← Geldende tekst · Geschiedenis

Besluit van 29 januari 2014, houdende regels ter waarborging van de kwaliteit van curatoren, bewindvoerders en mentoren (Besluit kwaliteitseisen curatoren, beschermingsbewindvoerders en mentoren)

Geldende tekst a fecha 2022-01-01

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 4 december 2013, nr. 456543;

Gelet op de artikelen 383, zevende, achtste en negende lid, 435, zevende, achtste en negende lid, en 452, zevende en achtste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 22 januari 2014, nr. W03.13.0441/II);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 28 januari 2014, nr. 476742;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, onderdeel E, onder 2, zevende tot en met negende lid van artikel 383, onderdeel P, zevende tot en met negende lid van artikel 435, onderdeel AA, onder 3, van de Wet wijziging curatele, beschermingsbewind en mentorschap in werking treedt.

Hoofdstuk 1. Algemeen

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

Hoofdstuk 2. Kwaliteitseisen

Eisen betreffende de werving (integriteit), opleiding, scholing en begeleiding

Artikel 2
1.

De curator beschikt over een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven voor het uitoefenen van de taken van curator, van hemzelf en van de personen door wie hij de taken van een curator uitoefent.

2.

De in het eerste lid bedoelde verklaring is niet eerder afgegeven dan zes maanden voorafgaande aan de datum van de eerste benoeming tot curator, dan wel de datum van aanvang van de uitoefening van de taken, en is niet ouder dan vijf jaren gerekend vanaf de datum van afgifte.

3.

De curator draagt er zorg voor dat de personen door wie hij de taken van een curator uitoefent, niet:

4.

Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op bewindvoerders en mentoren.

Artikel 3
1.

De curator heeft ten minste:

2.

De curator onderhoudt en ontwikkelt zijn voor het curatorschap van belang zijnde kennis en vaardigheden door ten minste jaarlijks een bijscholings- of trainingsactiviteit te verrichten.

3.

Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op ten minste één natuurlijke persoon die de rechtspersoon die curator is, vertegenwoordigt.

4.

De curator beschikt voor iedere persoon door wie hij de taken van een curator uitoefent over een afschrift van het bewijs dat ten minste de in het eerste lid bedoelde opleiding met goed gevolg is afgerond.

5.

De curator draagt zorg voor de begeleiding van de personen door wie hij de taken van een curator uitoefent door ten minste jaarlijkse functioneringsgesprekken te voeren en deze schriftelijk vast te leggen en hen jaarlijks in staat te stellen om een bijscholings- of trainingsactiviteit als bedoeld in het tweede lid te verrichten.

6.

Het eerste tot en met vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing op bewindvoerders.

7.

De mentor heeft ten minste een passende beroepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen d en e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs met goed gevolg afgerond. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing op ten minste één natuurlijke persoon die de rechtspersoon die mentor is, vertegenwoordigt. Het tweede en vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing op mentoren. Voor zover een persoon door wie de mentor zijn taken uitoefent geen opleiding als bedoeld in de eerste volzin heeft afgerond, voorziet de mentor in de begeleiding van deze persoon in de uitoefening van zijn taken door een persoon die deze opleiding wel met goed gevolg heeft afgerond.

Eisen omtrent de omgang met de betrokkene

Artikel 4
1.

De curator gaat bij zijn taakvervulling uit van de levensovertuiging, godsdienstige gezindheid en culturele achtergrond van de onder curatele gestelde.

2.

De curator bevordert, waar mogelijk, de zelfredzaamheid van de onder curatele gestelde.

3.

Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op bewindvoerders en mentoren.

Artikel 5
1.

De curator stelt, zo mogelijk in overleg met de onder curatele gestelde, het doel van de curatele vast en de wederzijdse afspraken om dat doel te bereiken. De curator verstrekt aan de onder curatele gestelde een op schrift gesteld document met het doel en, voor zover mogelijk, de gemaakte afspraken, waarin wordt toegelicht wat de curator en de onder curatele gestelde wederzijds van elkaar mogen verwachten. De curator licht het document mondeling toe. De curator overlegt het document aan de kantonrechter voorafgaande aan zijn benoeming.

2.

Indien daartoe aanleiding bestaat, past de curator, zo mogelijk in overleg met de onder curatele gestelde, het in het eerste lid bedoelde document met betrekking tot het doel en de gemaakte afspraken tussentijds aan. De curator overlegt het aangepaste document aan de kantonrechter op de tijdstippen voor rekening en verantwoording, bedoeld in artikel 386, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

3.

De curator is ten minste tijdens vier werkdagen per week voor de onder curatele gestelde telefonisch bereikbaar en voor het overige zodanig bereikbaar, dat de onder curatele gestelde binnen twee werkdagen een reactie ontvangt. De curator voorziet buiten de werkdagen in zijn bereikbaarheid voor noodgevallen. De curator stelt de onder curatele gestelde op de hoogte van zijn bereikbaarheid in het document, bedoeld in het eerste lid.

4.

De curator heeft ten minste tweemaandelijks contact met de onder curatele gestelde, tenzij de onder curatele gestelde geen contact met de curator wenst of daartoe niet in staat is.

5.

De curator vermeldt in het document, bedoeld in het eerste lid, wie voor de onder curatele gestelde als contactpersoon fungeert en wie diens vervanger is. Indien de contactpersoon wijzigt, stelt de curator de onder curatele gestelde daarvan onverwijld schriftelijk op de hoogte.

6.

De curator verschaft de onder curatele gestelde ten minste maandelijks een overzicht van de mutaties op de rekening, bedoeld in artikel 386, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, tenzij de onder curatele gestelde daar bezwaar tegen maakt of niet in staat is het overzicht te begrijpen.

7.

Het eerste en tweede lid, het derde lid, eerste en derde volzin, en het vijfde en zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing op bewindvoerders, met dien verstande dat in het tweede lid wordt gedoeld op de tijdstippen voor rekening en verantwoording, bedoeld in artikel 445, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, en in het zesde lid wordt gedoeld op de rekening, bedoeld in artikel 436, vierde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

8.

Indien artikel 432a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek toepassing vindt, overlegt de bewindvoerder binnen vier maanden na de instelling van een bewind wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden, het in het eerste lid bedoelde document aan de kantonrechter. De kantonrechter kan de bewindvoerder de verplichting bedoeld in de vorige zin opleggen na de instelling van een bewind wegens een lichamelijke of geestelijke toestand indien tevens sprake is van problematische schulden.

9.

Het eerste tot en met vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing op mentoren, met dien verstande dat in het tweede lid wordt gedoeld op het tijdstip, bedoeld in artikel 459, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 6
1.

De curator heeft een klachtenregeling en verstrekt deze bij of onverwijld na zijn benoeming aan de onder curatele gestelde.

2.

De klachtenregeling vermeldt ten minste:

3.

De curator handelt de klacht af in overeenstemming met de klachtenregeling, bedoeld in het eerste lid.

4.

De curator zorgt er voor dat de klacht wordt behandeld door een ander dan degene op wie de klacht betrekking heeft, tenzij de klacht de curator zelf betreft.

5.

Het eerste tot en met vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op bewindvoerders en mentoren, met dien verstande dat in het tweede lid, onderdeel a, wordt gedoeld op artikel 432, eerste en tweede lid, respectievelijk artikel 451, eerste en tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

Eisen omtrent bedrijfsvoering

Artikel 7
1.

De curator draagt zorg voor het vormen, wekelijks bijhouden en sluiten van een dossier van iedere onder curatele gestelde.

2.

Het dossier bevat alle voor de uitoefening van de curatele van belang zijnde documentatie en correspondentie met en ten aanzien van de onder curatele gestelde, waaronder in ieder geval:

3.

Het eerste lid en het tweede lid, onderdelen a en c, zijn van overeenkomstige toepassing op bewindvoerders.

4.

Het eerste lid en het tweede lid, onderdelen b en c, zijn van overeenkomstige toepassing op mentoren.

Artikel 8
1.

De curator heeft een beschrijving van:

en werkt in overeenstemming met de beschreven processen.

2.

De curator heeft waarborgen ingebouwd voor:

en werkt in overeenstemming met deze waarborgen.

3.

De curator heeft een beschrijving van de verschillende functies, waarin de taken en bevoegdheden voor iedere functie zijn vastgesteld, en werkt in overeenstemming met de beschreven functies, tenzij de curator geen andere persoon of personen heeft door wie hij zijn taken uitoefent.

4.

De functies van het geven van opdracht tot betaling zijn gescheiden van de functie van uitbetaling en boekhouding, tenzij de curator geen andere persoon of personen heeft door wie hij zijn taken uitoefent.

5.

De curator zorgt ervoor dat hij voldoende in staat is om eventuele door hem of door een persoon door wie hij zijn taken uitoefent veroorzaakte schade van de onder curatele gestelde te vergoeden, bijvoorbeeld door het hebben afgesloten van een verzekering tegen beroepsaansprakelijkheid die een voldoende jaarlijkse dekking biedt tegen schadegevallen.

6.

Het eerste tot en met vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing op bewindvoerders.

7.

Het eerste lid, het tweede lid, onderdelen b, d, e en f, en het derde en vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing op mentoren.

Artikel 9
1.

De curator geniet, direct of indirect, geen ander voordeel uit zijn positie als curator dan de beloning die hij voor zijn curatorschap ontvangt. In het bijzonder:

2.

Als een indirect voordeel voor de curator wordt beschouwd een voordeel, bedoeld in het eerste lid, genoten door:

3.

Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op bewindvoerders en mentoren.

Artikel 10
1.

Uit de administratie van de curator blijkt, per 31 december van het voorafgaande jaar:

2.

Indien een klacht aanleiding is geweest voor een aanpassing in de werkwijze, maakt de curator daar melding van.

3.

Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op bewindvoerders en mentoren.

Hoofdstuk 3. Verklaring en verslag van de accountant en de deskundige

Artikel 11
1.

De curator verleent opdracht aan een accountant om te onderzoeken of de curator voldoet aan de in artikel 7 tot en met 10 gestelde eisen, alsmede aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 386, derde lid, van Boek 1 en in artikel 10, dan wel, voor zover van toepassing, in titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

2.

Het onderzoek naar de in artikel 7 en 8 gestelde eisen en naar de verplichting, bedoeld in artikel 386, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, kan plaatsvinden door middel van een steekproef van ten minste tien dossiers of, in geval van meer dan honderd dossiers, tien procent van de dossiers, tot ten hoogste honderd dossiers.

3.

De accountant geeft zijn bevindingen omtrent de wijze waarop aan de in artikel 7 tot en met 10 gestelde eisen en de in artikel 386, derde lid, bedoelde verplichting is voldaan, weer in het verslag, bedoeld in artikel 383, achtste lid, onderdeel b, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

4.

De accountant geeft de uitslag van het onderzoek omtrent de balans en staat van baten en lasten, bedoeld in artikel 10 van Boek 2, dan wel, voor zover van toepassing, omtrent de jaarrekening overeenkomstige titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek weer in een verklaring. Artikel 393, derde tot en met zesde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek is van overeenkomstige toepassing op de verklaring omtrent de balans en de staat van baten en lasten. Een curator die voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 396, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, kan volstaan met een samenstellingsverklaring van een accountant ten aanzien van de uitslag van het onderzoek, bedoeld in de eerste zin.

5.

Het in het derde lid bedoelde verslag van de accountant omvat in ieder geval:

6.

De accountant ondertekent en dagtekent het verslag, bedoeld in het derde lid.

7.

Het eerste tot en met zesde lid is van overeenkomstige toepassing op bewindvoerders, met dien verstande dat voor het in het eerste en derde lid genoemde artikel 386, derde lid, moet worden gelezen artikel 436, vierde lid.

8.

Het eerste tot en met zesde lid is van overeenkomstige toepassing op mentoren, met dien verstande dat de mentor in plaats van aan een accountant, opdracht kan verlenen aan een deskundige als bedoeld in artikel 12, om te onderzoeken of de mentor voldoet aan de in artikel 7 tot en met 10 gestelde eisen en dat het onderzoek geen betrekking heeft op de verplichting, bedoeld in artikel 386, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

9.

Onverminderd hetgeen is bepaald in de artikelen 383, negende lid, en 435, negende lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek zijn notarissen en gerechtsdeurwaarders vrijgesteld van het in het eerste lid bedoelde onderzoek van de accountant naar de in artikel 8 gestelde eisen. Voor zover de taken van een curator of bewindvoerder worden uitgeoefend door middel van een rechtspersoon, geldt deze vrijstelling uitsluitend indien het bestuur van die rechtspersoon geheel of in meerderheid bestaat uit de in de eerste zin bedoelde personen, en deelnemingen in die rechtspersoon door andere personen dan de in de eerste zin bedoelde personen gezamenlijk slechts een minderheidsbelang vormen.

Artikel 12
1.

De kantonrechter kan op verzoek van de mentor of ambtshalve een deskundige benoemen die bericht over de vraag of de mentor voldoet aan de eisen gesteld in de artikelen 7 tot en met 10.

2.

De benoeming, bedoeld in het eerste lid, geldt voor de duur van ten hoogste drie jaren. Herbenoeming voor ten hoogste deze termijn is mogelijk.

3.

De deskundige die zijn benoeming heeft aanvaard, is verplicht de opdrachten die uit de benoeming voortvloeien, onafhankelijk en naar beste weten te volbrengen.

Artikel 13
1.

De curator legt, tezamen met zijn verklaring, bedoeld in artikel 383, achtste lid, onderdeel a, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, aan de kantonrechter die hem benoemt, dan wel ten overstaan van wie hij rekening en verantwoording aflegt, de documenten over, bedoeld in de artikelen 2, 3, eerste lid, en 10.

2.

De curator legt het verslag, bedoeld in artikel 11, derde lid, en de verklaring, bedoeld in artikel 11, vierde lid, over aan de kantonrechter die hem benoemt, dan wel ten overstaan van wie hij rekening en verantwoording aflegt.

3.

Heeft de curator in de twaalf maanden voorafgaande aan zijn benoeming, dan wel aan het indienen van de rekening en verantwoording, reeds de in het eerste en tweede lid bedoelde documenten overgelegd, dan vermeldt hij bij zijn benoeming, dan wel bij de rekening en verantwoording, de datum van overlegging en bij welke kantonrechter hij de documenten heeft overgelegd.

4.

Indien uit de in het eerste of tweede lid bedoelde documenten blijkt dat de curator aan één of meer van de gestelde eisen of verplichtingen niet voldoet, kan de kantonrechter van de curator verlangen dat hij binnen drie maanden een nieuw document overlegt, waaruit blijkt dat hij alsnog aan deze eisen of verplichtingen voldoet.

5.

Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op bewindvoerders, met dien verstande dat voor artikel 383, achtste lid, moet worden gelezen artikel 435, achtste lid.

6.

Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op mentoren, met dien verstande dat de mentor de in het eerste en tweede lid bedoelde documenten, overlegt aan de kantonrechter die hem benoemt dan wel aan wie hij verslag uitbrengt en dat voor artikel 383, achtste lid, moet worden gelezen artikel 452, achtste lid. Heeft de mentor in de 24 maanden voorafgaande aan zijn benoeming, dan wel aan het uitbrengen van het verslag, reeds de in het eerste en tweede lid bedoelde documenten overgelegd, dan vermeldt hij bij zijn benoeming, dan wel bij het verslag, de datum van de verklaring en bij welke kantonrechter hij de verklaring heeft overgelegd.

7.

Van het overleggen van de documenten, bedoeld in de artikelen 2 en 3, eerste lid, zijn notarissen en gerechtsdeurwaarders vrijgesteld. Voor zover de taken van een curator of bewindvoerder worden uitgeoefend door middel van een rechtspersoon, geldt deze vrijstelling uitsluitend indien het bestuur van die rechtspersoon geheel of in meerderheid bestaat uit de in de eerste zin bedoelde personen, en deelnemingen in die rechtspersoon door andere personen dan de in de eerste zin bedoelde personen gezamenlijk slechts een minderheidsbelang vormen.

Hoofdstuk 4. Slotbepalingen

Artikel 14

Dit besluit treedt in werking gelijktijdig met het tijdstip waarop artikel I, onderdeel E, onder 2, zevende tot en met negende lid van artikel 383, onderdeel P, zevende tot en met negende lid van artikel 435, onderdeel AA, onder 3, van de Wet wijziging curatele, beschermingsbewind en mentorschap volledig in werking treedt.

Artikel 15

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit kwaliteitseisen curatoren, beschermingsbewindvoerders en mentoren.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.