uit de eigen middelen van de in het sectorplan betrokken werknemersorganisaties en werkgeversorganisaties en de arbeidsorganisaties en werknemers waarop het sectorplan betrekking heeft.
Onder eigen middelen van arbeidsorganisaties wordt niet verstaan middelen die voor dezelfde activiteiten als subsidie of uit private fondsen zijn verstrekt, met uitzondering van de middelen die uit een O&O-fonds zijn verstrekt.
Het tweede lid is niet van toepassing op in Nederland gevestigde rechtspersonen die een of meer subsidies ontvangen als bedoeld in artikel 4.21, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, die tezamen meer bedragen dan 50% van de jaarlijkse inkomsten van de rechtspersoon, met uitzondering van naamloze en besloten vennootschappen die een op winst gerichte onderneming drijven.
De minister stelt middelen beschikbaar voor de cofinanciering van maatregelen in sectorplannen teneinde subsidie te verlenen in de jaren 2013 tot en met 2015.
Maatregelen in sectorplannen komen voor een maximale termijn van twee aaneengesloten jaren voor cofinanciering in aanmerking. De aanvang van deze termijn kan niet eerder liggen dan na publicatie van deze regeling in de Staatscourant.
Artikel 1.3. Toepasselijkheid Algemene regeling SZW-subsidies
Op deze regeling is de Algemene regeling SZW-subsidies van toepassing voor zover daarvan in deze regeling niet wordt afgeweken.
Artikel 1.4. Subsidieplafond
De minister stelt 440 miljoen EUR beschikbaar voor de cofinanciering van sectorplannen, welk bedrag wordt onderverdeeld in door de minister vast te stellen aanvraagtijdvakken met voor de tijdvakken afzonderlijk vast te stellen subsidieplafonds.
De mogelijkheid tot het indienen van aanvragen om subsidie bestaat slechts gedurende door de minister vastgestelde aanvraagtijdvakken. Indien deze mogelijkheid wordt geopend, wordt hiervan vooraf door de minister in de Staatscourant mededeling gedaan met vermelding van het subsidieplafond voor dat aanvraagtijdvak.
Artikel 1.5. Verdeling
Voor het bepalen van het bereiken van het subsidieplafond binnen een aanvraagtijdvak, worden de subsidieaanvragen op volgorde van binnenkomst behandeld, waarbij alleen een volledige subsidieaanvraag in behandeling wordt genomen. Van een volledige subsidieaanvraag is sprake wanneer wordt voldaan aan artikel 2.3.
Wanneer de hoofdaanvrager op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht in de gelegenheid is gesteld zijn aanvraag tot cofinanciering aan te vullen, geldt als datum van binnenkomst de datum van ontvangst van de volledige aanvraag tot cofinanciering.
Artikel 1.6. Mandaat directeur Agentschap SZW
Vervallen
Hoofdstuk 2. Subsidieverlening
Artikel 2.1. Het samenwerkingsverband
Een sectorplan wordt opgesteld door een samenwerkingsverband dat ten minste bestaat uit een of meer werknemersorganisaties en een of meer werkgeversorganisaties.
Het samenwerkingsverband kan in afwijking van het eerste lid bestaan uit een of meer werknemersorganisaties en meerdere bij een werkgeversorganisatie aangesloten arbeidsorganisaties.
De samenwerking kan worden georganiseerd binnen of tussen een of meer sectoren, branches of arbeidsmarktregio’s.
De samenwerking wordt vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst waarin een hoofdaanvrager wordt aangewezen.
Artikel 2.2. De hoofdaanvrager
De hoofdaanvrager dient namens een samenwerkingsverband een sectorplan in en vraagt hiervoor subsidie aan.
De hoofdaanvrager toont aan dat de aanvraag wordt ingediend namens een samenwerkingsverband waarvan de betrokken partijen in staat zijn om het sectorplan binnen de gestelde tijd uit te voeren.
De hoofdaanvrager toont aan dat hij gemachtigd is het samenwerkingsverband in en buiten rechte te vertegenwoordigen.
Als hoofdaanvrager kan optreden:
- –. een werkgeversorganisatie;
- –. een werknemersorganisatie;
- –. een O&O-fonds; of
- –. een Kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven.
De hoofdaanvrager toont aan te beschikken over een eigen vermogen van ten minste 80% van het aangevraagde subsidiebedrag, exclusief overhead als bedoeld in artikel 5.6, tweede lid.
Indien de hoofdaanvrager niet beschikt over een eigen vermogen van ten minste 80% van het aangevraagde subsidiebedrag, stelt het samenwerkingsverband zich garant voor een bedrag van ten minste 80% van het aangevraagde subsidiebedrag.
Indien het aanwijzen van een hoofdaanvrager als bedoeld in het vierde lid niet mogelijk is, kan een sectorplan eveneens worden ingediend door een andere organisatie die als hoofdaanvrager optreedt, indien die daarbij aantoont:
- a. dat het aanwijzen van één van de organisaties, genoemd in het vierde lid, voor de desbetreffende arbeidsmarktregio, sector of branche niet mogelijk is; en
- b. dat het samenwerkingsverband zich garant stelt voor ten minste 80% van het aangevraagde subsidiebedrag.
Artikel 2.3. De aanvraag
Het aangevraagde subsidiebedrag bedraagt ten minste 250.000 EUR, exclusief overhead als bedoeld in artikel 5.6, tweede lid.
De subsidieaanvraag wordt gedaan middels een door de minister verstrekt elektronisch formulier.
De minister kan in afwijking van het tweede lid en artikel 1.4, tweede lid, besluiten een of meer samenwerkingsverbanden aan te wijzen die in de gelegenheid worden gesteld voorafgaand aan het eerste aanvraagtijdvak en zonder gebruikmaking van het elektronisch formulier een aanvraag in te dienen. Dit besluit wordt in de Staatscourant gepubliceerd.
De subsidieaanvraag wordt niet in behandeling genomen indien de hoofdaanvrager in hetzelfde aanvraagtijdvak reeds een aanvraag heeft ingediend met betrekking tot dezelfde sectoren, branches of arbeidsmarktregio’s.
Bij de aanvraag wordt een sectorplan overlegd dat ten minste bestaat uit:
- a. een samenwerkingsovereenkomst die in ieder geval is ondertekend door alle werknemersorganisaties en werkgeversorganisaties of arbeidsorganisaties die zijn betrokken in het samenwerkingsverband dat het sectorplan heeft opgesteld;
- b. een schriftelijke machtiging waaruit blijkt dat de hoofdaanvrager gemachtigd is het samenwerkingsverband in en buiten rechte te vertegenwoordigen;
- c. een analyse met een overzicht van acute arbeidsmarktknelpunten en van de arbeidsbehoefte en mogelijke arbeidsmarktknelpunten in de komende vijf jaren in de sectoren, branches of arbeidsmarktregio’s waarop het sectorplan betrekking heeft;
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.