Wet van 11 december 2013 inzake houdbare financiën van de collectieve sector (Wet houdbare overheidsfinanciën)

Type Wet
Publication 2025-12-31
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is een wettelijke regeling te treffen voor het doelgericht streven naar houdbare financiën van de collectieve sector in nationaal en Europees verband;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel 1. : Definities

In deze wet wordt verstaan onder:

Artikel 2. : Begrotingsbeleid
1.

Onze Minister van Financiën voert trendmatig begrotingsbeleid met betrekking tot de uitgaven en de ontvangsten van de rijksdienst en de sociale fondsen.

2.

Het trendmatig begrotingsbeleid wordt gevoerd:

3.

Het voeren van het trendmatig begrotingsbeleid geschiedt voorts:

4.

Onze Ministers die het aangaat nemen, in overeenstemming met het oordeel van de ministerraad, adequate uitgavenbeperkende en/of inkomstenverhogende maatregelen, indien door Onze Minister van Financiën wordt vastgesteld, dat het gevoerde trendmatig begrotingsbeleid niet in voldoende mate leidt tot het respecteren van de in het derde lid bedoelde normen en aanbevelingen.

5.

Onze Minister van Financiën baseert het middellange- en langetermijnbegrotingsbeleid op onafhankelijke studies over de houdbaarheid van de financiën van de collectieve sector, die zo nodig door hem worden geëntameerd.

6.

Voor de beoordeling van het gevoerde begrotingsbeleid over een jaar wordt uitgegaan van de berekening van het CBS van het gerealiseerde EMU-saldo en van de gerealiseerde EMU-schuld.

Artikel 3. : Normering budgettair beleid decentrale overheden
1.

De decentrale overheden en de op grond van artikel 4 aangewezen overige rechtspersonen met een wettelijke taak zijn gehouden een gelijkwaardige inspanning te leveren als voor de rijksdienst en de sociale fondsen ten aanzien van het respecteren van de normen, bedoeld in artikel 2, derde lid, en treffen daartoe de nodige maatregelen.

2.

Onze Minister van Financiën stelt, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, en met inachtneming van het derde en vierde lid, vast wat voor de decentrale overheden als een gelijkwaardige inspanning wordt aangemerkt. Bij de vaststelling van de gelijkwaardige inspanning dient het resultaat in termen van het collectieve aandeel van de decentrale overheden in het EMU-saldo in een redelijke verhouding te staan tot het aandeel van de decentrale overheden gezamenlijk in de collectieve uitgaven.

3.

Over de gelijkwaardige inspanning, te leveren door de decentrale overheden, wordt, vóór de vaststelling ervan, bestuurlijk overleg gevoerd dat gericht is op het bereiken van overeenstemming.

4.

In het bestuurlijk overleg komen verder in ieder geval aan de orde:

5.

Onze Minister van Financiën deelt de voorgenomen vaststelling van de gelijkwaardige inspanning, bedoeld in het tweede lid, schriftelijk mee aan de Staten-Generaal nadat het bestuurlijk overleg, bedoeld in het derde lid, heeft plaatsgevonden. De vaststelling van de gelijkwaardige inspanning vindt plaats nadat ten minste vier weken na, de in vorige volzin genoemde, mededeling zijn verstreken en de Tweede Kamer der Staten-Generaal zich over dit voornemen heeft kunnen uitspreken.

6.

Het vastgestelde resultaat in termen van een collectief aandeel in het EMU-saldo van de decentrale overheden gezamenlijk, uitgesplitst naar een aandeel voor de provincies gezamenlijk, de gemeenten gezamenlijk en de waterschappen gezamenlijk wordt openbaar gemaakt door plaatsing in de Staatscourant.

7.

Het CBS verstrekt aan Onze Minister van Financiën, Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat jaarlijks op hun verzoek informatie over de aandelen van de provincies gezamenlijk, de gemeenten gezamenlijk en de waterschappen gezamenlijk in het EMU-saldo en in de EMU-schuld en over de individuele aandelen van de waterschappen in het EMU-saldo en de EMU-schuld.

Artikel 4. : Bevoegdheden ten aanzien van overige rechtspersonen met een wettelijke taak
1.

Bij een besluit van Onze Minister van Financiën kunnen, in overeenstemming met Onze Ministers die beschikken over wettelijke bevoegdheden met betrekking tot overige rechtspersonen met een wettelijke taak, rechtspersonen behorende tot de categorie overige rechtspersonen met een wettelijke taak worden aangewezen, die de voorafgaande instemming van hem behoeven, indien zij voornemens zijn hun activiteiten te financieren door het aantrekken van een lening op de geld- of de kapitaalmarkt.

2.

Onze Minister van Financiën kan, in overeenstemming met Onze in het eerste lid bedoelde betrokken Minister, aan een aangewezen rechtspersoon zijn instemming aan het voornemen tot het aantrekken van een lening onthouden, indien hij van oordeel is dat er door het aantrekken van een lening geen sprake is van een gelijkwaardige inspanning als bedoeld in artikel 3.

3.

Onze Minister van Financiën kan, in overeenstemming met Onze in het eerst lid bedoelde betrokken Minister, bepalen welke informatie een aangewezen rechtspersoon hem verstrekt ten behoeve van de door hem te maken beoordeling, bedoeld in het tweede lid.

4.

Alvorens Onze Minister van Financiën besluit tot het aanwijzen van een rechtspersoon als bedoeld in het eerste lid, of tot onthouden van zijn instemming aan het voornemen tot het aantrekken van een lening, stelt hij de betrokken rechtspersoon in de gelegenheid te worden gehoord.

Artikel 5. : Vaststelling individuele referentiewaarde voor het EMU-saldo
1.

De individuele referentiewaarde voor het EMU-saldo omvat naast het eigen aandeel, ook het aandeel in het EMU-saldo van een openbaar lichaam dat is ingesteld bij een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen, waaraan de decentrale overheid deelneemt, voor zover dit aandeel aan de deelnemende decentrale overheid moet worden toegerekend.

2.

Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels stellen omtrent:

3.

Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat stellen in overeenstemming met Onze Minister van Financiën de individuele referentiewaarden voor de decentrale overheden vast.

Artikel 6. : Correctiemechanisme decentrale overheden
1.

Indien uit de ramingen van het CPB of uit realisaties van het CBS blijkt dat het collectief aandeel in het EMU-saldo van de decentrale overheden gezamenlijk, bedoeld in artikel 3, zesde lid, meerjarig wordt overschreden, kunnen na bestuurlijk overleg, bij algemene maatregel van bestuur maatregelen worden gesteld ter naleving van het vastgestelde resultaat in termen van het collectief aandeel in het EMU-saldo van de decentrale overheden gezamenlijk, als bedoeld in artikel 3, zesde lid.

2.

Alleen indien een meerjarige overschrijding zoals bedoeld in het eerste lid blijkt uit realisaties van het CBS, dan kan het opleggen van sancties onderdeel zijn van de in het eerste lid bedoelde maatregelen.

3.

Een krachtens het eerste lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur treedt niet eerder in werking dan vier weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der Staten-Generaal.

Artikel 7. : Doorberekening van EU-sanctie aan decentrale overheden
1.

Dit artikel is van toepassing als:

2.

Na bestuurlijk overleg wordt bij een wet tot vaststelling of tot wijziging van de begrotingsstaat van het provinciefonds, van het gemeentefonds dan wel van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat vastgesteld welk deel van de boete dan wel van de rentedervingskosten van de in het eerste lid bedoelde sancties wordt toegerekend aan de provincies gezamenlijk, de gemeenten gezamenlijk, dan wel de waterschappen gezamenlijk.

Bij de toerekening wordt in ieder geval gelet op hoogte en de duur van het EMU-tekort van Nederland en op de mate en de duur van de overschrijding van de in artikel 3, zesde lid, bedoelde collectieve aandelen.

3.

De boete dan wel de rentedervingskosten voor de provincies gezamenlijk onderscheidenlijk de gemeenten gezamenlijk worden ten laste gebracht van de algemene uitkering van het provinciefonds respectievelijk het gemeentefonds. Voor de waterschappen wordt de boete dan wel worden de rentedervingskosten ten laste gebracht van de individuele waterschappen.

4.

Onze betrokken Ministers, kunnen, na bestuurlijk overleg, besluiten een in het eerste lid bedoelde boete geheel of gedeeltelijk toe te rekenen aan een provincie, een gemeente of een waterschap.

5.

Het toegerekende deel van de in het vierde lid bedoelde boete, wordt in mindering gebracht op de uitkering waar de desbetreffende provincie dan wel gemeente op grond van de Financiële-verhoudingswet aanspraak op heeft, dan wel ten laste gebracht van het desbetreffende waterschap.

Artikel 8. : NL-sanctie voor overige rechtspersonen met een wettelijke taak
1.

Onze Minister van Financiën kan, in overeenstemming met Onze betrokken Minister, bedoeld in artikel 4, tweede lid, een boete opleggen aan een rechtspersoon als bedoeld in dat artikellid, indien de rechtspersoon ondanks de onthouden instemming zijn voornemen tot het aantrekken van een lening uitvoert.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.