Besluit van 25 november 2013, houdende regels inzake de in het kader van de Kernenergiewet in rekening te brengen kosten (Besluit vergoedingen Kernenergiewet)
Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 1 oktober 2013, nr. WJZ / 13162708;
Gelet op artikel 74 van de Kernenergiewet;
De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 23 oktober 2013, nr. W.15.13.0348/IV);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 19 november 2013, nr. WJZ / 13189981;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
- –. bedrag: bedrag als bedoeld in artikel 74 van de wet;
- –. gecompliceerd besluit: een besluit dat betrekking heeft op:
- a. de veiligheidsfuncties van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onderdeel b, van de wet of
- b. meerdere technische of organisatorische processen van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onderdeel b, van de wet;
- –. gecompliceerde vergunning: een vergunning die betrekking heeft op:
- a. de veiligheidsfuncties van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onderdeel b, van de wet of
- b. meerdere technische of organisatorische processen van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onderdeel b, van de wet;
- –. wet: de Kernenergiewet.
Artikel 2
Het bedrag dat verschuldigd is voor de verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 15, onderdeel a, van de wet voor het vervoer van splijtstoffen, genoemd in bijlage I van de Regeling beveiliging nucleaire inrichtingen en splijtstoffen bedraagt € 3.680 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 4.760,–.
Artikel 3
Het bedrag dat verschuldigd is voor het in behandeling nemen van een aanvraag van een houder van een vergunning als bedoeld in artikel 15, onderdeel b, van de wet voor de verlening van een vergunning voor het voorhanden hebben of zich ontdoen van splijtstoffen als bedoeld in artikel 15, onderdeel a, van de wet, bedraagt:
- a. € 6.624 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 8.568,– indien bij de voorbereiding van de vergunning toepassing zal worden gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de wet;
- b. € 3.680 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 4.760,– indien bij de voorbereiding van de vergunning toepassing zal worden gegeven aan artikel 17, tweede lid, van de wet.
Het bedrag dat verschuldigd is voor de verlening van een vergunning aan een houder van een vergunning als bedoeld in artikel 15, onderdeel b, van de wet voor het voorhanden hebben of zich ontdoen van splijtstoffen als bedoeld in artikel 15, onderdeel a, van de wet bedraagt:
- a. € 16.928 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 21.896,– indien bij de voorbereiding van de vergunning toepassing is gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de wet;
- b. € 8.648 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 11.186,– indien bij de voorbereiding van de vergunning toepassing is gegeven aan artikel 17, tweede lid, van de wet.
Artikel 4
Het bedrag dat verschuldigd is voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een vergunning voor de oprichting van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onderdeel b, van de wet bedraagt:
- a. € 755.280 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 972.000,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt om elektriciteit op te wekken;
- b. € 377.640 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 486.000,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt met een ander doel dan om elektriciteit op te wekken;
- c. € 251.760 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 324.000,– indien het een andere inrichting betreft dan in onderdelen a en b genoemd.
Het bedrag dat verschuldigd is voor de verlening van een vergunning voor de oprichting van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onderdeel b, van de wet bedraagt:
- a. € 3.776.400 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 4.860.000,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt om elektriciteit op te wekken;
- b. € 1.888.200 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 2.430.000,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt met een ander doel dan om elektriciteit op te wekken;
- c. € 1.007.040 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 1.296.000,– indien het een andere inrichting betreft dan in onderdelen a en b genoemd.
Artikel 5
Het bedrag dat verschuldigd is voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een vergunning voor het in werking brengen of het in werking houden van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onderdeel b, van de wet bedraagt:
- a. € 251.760 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 324.000,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt om elektriciteit op te wekken;
- b. € 251.760 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 324.000,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt met een ander doel dan om elektriciteit op te wekken;
- c. € 125.880 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 162.000,– indien het een andere inrichting betreft dan in onderdelen a en b genoemd.
Het bedrag dat verschuldigd is voor de verlening van een vergunning voor het in werking brengen of het in werking houden van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onderdeel b, van de wet bedraagt:
- a. € 1.258.800 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 1.620.000,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt om elektriciteit op te wekken;
- b. € 755.280 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 972.000,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt met een ander doel dan om elektriciteit op te wekken;
- c. € 377.640 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 486.000,– indien het een andere inrichting betreft dan in onderdelen a en b genoemd.
Artikel 6
Het bedrag dat verschuldigd is voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een vergunning voor het buiten gebruik stellen of het ontmantelen van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onderdeel b, van de wet bedraagt:
- a. € 125.880 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 162.000,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan of kon worden vrijgemaakt om elektriciteit op te wekken;
- b. € 62.940 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 81.000,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt met een ander doel dan om elektriciteit op te wekken;
- c. € 31.470 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 40.500,– indien het een andere inrichting betreft dan in onderdelen a en b genoemd.
Het bedrag dat verschuldigd is voor de verlening van een vergunning voor het buiten gebruik stellen of ontmantelen van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onderdeel b, van de wet bedraagt:
- a. € 62.940 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 81.000,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan of kon worden vrijgemaakt om elektriciteit op te wekken;
- b. € 31.470 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 40.500,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt met een ander doel dan om elektriciteit op te wekken;
- c. € 31.470 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 40.500,– indien het een andere inrichting betreft dan in onderdelen a en b genoemd.
Artikel 7
Het bedrag dat verschuldigd is voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een wijziging van een vergunning als bedoeld in de artikelen 4, eerste lid, 5, eerste lid, en 6, eerste lid, bedraagt:
- a. € 13.984 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 18.088,– indien bij de voorbereiding van de vergunning toepassing zal worden gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de wet en het niet een gecompliceerd besluit betreft;
- b. € 6.624 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 8.568,– indien bij de voorbereiding van de vergunning toepassing zal worden gegeven aan artikel 17, vierde lid, van de wet en het niet een gecompliceerd besluit betreft;
- c. € 53.728 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 69.496,– indien het een gecompliceerd besluit betreft.
Het bedrag dat verschuldigd is voor de verlening van een wijziging van een vergunning als bedoeld in de artikelen 4, eerste lid, 5, eerste lid, en 6, eerste lid, bedraagt:
- a. € 27.232 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 35.224,– indien bij de voorbereiding van de vergunning toepassing is gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de wet en het niet een gecompliceerd besluit betreft;
- b. € 14.352 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 18.564,– indien bij de voorbereiding van de vergunning toepassing is gegeven aan artikel 17, vierde lid, van de wet en het niet een gecompliceerd besluit betreft;
- c. € 90.528 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 117.096,– indien het een gecompliceerd besluit betreft.
Artikel 8
Het bedrag dat jaarlijks verschuldigd is voor de periode vanaf het moment waarop een inrichting als bedoeld in artikel 15, onderdeel b, van de wet in bedrijf is gegaan tot het moment waarop de vergunningen op grond van artikel 15, onderdeel b, zijn ingetrokken bedraagt:
- a. € 668.932 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 858.600,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt om elektriciteit op te wekken;
- b. € 36.708 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 48.600,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kon worden vrijgemaakt om elektriciteit op te wekken;
- c. € 236.348 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 307.800,– indien het een inrichting betreft waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt met een ander doel dan om elektriciteit op te wekken;
- d. € 178.204 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 226.800,– indien het een andere inrichting betreft dan in onderdelen a, b en c genoemd.
Het bedrag dat verschuldigd is voor de beoordeling van het document waarin de houder van een vergunning op grond van artikel 15, onder b, van de wet ten minste eens in de tien jaar aan de Autoriteit verslag doet inzake de nucleaire veiligheid van de onder zijn beheer zijnde kerninstallatie bedraagt:
- a. € 600.944 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 777.600,– indien het een beoordeling betreft van een verslag ten behoeve van een inrichting waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt om elektriciteit op te wekken;
- b. € 320.344 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 405.000,– indien het een beoordeling betreft van een verslag ten behoeve van een inrichting met een capaciteit van ten minste 10 megawatt waarin kernenergie kan worden vrijgemaakt met een ander doel dan om elektriciteit op te wekken;
- c. € 185.472 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 243.000,– indien het een beoordeling betreft van een verslag betreft ten behoeve van een andere inrichting dan in onderdelen a en b genoemd.
Artikel 9
De bedragen bedoeld in de artikelen 3, tweede lid, 4, tweede lid, 5, tweede lid, 6, tweede lid, en 7, tweede lid, worden met € 13.248 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 17.136,– verhoogd indien een milieueffectrapport als bedoeld in de Omgevingswet moet worden gemaakt.
De bedragen bedoeld in de artikelen 3, tweede lid, 4, tweede lid, 5, tweede lid, 6, tweede lid, en7, tweede lid, worden met € 14.784 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 19.636,– verhoogd indien daarbij de Commissie voor de milieueffectrapportage, bedoeld in de Omgevingswet, een advies moet geven.
Indien een extern advies wordt gevraagd worden de bedragen, bedoeld in de artikelen 4, 5, 6, 7, eerste lid, onderdeel c, tweede lid, onderdeel c, en 8, tweede lid, met de kosten van het externe advies verhoogd.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.