Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 19 november 2013, kenmerk MEVA-164800-112408, houdende het voorschrijven van UR-geneesmiddelen door bepaalde categorieën van verpleegkundigen
Gelet op de artikelen 36, veertiende lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, en 2, achtste lid en 4, tweede lid van het Registratiebesluit BIG;
Besluit:
Paragraaf 1. Begripsbepalingen
Paragraaf 2. Verpleegkundige op het gebied van diabetes mellitus
Artikel 2
Als bevoegd tot het voorschrijven van UR-geneesmiddelen op het gebied van diabetes mellitus wordt aangewezen:
- a. de verpleegkundige die in het bezit is van een getuigschrift waaruit blijkt dat deze met goed gevolg een door de Minister aangewezen post-HBO-opleiding tot verpleegkundige op het gebied van diabetes mellitus heeft afgesloten;
- b. de verpleegkundige die:
- 1°. in het bezit is van een getuigschrift waaruit blijkt dat betrokkene een post-HBO-opleiding tot verpleegkundige op het gebied van diabetes mellitus aan de Hogeschool van Rotterdam of de Hogeschool van Utrecht met goed gevolg heeft afgesloten; en
- 2°. in het bezit is van een getuigschrift waaruit blijkt dat de verpleegkundige een door de Minister aangewezen module farmacotherapie, vóór 1 februari 2016, met goed gevolg heeft afgesloten;
- c. de verpleegkundige die:
- 1°. in het bezit is van een getuigschrift van de Stichting Specifieke Scholing Verpleegkundigen dan wel van een getuigschrift dat na 30 oktober 2009 is afgegeven door de Stichting Sint Antonius Ziekenhuis waaruit blijkt dat de betrokkene de op het getuigschrift betrekking hebbende vervolgopleiding diabetes mellitus met goed gevolg heeft afgesloten; en
- 2°. in het bezit is van een getuigschrift waaruit blijkt dat de verpleegkundige een door de Minister aangewezen module farmacotherapie, vóór 1 februari 2016, met goed gevolg heeft afgesloten.
Een opleiding als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, kan door de Minister worden aangewezen indien:
- 1°. de hogeschool die de opleiding verzorgt, de volgende voorwaarden hanteert om de verpleegkundige op het gebied van diabetes mellitus in opleiding toe te laten:
- –. betrokkene heeft een aanstelling voor ten minste achttien uren per week als verpleegkundige op het gebied van diabetes mellitus in opleiding;
- –. er is een relevant geschoolde mentor op de werkplek beschikbaar die de praktijkopdrachten van de betrokkene begeleidt; en
- –. tussen de betrokkene en de werkgever is een leerwerkovereenkomst gesloten waarin in ieder geval afspraken over de praktijkbegeleiding tussen de werkgever en de betrokken verpleegkundige zijn vastgelegd;
- 2°. de opleiding is verbonden aan een hogeschool die tevens een door de NVAO geaccrediteerde opleiding tot verpleegkundige verzorgt;
- 3°. de opleiding ten minste twaalf maanden duurt;
- 4°. de opleiding ten minste dertig contactdagen kent en een studielast heeft van ten minste 24 studiepunten waarvan de module farmacotherapie onderdeel uitmaakt en bestaat uit ten minste drie contactdagen en 2,5 studiepunten;
- 5°. de opleidingscompetenties zijn ontleend aan een landelijk beroepsprofiel dat voor verpleegkundigen op het gebied van de diabetes mellitus door de EADV is vastgesteld en die zijn vertaald in een opleidingsprofiel;
- 6°. het personeel en het opleidingsprogramma van de hogeschool het mogelijk maken de beoogde opleidingscompetenties te realiseren; en
- 7°. de hogeschool die de opleiding verzorgt, beschikt over een adequaat systeem van toetsing en aantoont dat de beoogde opleidingscompetenties worden gerealiseerd.
De module farmacotherapie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 2°, en onderdeel c, onder 2°, kan door de Minister worden aangewezen, indien:
- 1°. de hogeschool, die de module verzorgt, als voorwaarde hanteert voor toelating van de verpleegkundige op het gebied van diabetes mellitus tot de module, dat de betrokkene ten minste achttien uren per week werkzaam is als verpleegkundige op het gebied van diabetes mellitus;
- 2°. de module is verbonden aan een hogeschool, die tevens een door de NVAO geaccrediteerde opleiding tot verpleegkundige verzorgt;
- 3°. de module ten minste drie contactdagen kent en een studielast heeft van 2,5 studiepunten;
- 4°. de modulecompetenties zijn ontleend aan de competenties uit een landelijk beroepsprofiel dat voor verpleegkundigen op het gebied van de diabetes mellitus door de EADV is vastgesteld en die zijn vertaald in een moduleprofiel;
- 5°. het personeel en het moduleprogramma van de hogeschool het mogelijk maken de beoogde modulecompetenties te realiseren; en
- 6°. de hogeschool die de module verzorgt, beschikt over een adequaat systeem van toetsing en aantoont dat de beoogde modulecompetenties worden gerealiseerd.
Artikel 3
De bevoegdheid tot het voorschrijven van geneesmiddelen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, geldt slechts:
- a. ten aanzien van bloedglucoseregulerende geneesmiddelen;
- b. voor zover een arts de diagnose diabetes mellitus met betrekking tot de patiënt heeft gesteld; en
- c. voor zover de op grond van artikel 2, eerste lid, aangewezen verpleegkundige bij het voorschrijven de binnen de relevante beroepsgroepen geldende richtlijnen, standaarden en daarvan afgeleide protocollen volgt.
Paragraaf 3. Verpleegkundige op het gebied van de oncologie
Paragraaf 3. Verpleegkundige op het gebied van de oncologie
Artikel 6
Als bevoegd tot het voorschrijven van UR-geneesmiddelen op het gebied van astma en COPD wordt aangewezen:
- a. de verpleegkundige die in het bezit is van het getuigschrift waaruit blijkt dat deze met goed gevolg een door de Minister aangewezen post-HBO-opleiding tot verpleegkunde op het gebied van astma en COPD heeft afgesloten;
- b. de verpleegkundige die:
- 1°. in het bezit is van een getuigschrift waaruit blijkt dat betrokkene een post-HBO-opleiding tot verpleegkundige op het gebied van astma en COPD aan de Hogeschool van Rotterdam of de Hogeschool van Utrecht met goed gevolg heeft afgesloten; en
- 2°. in het bezit is van een getuigschrift waaruit blijkt dat de verpleegkundige een door de Minister aangewezen module farmacotherapie, vóór 1 februari 2016, met goed gevolg heeft afgesloten.
Een opleiding als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, kan door de Minister worden aangewezen indien:
- 1°. de hogeschool die de opleiding verzorgt de volgende voorwaarden hanteert om de verpleegkundige op het gebied van astma en COPD in opleiding toe te laten:
- –. de betrokkene heeft een aanstelling voor ten minste achttien uren per week als verpleegkundige op het gebied van astma en COPD in opleiding;
- –. er is een relevant geschoolde mentor op de werkplek beschikbaar die de praktijkopdrachten van de betrokkene begeleidt; en
- –. tussen de betrokkene en de werkgever is een leerwerkovereenkomst gesloten waarin in ieder geval afspraken over de praktijkbegeleiding tussen de werkgever en de betrokken verpleegkundige zijn vastgelegd;
- 2°. de opleiding is verbonden aan een hogeschool die tevens een door de NVAO geaccrediteerde opleiding tot verpleegkundige verzorgt;
- 3°. de opleiding ten minste twaalf maanden duurt;
- 4°. de opleiding ten minste dertig contactdagen kent en een studielast heeft van ten minste 24 studiepunten, waarvan de module farmacotherapie onderdeel uitmaakt en bestaat uit ten minste drie contactdagen en 2,5 studiepunten;
- 5°. de opleidingscompetenties zijn ontleend aan een landelijk beroepsprofiel dat voor verpleegkundigen op het gebied van astma en COPD door de V&VN is vastgesteld en vertaald in een opleidingsprofiel;
- 6°. het personeel en het opleidingsprogramma van de hogeschool het mogelijk maken de beoogde opleidingscompetenties te realiseren; en
- 7°. de hogeschool die de opleiding verzorgt, beschikt over een adequaat systeem van toetsing en aantoont dat de beoogde opleidingscompetenties worden gerealiseerd.
De module farmacotherapie bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 2°, kan door de Minister worden aangewezen, indien:
- 1°. de hogeschool, die de module verzorgt, als voorwaarde hanteert voor toelating van de verpleegkundige op het gebied van astma en COPD tot de module, dat de betrokkene ten minste achttien uren per week werkzaam is als verpleegkundige op het gebied van astma en COPD;
- 2°. de module is verbonden aan een hogeschool, die tevens een door de NVAO geaccrediteerde opleiding tot verpleegkundige verzorgt;
- 3°. de module ten minste drie contactdagen kent en een studielast heeft van 2,5 studiepunten;
- 4°. de modulecompetenties zijn ontleend aan de competenties uit een landelijk beroepsprofiel dat voor verpleegkundigen op het gebied van astma en COPD door de V&VN is vastgesteld en vertaald in een moduleprofiel;
- 5°. het personeelsbestand en het moduleprogramma van de hogeschool zijn zodanig samengesteld dat de beoogde modulecompetenties kunnen worden gerealiseerd; en
- 6°. de hogeschool die de module verzorgt, beschikt over een adequaat systeem van toetsing en aantoont dat de beoogde modulecompetenties worden gerealiseerd.
Artikel 7
De bevoegdheid tot het voorschrijven van geneesmiddelen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, geldt slechts;
- a. ten aanzien van inhalatiemedicatie;
- b. indien een arts de diagnose astma of COPD met betrekking tot de patiënt heeft gesteld; en
- c. voor zover de op grond van artikel 6, eerste lid, aangewezen verpleegkundige bij het voorschrijven de binnen de relevante beroepsgroepen geldende richtlijnen, standaarden en daarvan afgeleide protocollen volgt.
Artikel 8
Bij een aanvraag als bedoeld in artikel 5, eerste lid, tweede volzin, van de wet, dient de verpleegkundige, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, dan wel artikel 6, eerste lid, onderdeel a, het getuigschrift of een gewaarmerkte kopie, die is gewaarmerkt door de instelling die het getuigschrift heeft afgegeven of door een notaris, te overleggen waaruit blijkt dat hij met goed gevolg de voorgeschreven scholing heeft afgerond.
Bij een aanvraag als bedoeld in artikel 5, eerste lid, tweede volzin, van de wet, dient de verpleegkundige, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b of c, of in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, c of d, dan wel in artikel 6, eerste lid, onderdeel b het getuigschrift of een kopie, die is gewaarmerkt door de instelling die het getuigschrift heeft afgegeven of door een notaris, te overleggen waaruit blijkt dat is voldaan aan het eerste lid, onderdeel b of c van artikel 2, ofwel aan het eerste lid, onderdeel b, c, of d van artikel 4, dan wel aan het eerste lid, onderdeel b, van artikel 6.
Artikel 9
Voor een aanwijzing als bedoeld in artikel 2, tweede en derde lid, artikel 4, tweede en derde lid, en artikel 6, tweede en derde lid:
- a. dient een aanvraag door de hogeschool dan wel zorginstelling te worden gedaan die de opleiding of module farmacotherapie verzorgt;
- b. worden door de aanvrager de bescheiden overgelegd waaruit blijkt dat zij aan de vereisten voldoen als bedoeld in artikel 2, tweede en derde lid, artikel 4, tweede en derde lid, en artikel 6, tweede en derde lid.
De aanwijzing van een opleiding als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, en artikel 6, eerste lid, onderdeel a, heeft een geldigheidsduur van ten hoogste vijf jaar. De geldigheidsduur, bedoeld in de eerste volzin kan daarenboven terugwerken tot een in de aanwijzing vast te stellen termijn.
De aanwijzing van een module farmacotherapie als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, en onderdeel c, onder 2°, artikel 4, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, en onderdeel c, onder 2°, en artikel 6, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, heeft een geldigheidsduur van ten hoogste twee jaar. De geldigheidsduur, bedoeld in de eerste volzin kan daarenboven terugwerken tot een in de aanwijzing vast te stellen termijn.
Indien in de opleidingen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, artikel 4, eerste lid, onderdeel a, en artikel 6, eerste lid, onderdeel a, en in de modules farmacotherapie, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, onder 2° en onderdeel c, onder 2°, artikel 4, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, onderdeel c, onder 2°, en onderdeel d, onder 2°, en artikel 6, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, wijzigingen plaatsvinden betreffende de vereisten, bedoeld in artikel 2, tweede en derde lid, artikel 4, tweede en derde lid, onderscheidenlijk artikel 6, tweede en derde lid, stelt de hogeschool of zorginstelling de Minister daarvan zo spoedig mogelijk op de hoogte.
De hogeschool of zorginstelling waarvan de opleiding of module farmacotherapie is aangewezen, verstrekt de Minister op verzoek informatie die noodzakelijk is om te beoordelen of de opleiding dan wel de module farmacotherapie op enig moment voldoet aan de bij deze regeling gestelde eisen.
Onze Minister kan een aanwijzing intrekken zodra de opleiding niet of niet langer voldoet aan de bij deze regeling gestelde eisen.
Van een aanwijzing of een intrekking van een aanwijzing wordt kennis gegeven in de Staatscourant.
Paragraaf 5. Overige bepalingen
Paragraaf 5. Overige bepalingen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
- a. astma: een chronische ontsteking van de luchtwegen;
- b. commissie: de commissie, bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van het Besluit buitenslands gediplomeerden volksgezondheid;
- c. contactdag: een dag waarop studenten op een bepaalde locatie gedurende minimaal 6 uren rechtstreeks onderwijs krijgen van deskundigen over voor hun opleiding relevante onderwerpen;
- d. CZO: Stichting College Zorg Opleidingen;
- e. COPD: Chronic Obstructive Pulmonary Disease;
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.