← Geldende tekst · Geschiedenis

Besluit van 28 januari 2014 tot aanwijzing van de gevallen waarin verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties tot het vestigen van rechtsmacht verplichten (Besluit internationale verplichtingen extraterritoriale rechtsmacht)

Geldende tekst a fecha 2019-11-01

Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, van 18 december 2013, nr. 465893;

Gelet op artikel 6 van het Wetboek van Strafrecht;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 15 januari 2014, nr. W03.13.0466/11);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, van 22 januari 2014, nr. 474396;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Paragraaf 1. Definitiebepaling

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

Paragraaf 2. Verplichtingen in het kader van de Verenigde Naties

Artikel 2
1.

De Nederlandse strafwet is toepasselijk op ieder die zich buiten Nederland schuldig maakt:

2.

De Nederlandse strafwet is toepasselijk op de Nederlander die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een van de misdrijven omschreven in artikel 273f van de wet, voor zover het feit is begaan tegen een persoon die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt.

3.

De bijlage van dit besluit vermeldt de verdragen die tot het vestigen van rechtsmacht als bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met d, f, en het tweede lid verplichten.

Paragraaf 3. Verplichtingen in het kader van de Raad van Europa

Artikel 3
1.

De Nederlandse strafwet is toepasselijk op ieder die zich buiten Nederland schuldig maakt:

2.

De Nederlandse strafwet is toepasselijk op de Nederlander die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een van de misdrijven omschreven in de artikelen 138ab, 138b, 139c, 139d, 161sexies, 225, 226, 227, 240a, 240b, 326, 326c, 350, 350a en 351 van de wet, voor zover het feit valt onder de omschrijving van de artikelen 2 tot en met 10 van het op 23 november 2001 te Budapest totstandgekomen Verdrag inzake de bestrijding van strafbare feiten verbonden met elektronische netwerken en een van de misdrijven omschreven in de artikelen 137c tot en met 137e, 261, 262, 266, 284 en 285, voor zover het feit valt onder de omschrijving van de artikelen 3 tot en met 6 van het op 28 januari 2003 te Straatsburg totstandgekomen Aanvullend Protocol bij het Verdrag inzake de bestrijding van strafbare feiten verbonden met elektronische netwerken, betreffende de strafbaarstelling van handelingen van racistische en xenofobische aard verricht via computersystemen.

3.

De Nederlandse strafwet is toepasselijk op de Nederlander of de vreemdeling die een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een van de misdrijven omschreven in artikel 273f van de wet, voor zover het feit is begaan tegen een persoon die de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, en in de artikelen 231, 321, 350 en 416 tot en met 417bis van de wet, voor zover het feit valt onder de omschrijvingen van artikel 20 van het op 16 mei 2005 te Warschau totstandgekomen Verdrag inzake bestrijding van mensenhandel, indien het feit is begaan buiten de rechtsmacht van enige staat.

4.

De Nederlandse strafwet is toepasselijk op de Nederlander of de vreemdeling die een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een van de misdrijven omschreven in de artikelen 240 tot en met 240b, 242, 244 tot en met 246, 248a, 248d, 266, 273f, 284, 285, 285b, 285c, 296 en 300 tot en met 304 van de wet, voor zover het feit valt onder de omschrijvingen van de artikelen 33 tot en met 40 van het op 11 mei 2011 te Istanboel tot stand gekomen Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld.

5.

In de gevallen, bedoeld in het derde lid, kan de vervolging ook plaatshebben, indien de verdachte eerst na het begaan van het feit een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft gekregen.

6.

De bijlage van dit besluit vermeldt het verdrag dat tot het vestigen van rechtsmacht als bedoeld in het eerste lid, onder b, verplicht.

Paragraaf 4. Verplichtingen in het kader van de Europese Unie

Artikel 4
1.

De Nederlandse strafwet is toepasselijk op ieder die zich buiten Nederland schuldig maakt:

2.

De Nederlandse strafwet is toepasselijk op de Nederlander of de vreemdeling die een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een terroristisch misdrijf dan wel een van de misdrijven omschreven in de artikelen 131, tweede lid, 132, derde lid, 134a, 205, derde lid, 225, derde lid, 311, eerste lid, onder 6°, 312, tweede lid, onder 5°, 317, derde lid, jo. 312, tweede lid, onder 5°, en 421 van de wet.

3.

De Nederlandse strafwet is toepasselijk op de persoon in de openbare dienst van een in Nederland gevestigde volkenrechtelijke organisatie die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een van de misdrijven omschreven in de artikelen 363 tot en met 364a van de wet.

4.

De Nederlandse strafwet is toepasselijk op de Nederlander of de vreemdeling die in Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft, die zich buiten Nederland schuldig maakt aan het misdrijf omschreven in artikel 273f van de wet.

5.

De Nederlandse strafwet is toepasselijk op ieder die zich buiten Nederland schuldig maakt aan het misdrijf omschreven in artikel 273f van de wet, indien het feit is gepleegd tegen een Nederlander of een vreemdeling die in Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft.

6.

De Nederlandse strafwet is toepasselijk op de Nederlander of de vreemdeling die in Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft, die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een van de misdrijven omschreven in de artikelen 177, 178, 225, eerste en tweede lid, 227a, 227b, 323a, 326, 363, 364 en 420bis tot en met 420ter van de wet en de artikelen 69 en 69a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, voor zover het feit valt onder de omschrijving van de artikelen 3, 4 en 5 van de richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PbEU 2017, L 198).

7.

In de gevallen, bedoeld in tweede en het vierde lid, kan de vervolging ook plaatshebben, indien de verdachte eerst na het begaan van het feit een vaste woon- of verblijfplaats heeft gekregen.

8.

De bijlage van dit besluit vermeldt de verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties die tot het vestigen van rechtsmacht als bedoeld in het eerste tot en met zesde lid verplichten.

Paragraaf 5. Slotbepalingen

Artikel 5

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 6

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit internationale verplichtingen extraterritoriale rechtsmacht.

Bijlage. bij het Besluit internationale verplichtingen extraterritoriale rechtsmacht

Artikel 2, eerste lid, onder a

Artikel 2, eerste lid, onder b

Artikel 2, eerste lid, onder c

Artikel 2, eerste lid, onder d

Artikel 2, eerste lid, onder f

Artikel 2, tweede lid

Artikel 3, eerste lid, onder b

Artikel 4, eerste lid, onder a en b, en derde lid

Artikel 4, eerste lid, onder c en d, en tweede lid

Artikel 4, vierde en vijfde lid

Artikel 4, zesde lid

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.