Wet van 22 januari 2014, houdende regels omtrent de uitvoering van Europese verordeningen inzake financiële bijdragen uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (Uitvoeringswet EFRO)

Type Wet
Publication 2021-07-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

§ 2.1. Grensoverschrijdende programma’s

§ 2.2. Autoriteiten

Artikel 3
1.

Onze Minister wijst na een daartoe strekkend verzoek de autoriteiten aan die een taak hebben bij de uitvoering van het programma.

2.

Voor aanwijzing als autoriteit in een programma komen in aanmerking een bestuursorgaan van het Rijk, van een provincie, van een gemeente of van een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

3.

Voor aanwijzing als autoriteit in geval van een grensoverschrijdend programma komt tevens een orgaan van een EGTS in aanmerking.

4.

Een in Nederland gevestigde autoriteit die door Onze Minister is aangewezen, heeft nadat het programma is goedgekeurd de aan die autoriteit in een EFRO-verordening, in het programma en bij of krachtens deze wet toegekende taken en bevoegdheden.

5.

Na de goedkeuring van het programma door de Europese Commissie maakt Onze Minister de aanwijzing van de autoriteiten bekend in de Staatscourant en doet daarbij mededeling van hun taken.

6.

Indien een autoriteit haar taken niet of in onvoldoende mate uitvoert, trekt Onze Minister de aanwijzing in en wijst hij een ander bestuursorgaan aan dat de taken van die autoriteit uitvoert. Hij gaat daartoe niet eerder over dan nadat de betrokken autoriteit binnen een door Onze Minister te stellen termijn in de gelegenheid is gesteld haar taak alsnog naar behoren uit te voeren.

7.

Onze Minister maakt een besluit als bedoeld in het zesde lid, eerste volzin, bekend in de Staatscourant.

Artikel 4
1.

Bij algemene maatregel van bestuur kan voor zover een goede uitvoering van een EFRO-verordening daartoe noopt, nader worden voorzien in een taakomschrijving van de in artikel 3 bedoelde autoriteiten.

2.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voor zover een goede uitvoering van een EFRO-verordening daartoe noopt, regels worden gesteld inzake de onderlinge verhouding tussen de autoriteiten en de verhouding van de autoriteiten met de Europese Commissie. Deze regels kunnen mede betrekking hebben op gegevensuitwisseling.

Artikel 5
1.

Indien de noodzaak daartoe voortvloeit uit een EFRO-verordening kan Onze Minister organen of instanties aanwijzen die geen autoriteit zijn binnen een programma maar die anderszins zijn betrokken bij de uitvoering van die verordening of een andere EFRO-verordening.

2.

Een orgaan of een instantie als bedoeld in het eerste lid heeft de taken en bevoegdheden die uit een EFRO-verordening voortvloeien. Artikel 4, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 3. Subsidies

Hoofdstuk 4. Toezicht en rapportages

Hoofdstuk 5. Overige bepalingen en overgangs- en slotbepalingen

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels te stellen in verband met de uitvoering van verordeningen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Hoofdstuk 2. Programma’s en uitvoerende autoriteiten

§ 2.1. Grensoverschrijdende programma’s

Artikel 2
1.

Gemeenten, provincies of andere openbare lichamen kunnen ten behoeve van een grensoverschrijdend programma een overeenkomst tot grensoverschrijdende samenwerking sluiten met territoriale gemeenschappen of autoriteiten van andere staten in de zin van artikel 2, tweede lid, van de op 21 mei 1980 te Madrid tot stand gekomen Europese Kaderovereenkomst inzake grensoverschrijdende samenwerking tussen territoriale gemeenschappen of autoriteiten (Trb. 1980, 129).

2.

Een overeenkomst tot grensoverschrijdende samenwerking omvat buiten de uit een EFRO-verordening voortvloeiende onderdelen, ten minste afspraken rond het toezicht op de uitvoering van het programma.

3.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen indien een EFRO-verordening daartoe noopt nadere regels worden gesteld inzake het sluiten van een overeenkomst tot grensoverschrijdende samenwerking.

§ 2.2. Autoriteiten

Hoofdstuk 3. Subsidies

§ 3.1. Regels rond subsidieverstrekking ingevolge een programma

Artikel 6
1.

Bij regeling van Onze Minister kunnen in verband met subsidieverstrekking in het kader van een programma regels worden gesteld omtrent:

2.

De in het eerste lid bedoelde regels hebben, tenzij uit een EFRO-verordening anders voortvloeit, betrekking op de ten laste van het EFRO te verstrekken middelen, op de vanwege het Rijk te verstrekken cofinanciering en op andere cofinanciering voor zover de betrokken gemeente, provincie of het betrokken openbaar lichaam daartoe heeft besloten.

Artikel 7
1.

Onze Minister, een van Onze andere Ministers, een gemeentebestuur of een provinciebestuur kan zijn bevoegdheid tot het nemen van besluiten inzake subsidieverstrekking in het kader van een programma delegeren aan een autoriteit als bedoeld in artikel 3.

2.

Een besluit tot delegatie als bedoeld in het eerste lid regelt de gevolgen van de intrekking van dat besluit. Het bevat voorts voorschriften omtrent de verantwoording van het gebruik van de gedelegeerde bevoegdheid.

3.

Op een besluit tot delegatie is artikel 19 van de Bekendmakingswet van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8

Voor zover cofinanciering door het Rijk is aan te merken als een specifieke uitkering in de zin van artikel 15a van de Financiële-verhoudingswet, is artikel 15a, derde lid, van die wet niet van toepassing.

Artikel 9

Een autoriteit als bedoeld in artikel 3 neemt algemene uitgangspunten omtrent de uitoefening van haar bevoegdheden rond subsidieverstrekking die zij vaststelt ingevolge een EFRO-verordening op in een beleidsregel.

§ 3.2. Intrekken of wijzigen van subsidie

Artikel 10
1.

Voor zover subsidieverstrekking in strijd is met een EFRO-verordening of een andere ingevolge een verdrag voor de staat geldende verplichting kan een daartoe ingevolge artikel 3 bevoegde autoriteit:

2.

Bij de vaststelling, intrekking of wijziging kan worden bepaald, dat over onverschuldigde betaalde subsidiebedragen een rentevergoeding verschuldigd is.

3.

De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de subsidie is verstrekt, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is bepaald.

4.

De artikelen 4:49, derde lid, en 4:57, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet van toepassing op de vaststelling, intrekking en wijziging, bedoeld in het eerste lid, onderscheidenlijk terugvordering indien de betrokken verdragsverplichting noodzaakt tot een latere intrekking, wijziging of terugvordering.

Hoofdstuk 4. Toezicht en rapportages

§ 4.1. Toezicht

Artikel 11

Met het toezicht op de naleving van een EFRO-verordening en de bij of krachtens deze wet gestelde regels zijn belast de bij besluit van de in artikel 3 bedoelde autoriteiten aangewezen personen.

Artikel 12
1.

De in artikel 11 bedoelde aanwijzing kan in het kader van de uitvoering van een grensoverschrijdend programma, in een andere lidstaat van de EU werkzame personen betreffen.

2.

Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, alsmede de daarbij geldende voorwaarden inzake aansturing, werkwijze en verantwoording, behoeven de instemming van het bestuursorgaan of de instantie in de andere lidstaat waarbij de aan te wijzen persoon in dienst is.

Artikel 13
1.

Onze Minister kan personen aanwijzen die deel kunnen nemen aan het uitoefenen van toezicht en controles door ambtenaren van de Europese Commissie op de uitvoering van programma’s op grond van een EFRO-verordening.

2.

Afdeling 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de op grond van het eerste lid aangewezen personen.

Artikel 14

Ten aanzien van personen aan wie ingevolge een grensoverschrijdend programma door een in het buitenland gevestigde autoriteit het uitoefenen van toezicht is opgedragen, zijn de artikelen 5:12, 5:13, 5:15, 5:16, 5:17 en 5:20, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing, voor zover dat toezicht in Nederland wordt uitgeoefend, met dien verstande dat indien de aanwijzing in een andere EU-lidstaat werkzame personen betreft, daarvoor de voorafgaande goedkeuring van Onze Minister is vereist.

§ 4.2. Inlichtingen en rapportages

Artikel 15

Onze Minister kan van de in artikel 3 bedoelde autoriteiten en de in artikel 5 bedoelde instanties en organen alle inlichtingen verlangen en inzage vorderen van alle gegevens en bescheiden indien dat voor de vervulling van zijn taak in het kader van de uitvoering van een EFRO-verordening redelijkerwijs nodig is, dan wel indien hij daarover moet kunnen beschikken ten behoeve van de uitvoering van artikel 59 van verordening nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002.

Artikel 16

Onze Minister kan een autoriteit als bedoeld in artikel 3 opdragen een rapportageplicht op grond van een EFRO-verordening uit te voeren.

Artikel 17

Voor zover een in artikel 3 bedoelde autoriteit op grond van een EFRO-verordening een rapportage uitbrengt over werkzaamheden van een andere op grond van artikel 3 aangewezen autoriteit, wordt de laatstbedoelde autoriteit gedurende ten minste twee weken in de gelegenheid gesteld haar zienswijze te geven op een ontwerp van de rapportage, tenzij een inzagerecht op grond van een EFRO-verordening niet mogelijk is.

Hoofdstuk 5. Overige bepalingen en overgangs- en slotbepalingen

Artikel 18

Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 19

Wijzigt de Financiële-verhoudingswet.

Artikel 20

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.