Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie d.d. 30 augustus 2013, nr. 413922, DGPolitie/Programma Arbeidsvoorwaarden, voor de uitvoering van een regeling met betrekking tot voorzieningen in plaats van levensloopbijdragen voor (gedeeltelijk) arbeidsongeschikte ambtenaren bij de politie

Type Ministeriële regeling
Publication 2025-07-10
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 12f, zesde lid, van het Besluit bezoldiging politie;

Besluit:

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2
1.

De ambtenaar die gebruik maakt van de in artikel 12f, tweede lid, van het Bbp genoemde keuzemogelijkheden, stelt het bevoegd gezag schriftelijk van diens keuze op de hoogte:

2.

Bij de eenmalige keuze bedoeld in het eerste lid, onder a, geeft de ambtenaar op grond van artikel 12f, derde lid, van het Bbp, aan of de levensloopbijdragen als niet-pensioengevend moeten worden aangemerkt.

3.

Binnen vier weken na ontvangst van de schriftelijk gedane keuze bedoeld in het eerste lid, wordt door het bevoegd gezag een opgave verstrekt van de door de ambtenaar gemaakte keuze en indien van toepassing diens besluit de levensloopbijdragen niet-pensioengevend te laten zijn. De opgave wordt daarbij voorzien van een berekening van:

Artikel 3
1.

Indien de ambtenaar gekozen heeft voor geheel of gedeeltelijk verlof, dan staat de omvang van het verlof gelijk aan het geheel of het deel van de waarde van de levensloopbijdragen die de ambtenaar maandelijks zou hebben verkregen als de ambtenaar geen uitkering op grond van de WAO of de WIA zou zijn toegekend, gedeeld door zijn uurloon in de maand waarin de levensloopbijdragen zouden zijn toegekend.

2.

De ambtenaar kan verzoeken, indien de omvang van het in het eerste lid bedoelde verlof het in artikel 11, eerste lid, onderdeel r. ten eerste van de Wet op de Loonbelasting 1964 genoemde maximum overschrijdt, het verlof tot dat maximum te beperken.

3.

Het door het bevoegde gezag toegekende verlof is eenmalig en is, behoudens het zesde lid, niet in enige geldelijke vergoeding om te zetten.

4.

Over de tijdstippen waarop het verlof wordt genoten, alsmede over de tijdvakken waarin deze eventueel zal worden gesplitst, beslist het bevoegd gezag in goed overleg met de ambtenaar.

5.

Indien aan de ambtenaar ontheffing van zijn werkzaamheden is verleend, als bedoeld in artikel 55aa van het Barp, is het gestelde in het eerste lid, onderdeel c. van dat artikel van overeenkomstige toepassing, waarbij in plaats van eindeloopbaanverlof bedoeld in de levensloopregeling, het verlof wordt bedoeld op grond van dit artikel.

6.

Bij overlijden van de ambtenaar, voordat hij het verlof heeft genoten, is artikel 26, eerste lid, van het Barp van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2006.

Artikel 5

Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling Voorzieningen in plaats van levensloopbijdragen voor (gedeeltelijk) arbeidsongeschikte politieambtenaren.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.