Beleidsregel van de Minister van Infrastructuur en Milieu en de voorzitter van de commissie van deskundigen van 14 oktober 2013, nr. ILT-2013/39422 betreffende een nadere invulling van de technische eisen die gelden in het kader van de afgifte van certificaten van onderzoek voor binnenvaartschepen op grond van de Binnenvaartwet (Beleidsregel Binnenvaart 2013)

Type Beleidsregel
Publication 2018-02-02
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 4:81, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht,

Besluiten:

§ 1. Begripsbepalingen

Artikel 1.1

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

Artikel 1.2

In afwijking van de in deze beleidsregel worden binnen de grenzen van het ADN, de richtlijn 2006/87/EG en het RosR 1995 andere voorzieningen aanvaard indien ten genoegen van de minister of de commissie van deskundigen wordt aangetoond dat deze een gelijkwaardig niveau van veiligheid garanderen.

§ 2. Terugstellen motorvermogen

Artikel 2.1

Een aanvraag om het vermogen van de voortstuwingsinstallatie van een binnenvaartschip tot een lagere waarde dan het nominale vermogen terug te stellen, wordt ingewilligd onder de volgende voorwaarden:

§ 3. Kunststof sanitairleidingen en-doorvoeringen

Artikel 3.1

Voor de toepassing van de artikelen 3.04, derde lid, van het RosR 1995 en 3.04, derde lid, van bijlage II van de EU-richtlijn 2006/87/EG worden kunststof afvoerleidingen van sanitaire systemen die door dekken van machinekamers voeren, beschouwd te zijn vervaardigd van onbrandbaar materiaal indien voldaan wordt aan de volgende eisen:

Artikel 3.2

Artikel 3.1 is van overeenkomstige toepassing indien een doorvoering door een wand gaat.

Artikel 3.3

Indien bestaande situaties, die reeds vóór 1 januari 2001 door deminister dan wel door de commissie van deskundigen zijn aanvaard, niet voldoen aan de artikelen 3.1 en 3.2, kan worden aanvaard dat de betreffende leidingen worden geïsoleerd met brandisolatie van voldoende dikte, bijvoorbeeld steenwol met een dikte van ten minste 10 cm.

§ 4. Constructie en materiaal van scheepsramen

Artikel 4.1

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Artikel 4.2

Voor de toepassing van de artikelen 3.02 van het RosR 1995 en 3.02 van bijlage II van de EU-richtlijn 2006/87/EG worden Vensters in de scheepshuid en in de buitenwand van binnenvaartschepen geacht voldoende sterk te zijn indien wordt voldaan aan de in deze paragraaf gestelde eisen.

Artikel 4.3
1.

De positie van vensters wordt bepaald naar de plaats in hoogte in de scheepshuid dan wel in de buitenwand. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in:

Positie 1:

Voor zone 2: vensters waarvan de onderkant van het glas binnen 0,60 m van de geladen lastlijn ligt;

Voor zone 3 en 4: vensters waarvan de onderkant van het glas binnen 0,30 m van de geladen lastlijn ligt;

Positie 2:

Vensters waarvan de onderkant van het glas boven positie 1, doch niet meer dan 0,60 m daarboven ligt;

Positie 3:

Vensters waarvan de onderkant van het glas boven positie 2, doch niet meer dan 1,30 m daarboven ligt;

Positie 4:

Vensters waarvan de onderkant van het glas boven positie 3 ligt.

2.

Voor vensters van open rondvaartboten en van rondvaartboten van het Amsterdamse grachtentype, bestemd voor de vaart op zone 4, is geen indeling naar positie bepaald. Ook worden voor deze schepen geen eisen gesteld aan de constructie van de frames.

Artikel 4.4
1.

Voor de constructie van vensters gelden de volgende eisen:

Artikel 4.5
1.

De minimum glasdikte wordt bepaald volgens de formule uit de NEN-ISO norm 3903 Annex B:

Hierin geldt:

t: de glasdikte in millimeters;

a: de kleinste maat van het venster in mm;

β: de factor als gevolg van de verhouding tussen de grootste en de kleinste maat van het venster;

P: de druk op het venster in kPa.

De waarde van β wordt bepaald uit de grafiek in de NEN-ISO norm 3903 Annex B.

Deze waarde kan ook berekend worden met de volgende formule:

β = 0.0179 * x3 – 0.2091 * x2 + 0.817 *x – 0.3378 – met als maximum 0,75

Hierin is x de grootste glasmaat b gedeeld door de kleinste glasmaat a.

2.

P wordt als volgt bepaald:

P = P1 x f1

Voor vensters in positie 1 geldt: P1 = 60 – (10 * h/V)

Voor vensters in positie 2, 3 en 4 geldt: P1 = (50 – 42 * (h – V) met een minimum van 1 kPa.

In deze formules is:

V: 0,60 m voor zone 2 en 0,30 m voor zone 3 en 4;

h: de hoogte van de onderkant van het venster boven de geladen lastlijn in meters;

f1: correctiefactor voor de zone.

De correctiefactor f1 voor de zone bedraagt:

Voor zone 2: f1 = 1;

Voor zone 3: f1 = 0,64;

Voor zone 4: f1 = 0,25.

3.

Voor lichtranden en patrijspoorten wordt de glasdikte bepaald volgens de formule:

t = 0,87 x t1 (mm).

Hierin is:

t1: basisdikte in mm. Deze wordt overeenkomstig het eerste lid bepaald.

4.

De berekende minimum glasdikte mag in alle gevallen met ten hoogste 0,5 mm naar beneden worden afgerond in verband met genormaliseerde standaard glasdikten.

5.

De glasdikte van ramen bedraagt in alle gevallen ten minste 8 mm voor ramen in de positie 1 en ten minste 5 mm voor ramen in de positie 2, 3 en 4.

6.

Gelamineerd voorgespannen glas mag in alle gevallen worden toegepast, waarbij de equivalente dikte wordt bepaald volgens de formule:

Hierin betekent:

ti: de dikte van elke afzonderlijke glaslaag (mm);

t: de equivalente glasdikte volgens dit artikel.

7.

Voor binnenvaartschepen, waarbij de vensters in de opbouw geplaatst zijn en het gangboord is uitgevoerd met een dichte verschansing aan de buitenzijde, wordt voor deze vensters de maat h vervangen door de maat:

h1 = h + 0,2 b + 0,2 q.

Hierin is:

b: de hoogte van de dichte verschansing in meters;

q: de breedte van het gangboord in m, horizontaal gemeten vanaf de buitenkant van het schip tot aan de opbouw.

Indien de maat b minder bedraagt dan 0,15 m en de maat q minder bedraagt dan 0,40 m, wordt de maat h niet vervangen door de maat h1.

8.

Voor binnenvaartschepen waarbij vensters in een (schuif-)pui in de achterwand van de opbouw geplaatst zijn, wordt voor deze vensters de maat h vervangen door de maat h2= h + 0,5c.

Hierin is:

c: de kortste afstand van de zijkant van het venster tot aan de buitenhuid, horizontaal dwarsscheeps gemeten in m. Indien de maat c minder bedraagt dan 0,40 m, wordt de maat h niet vervangen door de maat h2.

9.

Wanneer een rondvaartboot van het Amsterdamse grachtentype is voorzien van een berghout en een overstekend gangboord wordt de factor h, als bedoeld in het derde lid, vervangen door de factor:

h3= h + 0,2 p + 0,2 q.

Hierin is:

p: de horizontale oversteek van het berghout in m, aan de onderzijde gemeten;

q: de breedte van het gangboord in m, horizontaal gemeten vanaf de buitenkant van het berghout tot de onderkant van de opbouw. Indien de maat p minder bedraagt dan 0,10 m of de maat q minder bedraagt dan 0,30 m, wordt de maat h niet vervangen door de maat h3.

10.

De glasdikte van ramen in open rondvaartboten en in rondvaartboten van het Amsterdamse grachtentype, bestemd voor de vaart op zone 4, bedraagt ten minste 5 mm.

Artikel 4.6
1.

Indien een raam in de positie 3 en 4 door middel van stijlen in afzonderlijke delen is verdeeld, bijvoorbeeld bij toepassing van schuif- of klapramen, wordt bij de bepaling van de glasdikte rekening gehouden met de afmetingen van de afzonderlijke delen indien de frames zo sterk zijn dat de afzonderlijke delen als afzonderlijk raam kunnen worden beschouwd.

2.

Bij toepassing van vensters met dubbel glas, waarbij de glasschijven worden gescheiden door een spouw, wordt de glasdikte van de buitenste glasschijf bepaald volgens artikel 4.5. De dikte van de binnenste glasschijf bedraagt ten minste 4 mm.

Artikel 4.7
1.

De artikelen 4.1 tot en met 4.6 zijn niet van toepassing op schepen die op de datum van inwerkingtreding van deze beleidsregel in het bezit zijn van een geldig certificaat van onderzoek.

2.

Bij verbouwing van een in het eerste lid bedoeld schip, zijn de artikelen 4.1 tot en met 4.6 van toepassing op de te verbouwen gedeelten.

3.

Indien voor een dergelijk schip uitbreiding van het toegestane vaargebied wordt aangevraagd, zijn de artikelen 4.1 tot en met 4.6 van toepassing.

§ 5. Voldoende uitzicht stuurhut

Artikel 5.1

Bij de toepassing van artikel 7.02, derde lid, van het RosR 1995, en artikel 7.02, derde lid, van bijlage II van de richtlijn 2006/87/EG wordt onderstaande invulling gegeven aan bevoegdheid van de Commissie van Deskundigen:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.