Wet van 25 november 2013, houdende regels omtrent de Kamer van Koophandel (Wet op de Kamer van Koophandel)
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is te komen tot één Kamer van Koophandel en in verband daarmee nieuwe regels te stellen omtrent bestuur, taken en financiering daarvan;
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemeen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- a. Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat;
- b. de Kamer: de Kamer van Koophandel, bedoeld in artikel 2.
Onze Minister wijst de naar zijn oordeel algemeen erkende centrale algemene werkgeversorganisaties en de naar zijn oordeel algemeen erkende centrale algemene werknemersorganisaties aan als centrale werkgeversorganisaties onderscheidenlijk centrale werknemersorganisaties in de zin van deze wet.
De Kamer wijst de naar zijn oordeel in de desbetreffende regio algemeen erkende werkgeversorganisaties en de naar zijn oordeel in de desbetreffende regio algemeen erkende werknemersorganisaties aan als regionale werkgeversorganisaties onderscheidenlijk regionale werknemersorganisaties in de zin van deze wet.
Onze Minister en de Kamer doen mededeling in de Staatscourant van aanwijzing als bedoeld in het tweede onderscheidenlijk derde lid.
Hoofdstuk 2. Instelling en indeling van de Kamer
Artikel 2
Er is een Kamer van Koophandel die tot doel heeft het stimuleren van economische ontwikkeling door middel van het informeren en ondersteunen op het gebied van ondernemen en innovatie van personen die een onderneming drijven of overwegen een onderneming op te richten.
De Kamer is gevestigd te Utrecht.
De Kamer bezit rechtspersoonlijkheid.
Artikel 3
De Kamer stelt regio’s vast en stelt per regio één of meer regionale vestigingen in.
De Kamer kan ter uitvoering van een wettelijke taak bepalen dat bepaalde handelingen feitelijk bij of door bepaalde regionale vestigingen worden verricht.
Een besluit krachtens het eerste of tweede lid wordt bekendgemaakt in de Staatscourant.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ten aanzien van de instelling en opheffing van regio’s en regionale vestigingen.
Artikel 4
De Kamer stelt regionale ondernemerspleinen in, welke worden ondergebracht bij regionale vestigingen.
De ondernemerspleinen vormen het loket waarbij personen die een onderneming drijven of overwegen een onderneming op te richten terecht kunnen voor aangelegenheden op het gebied van ondernemen en innovatie.
Deelneming aan een ondernemersplein staat onder door de Kamer te bepalen voorwaarden open voor andere organisaties. Voorwaarden kunnen mede zien op het bijdragen in de kosten van het desbetreffende ondernemersplein.
Deelneming geschiedt op zodanige wijze dat gewaarborgd blijft dat het bieden van informatie en ondersteuning geschiedt in het belang van de ondernemer die gebruik maakt van het ondernemersplein.
Onze Minister kan bij regeling voorschriften geven voor deelneming aan ondernemerspleinen, waaronder voorschriften die deelneming in bepaalde gevallen of door bepaalde organisaties uitsluit, beperkt of onderwerpt aan zijn voorafgaande instemming.
Artikel 5
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties draagt zorg voor de inrichting, instandhouding, werking en beveiliging van een digitaal ondernemersplein met behulp waarvan ten behoeve van personen die een onderneming drijven of overwegen een onderneming op te richten:
- a. informatie toegankelijk wordt gemaakt die van belang is voor het oprichten en drijven van een onderneming;
- b. berichtenverkeer tussen personen die een onderneming drijven of overwegen een onderneming op te richten en bestuursorganen kan plaatsvinden, voor zover het daartoe is opengesteld.
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties kan voor alle rechtshandelingen en handelingen ter uitvoering van het eerste lid aan de Kamer mandaat, volmacht onderscheidenlijk machtiging verlenen.
Hoofdstuk 3. Samenstelling van de Kamer
Artikel 6
De Kamer bestaat uit een voorzitter en ten hoogste vier overige leden.
De leden oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak.
Artikel 7
De leden van de Kamer worden benoemd op voordracht van de Kamer.
De voordracht is met redenen omkleed en wordt gedaan op basis van een door Onze Minister, gehoord de centrale werkgevers- en werknemersorganisaties, vastgesteld profiel.
Indien een voordracht niet leidt tot benoeming door Onze Minister, wordt een nieuwe voordracht gedaan. Onze Minister kan gemotiveerd afwijken van de tweede voordracht.
Onze Minister kan een tijdstip bepalen waarop een voordracht als bedoeld in het tweede of derde lid moet zijn gedaan. Indien op dat tijdstip de voordracht niet is gedaan, kan zonder voordracht worden benoemd.
Artikel 8
De leden van de Kamer worden benoemd voor een periode van vier jaren. Zij kunnen ten hoogste tweemaal worden herbenoemd.
Hoofdstuk 4. Centrale Raad en regionale raden
§ 1. Centrale Raad
Artikel 9
Er is een Centrale Raad, bestaande uit ten hoogste twaalf leden.
De Centrale Raad wijst uit zijn midden een voorzitter aan.
Een lid van de Centrale Raad kan niet tevens lid zijn van de Kamer of in dienst zijn van de Kamer.
Artikel 10
Onze Minister benoemt, schorst en ontslaat de leden van de Centrale Raad.
Ten hoogste zes uit de kring van ondernemers afkomstige leden worden benoemd op voordracht van de centrale werkgeversorganisaties.
Ten hoogste drie uit de kring van werknemers afkomstige leden worden benoemd op voordracht van de centrale werknemersorganisaties.
Ten hoogste drie overige leden worden benoemd in het belang van een evenwichtige samenstelling van de Centrale Raad dan wel in het belang van in de raad aanwezige deskundigheid op het gebied van ondernemen en innovatie. Deze leden worden benoemd op voordracht van de Kamer.
Voordrachten zijn met redenen omkleed en worden gedaan in overeenstemming met een door de Kamer, gehoord de centrale werkgevers- en werknemersorganisaties, vastgesteld profiel.
Voordrachten als bedoeld in het tweede, derde lid en vierde lid worden gedaan door tussenkomst van de Kamer. De Kamer bepaalt het tijdstip waarop deze voordrachten moeten zijn ontvangen. Indien op dat tijdstip een bepaalde voordracht niet is ontvangen, kan de Kamer de desbetreffende voordracht zelf doen met inachtneming van al naargelang het tweede, derde of vierde lid.
De Kamer zendt een voordracht niet aan Onze Minister dan nadat hij heeft vastgesteld dat deze in overeenstemming is met de bepalingen van dit artikel.
Artikel 11
Onze Minister stelt de schadeloosstelling van de leden van de Centrale Raad vast.
Artikel 12
De leden van de Centrale Raad worden benoemd voor een periode van vier jaren. Zij treden tegelijk af en kunnen ten hoogste eenmaal worden herbenoemd.
Degene die lid is geworden ter vervulling van een tussentijds opengevallen plaats, treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats hij is getreden, had moeten aftreden.
§ 2. Regionale raden
Artikel 13
Er is per regio een regionale raad, bestaande uit ten hoogste twaalf leden.
Een regionale raad wijst uit zijn midden een voorzitter aan.
Een lid van een regionale raad kan niet tevens lid zijn van de Kamer, lid zijn van de Centrale Raad of in dienst zijn van de Kamer.
Artikel 14
De Kamer benoemt, schorst en ontslaat de leden van een regionale raad.
Ten hoogste zes uit de kring van ondernemers afkomstige leden worden benoemd op voordracht van de regionale werkgeversorganisaties.
Ten hoogste drie uit de kring van werknemers afkomstige leden worden benoemd op voordracht van de regionale werknemersorganisaties.
Ten hoogste drie overige leden worden zonder voordracht benoemd in het belang van een evenwichtige samenstelling van de raad dan wel in het belang van in de raad aanwezige deskundigheid op het gebied van ondernemen en innovatie.
Voordrachten zijn met redenen omkleed en worden gedaan in overeenstemming met een door de Kamer, gehoord de regionale werkgevers- en werknemersorganisaties, vastgesteld profiel.
De Kamer bepaalt het tijdstip waarop voordrachten moeten zijn gedaan. Indien op dat tijdstip een bepaalde voordracht niet is gedaan, kan de Kamer zonder voordracht overgaan tot benoeming met inachtneming van al naargelang het tweede of derde lid.
Artikel 15
Onze Minister stelt de schadeloosstelling van de leden van de regionale raden vast.
Artikel 16
De leden van de regionale raden worden benoemd voor een periode van vier jaren. Zij treden tegelijk af en kunnen ten hoogste eenmaal worden herbenoemd.
Degene die lid is geworden ter vervulling van een tussentijds opengevallen plaats, treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats hij is getreden, had moeten aftreden.
Hoofdstuk 5. Werkwijze van de Kamer
Artikel 17
De Centrale Raad stelt ten minste eenmaal in de vijf jaren het ontwerp voor het meerjarenprogramma vast. Het ontwerp legt op hoofdlijnen vast welke werkzaamheden de Kamer zal uitvoeren.
Het ontwerp bevat voorts een beschrijving van de op middellange en lange termijn te realiseren doelstellingen en de hoofdlijnen van het daarop te richten beleid.
De Kamer stelt het meerjarenprogramma vast op basis van het ontwerp. Voor zover het ontwerp op overwegende bezwaren stuit kan de Kamer het meerjarenprogramma in afwijking van het ontwerp vaststellen. Afwijking wordt met redenen omkleed weergegeven in het meerjarenprogramma.
De Kamer zendt het meerjarenprogramma ter goedkeuring aan de Minister, vergezeld van zijn standpunt inzake de financiële en organisatorische voorwaarden die ter uitvoering ervan moeten worden vervuld.
Onze Minister kan het tijdstip vaststellen waarop het meerjarenprogramma en het standpunt moeten zijn ontvangen.
Artikel 18
De Kamer stelt jaarlijks een activiteitenplan vast voor het daaropvolgende jaar. De Kamer kan het activiteitenplan tussentijds wijzigen.
In het activiteitenplan wordt vastgelegd welke werkzaamheden de Kamer zal uitvoeren, voor zover de beschikbare middelen dat toelaten. De Kamer neemt hierbij de hoofdlijnen van het op grond van artikel 17 goedgekeurde meerjarenprogramma in acht.
Een regionale raad doet de Kamer jaarlijks voor een door de Kamer te bepalen tijdstip een voorstel voor de ter uitvoering van artikel 28 voor de desbetreffende regio in het activiteitenplan op te nemen werkzaamheden. Ten aanzien van vastlegging van deze activiteiten in het activiteitenplan neemt de Kamer het voor die regio op grond van artikel 23 vastgestelde regionale meerjarenprogramma in acht.
Artikel 19
De Kamer legt het activiteitenplan en de wijzigingen in het activiteitenplan voor advies voor aan de Centrale Raad.
Artikel 20
De Kamer zendt jaarlijks het activiteitenplan aan Onze Minister, vergezeld van het advies van de Centrale Raad.
Onze Minister kan het tijdstip vaststellen waarop het activiteitenplan moet zijn ontvangen.
Artikel 21
De Kamer stelt een bestuursreglement vast.
In het bestuursreglement worden in elk geval regels gesteld omtrent de wijze waarop beslissingen van de Kamer worden voorbereid, genomen en uitgevoerd, en worden regels gesteld omtrent de taak en bevoegdheden van de voorzitter en overige leden.
Hoofdstuk 6. Taak en werkwijze van de Centrale Raad en de regionale raden
Artikel 22
De Centrale Raad adviseert de Kamer desgevraagd of uit eigen beweging met betrekking tot:
- a. uitvoering van het meerjarenprogramma,
- b. het activiteitenplan,
- c. de vraag of uit te oefenen werkzaamheden, waaronder in het bijzonder de werkzaamheden ter uitvoering van taken als bedoeld in de artikelen 30 en 31, leiden tot uit oogpunt van goede marktwerking ongewenste mededinging met ondernemingen of vrije beroepsbeoefenaren, en
- d. de vergoedingen voor de activiteiten ter uitvoering van de taken, bedoeld in de artikelen 25 tot en met 28, eerste lid, 30 en 31.
Artikel 23
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.