Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 19 november 2013, kenmerk MEVA-164800-112408, houdende het voorschrijven van UR-geneesmiddelen door bepaalde categorieën van verpleegkundigen

Type Ministeriële regeling
Publication 2016-03-19
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op de artikelen 36, veertiende lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, en 2, achtste lid en 4, tweede lid van het Registratiebesluit BIG;

Besluit:

Paragraaf 1. Begripsbepalingen

Paragraaf 2. Verpleegkundige op het gebied van diabetes mellitus

Artikel 2
1.

Als bevoegd tot het voorschrijven van UR-geneesmiddelen op het gebied van diabetes mellitus wordt aangewezen:

2.

Een opleiding als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, kan door de Minister worden aangewezen indien:

3.

De module farmacotherapie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 2°, en onderdeel c, onder 2°, kan door de Minister worden aangewezen, indien:

Artikel 3

De bevoegdheid tot het voorschrijven van geneesmiddelen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, geldt slechts:

Paragraaf 3. Verpleegkundige op het gebied van de oncologie

Paragraaf 3. Verpleegkundige op het gebied van de oncologie

Artikel 6
1.

Als bevoegd tot het voorschrijven van UR-geneesmiddelen op het gebied van astma en COPD wordt aangewezen:

2.

Een opleiding als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, kan door de Minister worden aangewezen indien:

3.

De module farmacotherapie bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 2°, kan door de Minister worden aangewezen, indien:

Artikel 7

De bevoegdheid tot het voorschrijven van geneesmiddelen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, geldt slechts;

Artikel 8
1.

Bij een aanvraag als bedoeld in artikel 5, eerste lid, tweede volzin, van de wet, dient de verpleegkundige, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, dan wel artikel 6, eerste lid, onderdeel a, het getuigschrift of een gewaarmerkte kopie, die is gewaarmerkt door de instelling die het getuigschrift heeft afgegeven of door een notaris, te overleggen waaruit blijkt dat hij met goed gevolg de voorgeschreven scholing heeft afgerond.

2.

Bij een aanvraag als bedoeld in artikel 5, eerste lid, tweede volzin, van de wet, dient de verpleegkundige, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b of c, of in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, c of d, dan wel in artikel 6, eerste lid, onderdeel b het getuigschrift of een kopie, die is gewaarmerkt door de instelling die het getuigschrift heeft afgegeven of door een notaris, te overleggen waaruit blijkt dat is voldaan aan het eerste lid, onderdeel b of c van artikel 2, ofwel aan het eerste lid, onderdeel b, c, of d van artikel 4, dan wel aan het eerste lid, onderdeel b, van artikel 6.

Artikel 9
2.

De aanwijzing van een opleiding als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, en artikel 6, eerste lid, onderdeel a, heeft een geldigheidsduur van ten hoogste vijf jaar. De geldigheidsduur, bedoeld in de eerste volzin kan daarenboven terugwerken tot een in de aanwijzing vast te stellen termijn.

3.

De aanwijzing van een module farmacotherapie als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, en onderdeel c, onder 2°, artikel 4, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, en onderdeel c, onder 2°, en artikel 6, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, heeft een geldigheidsduur van ten hoogste twee jaar. De geldigheidsduur, bedoeld in de eerste volzin kan daarenboven terugwerken tot een in de aanwijzing vast te stellen termijn.

4.

Indien in de opleidingen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, artikel 4, eerste lid, onderdeel a, en artikel 6, eerste lid, onderdeel a, en in de modules farmacotherapie, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, onder 2° en onderdeel c, onder 2°, artikel 4, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, onderdeel c, onder 2°, en onderdeel d, onder 2°, en artikel 6, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, wijzigingen plaatsvinden betreffende de vereisten, bedoeld in artikel 2, tweede en derde lid, artikel 4, tweede en derde lid, onderscheidenlijk artikel 6, tweede en derde lid, stelt de hogeschool of zorginstelling de Minister daarvan zo spoedig mogelijk op de hoogte.

5.

De hogeschool of zorginstelling waarvan de opleiding of module farmacotherapie is aangewezen, verstrekt de Minister op verzoek informatie die noodzakelijk is om te beoordelen of de opleiding dan wel de module farmacotherapie op enig moment voldoet aan de bij deze regeling gestelde eisen.

6.

Onze Minister kan een aanwijzing intrekken zodra de opleiding niet of niet langer voldoet aan de bij deze regeling gestelde eisen.

7.

Van een aanwijzing of een intrekking van een aanwijzing wordt kennis gegeven in de Staatscourant.

Paragraaf 5. Overige bepalingen

Paragraaf 5. Overige bepalingen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.