Wet van 1 maart 2014 inzake regels over de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor preventie, ondersteuning, hulp en zorg aan jeugdigen en ouders bij opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen (Jeugdwet)

Type Wet
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 427
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
  • b. informatie, waarvoor de verstrekker van die informatie uit hoofde van zijn beroep tot geheimhouding is verplicht, doch waarvan de met het toezicht belaste ambtenaren van de inspecties, bedoeld in artikel 9.1, eerste, dan wel tweede lid, voor de vervulling van hun taak kennis hebben genomen.
6.

De openbaar te maken informatie mag slechts persoonsgegevens bevatten, voor zover die persoonsgegevens:

  • a. gerelateerd zijn aan het beroeps- of bedrijfsmatig functioneren of handelen van de personen die onderwerp zijn van het toezicht of op wie de uitvoering betrekking heeft;
  • b. gerelateerd zijn aan de taakvervulling van de personen die met het toezicht op de naleving of met de uitvoering van de aangewezen regelgeving zijn belast; of
  • c. door de persoon ten aanzien van wie de openbaarmaking plaatsvindt, duidelijk openbaar zijn gemaakt.

Artikel 9.8

1.

De openbaarmaking, bedoeld in artikel 9.7, vindt niet plaats binnen twee weken na het tijdstip waarop het in artikel 9.7, eerste lid, bedoelde besluit bekend is gemaakt. Bij dat besluit wordt de betrokkene van de openbaar te maken informatie op de hoogte gesteld, voor zover hij van die informatie nog geen kennis heeft kunnen nemen en wordt de betrokkene in de gelegenheid gesteld zijn reactie op het besluit kenbaar te maken.

2.

Indien de betrokkene een reactie kenbaar heeft gemaakt, wordt deze door het met openbaarmaking belaste bestuursorgaan eveneens openbaar gemaakt.

3.

Op de besluiten tot openbaarmaking, bedoeld in het eerste lid, is artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

4.

Het derde lid blijft buiten toepassing indien het besluit tot openbaarmaking is gericht op de openbaarmaking van informatie over een besluit waarbij een belanghebbende op grond van artikel 4:8 Algemene wet bestuursrecht tot het naar voren brengen van een zienswijze in de gelegenheid dient te worden gesteld.

5.

Indien een verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht wordt gedaan tegen een besluit als bedoeld in het eerste lid, wordt de werking van het besluit opgeschort totdat de voorzieningenrechter op dat verzoek uitspraak heeft gedaan.

6.

De termijn van twee weken, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing bij de openbaarmaking van informatie over:

  • b. aanwijzingen als bedoeld in artikel 9.3, eerste lid, indien die aanwijzing inhoudt dat aan de betrokkene een beperkende maatregel is opgelegd;
  • c. lasten als bedoeld in artikel 9.5, eerste lid, tot handhaving van een bevel als bedoeld onder a of een aanwijzing als bedoeld onder b;
  • d. kennisgevingen van de inspecties waarin de betrokkene wordt medegedeeld dat tot intensivering van het toezicht is overgegaan, dan wel dat de betrokkene met onmiddellijke ingang of op zeer korte termijn verbeteringen in zijn organisatie moet aanbrengen.
7.

Indien openbaarmaking plaatsvindt via het internet worden bij algemene maatregel van bestuur regels gesteld over de periode gedurende welke de inspecties, bedoeld in artikel 9.1, eerste en tweede lid, dan wel degene die op grond van artikel 9.7, eerste lid, tweede volzin, is aangewezen, de informatie beschikbaar stellen.

8.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld voor een goede uitvoering van het eerste en tweede lid en artikel 9.7, eerste en tweede lid.

9.

Indien de openbaarmaking, bedoeld in het eerste lid, in strijd is of zou kunnen komen met het doel van deze wet, blijft openbaarmaking achterwege.

Artikel 9.9

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt bepaald dat de inspectie, bedoeld in artikel 9.1, eerste lid, en de inspectie, bedoeld in artikel 9.1, tweede lid, beleidsregels vaststellen over herinspecties na een negatieve uitkomst van controle en onderzoek bij een betrokkene. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald wat wordt verstaan onder een negatieve uitkomst. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de beleidsregels aan bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur te bepalen voorwaarden moeten voldoen.

Artikel 9.10

De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur waarbij voor de eerste maal toepassing wordt gegeven aan artikel 9.7 of 9.8, wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Hoofdstuk 8. Financiën en verantwoording

Hoofdstuk 11. Wijziging van andere wetten

Hoofdstuk 11. Wijziging van andere wetten

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 1a.1

Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport draagt er zorg voor dat:

  • a. jeugdigen kosteloos een telefonisch of elektronisch gesprek, dat niet direct tot hen herleidbaar is, kunnen voeren over hun persoonlijke situatie en daarover advies kunnen krijgen, en
  • b. jeugdigen, ouders of pleegouders een beroep kunnen doen op een vertrouwenspersoon.

Artikel 1a.2

1.

Een rechtspersoon laat een vertrouwenspersoon slechts voor hem werken nadat deze hem een verklaring omtrent het gedrag heeft overgelegd die niet ouder is dan drie maanden.

2.

Een vertrouwenspersoon die niet voor een rechtspersoon werkzaam is, is in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag die niet ouder is dan drie jaar.

3.

Indien een ingevolge artikel 9.2 met het toezicht belaste ambtenaar redelijkerwijs mag vermoeden dat een vertrouwenspersoon niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag of een rechtspersoon als bedoeld in het eerste lid dit ten aanzien van een voor hem werkzame vertrouwenspersoon redelijkerwijs mag vermoeden, verlangt deze ambtenaar of rechtspersoon dat de vertrouwenspersoon zo spoedig mogelijk opnieuw een verklaring omtrent het gedrag overlegt, die niet ouder is dan drie maanden.

4.

Een vertrouwenspersoon is bevoegd tot het verwerken van persoonsgegevens van de persoon die hij in het kader van deze wet ondersteunt, waaronder gegevens over gezondheid en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard, alsmede tot het zonder toestemming van degene die het betreft verwerken van persoonsgegevens van personen die werkzaam zijn voor het college, de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling, voor zover deze noodzakelijk zijn voor de ondersteuning die hij als vertrouwenspersoon dient te leveren.

5.

Een vertrouwenspersoon is tot geheimhouding verplicht van hetgeen in de uitvoering van zijn taak aan hem is toevertrouwd, tenzij enig wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht, uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit of de betrokken jeugdige, ouder of pleegouder toestemming geeft om vertrouwelijke informatie te delen.

6.

Een vertrouwenspersoon kan zich op grond van zijn geheimhoudingsplicht verschonen van het geven van getuigenis of het beantwoorden van vragen in een klachtprocedure of een rechterlijke procedure.

Hoofdstuk 2. Gemeente

Hoofdstuk 3. Gecertificeerde instellingen

§ 4.1. Kwaliteit jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen

§ 4.2. Rechtspositie jeugdigen en ouders

§ 4.2.a. Klachtrecht

§ 4.2.a. Klachtrecht

§ 4.3. Maatschappelijke verantwoording

Hoofdstuk 5. Pleegzorg

Hoofdstuk 5. Pleegzorg

§ 6.1. Machtiging

§ 6.2. Tenuitvoerlegging van de machtiging

§ 6.2. Tenuitvoerlegging van de machtiging

§ 6.4. Verlof

§ 6.4. Verlof

Hoofdstuk 7. Gegevensverwerking, privacy en toestemming

§ 6.5. Klachtrecht bij vrijheidsbeperkende maatregelen

§ 6.3.1. Doelen en voorwaarden voor de toepassing van vrijheidsbeperkende maatregelen

§ 7.1.2. Inrichting, beheer en verantwoordelijkheid

§ 7.1.3. Gebruik van de verwijsindex

§ 7.1.5. Informatieverstrekking aan en rechten van de betrokkene

§ 6.6. De vertrouwenspersoon

§ 7.3. Toestemming, dossier en privacy

§ 7.4. Gegevensverwerking ten behoeve van de uitvoering van de wet en ten behoeve van beleidsinformatie

Hoofdstuk 8. Financiën en verantwoording

§ 8.1. Algemeen

§ 8.2. Ouderbijdrage

§ 8.4. Verwerking van persoonsgegevens

Hoofdstuk 9. Toezicht en handhaving

Hoofdstuk 10. Overgangsrecht

Hoofdstuk 12. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 5.5

1.

Indien een jeugdige die de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, de pleegzorg wenst te beëindigen, informeert hij zijn pleegouders en de pleegzorgaanbieder daarover.

2.

Nadat een jeugdige de pleegzorgaanbieder heeft geïnformeerd als bedoeld in het eerste lid, zegt de pleegzorgaanbieder het pleegcontract dat ten behoeve van die jeugdige is afgesloten schriftelijk op.

Hoofdstuk 5. Pleegzorg

§ 4.4. Bestuursstructuur

§ 6.2. Tenuitvoerlegging van de machtiging

§ 6.2. Tenuitvoerlegging van de machtiging

§ 6.4. Verlof

§ 6.3. Toepassing vrijheidsbeperkende maatregelen

Hoofdstuk 7. Gegevensverwerking, privacy en toestemming

§ 7.1. Verwijsindex

§ 7.1.1. Algemene bepalingen

§ 7.1.3. Gebruik van de verwijsindex

§ 7.1.5. Informatieverstrekking aan en rechten van de betrokkene

§ 6.6. De vertrouwenspersoon

§ 7.3. Toestemming, dossier en privacy

§ 7.4. Gegevensverwerking ten behoeve van de uitvoering van de wet en ten behoeve van beleidsinformatie

Hoofdstuk 8. Financiën en verantwoording

§ 7.2. Burgerservicenummer

§ 8.2. Ouderbijdrage

§ 8.3. Financiële verantwoording

§ 8.4. Verwerking van persoonsgegevens

Hoofdstuk 9. Toezicht en handhaving

Hoofdstuk 10. Overgangsrecht

Hoofdstuk 9. Toezicht en handhaving

Hoofdstuk 9. Onderzoek, toezicht en handhaving

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 7.3.12a

1.

In afwijking van het bepaalde in artikel 7.3.11, eerste lid, verstrekt de jeugdhulpverlener desgevraagd inzage in of afschrift van gegevens uit het dossier van een overleden betrokkene aan:

  • a. een persoon ten behoeve van wie de jeugdige bij leven toestemming heeft gegeven indien die toestemming schriftelijk of elektronisch is vastgelegd;
  • b. een ieder die een zwaarwegend belang heeft en aannemelijk maakt dat dit belang mogelijk wordt geschaad en dat inzage in of afschrift van gegevens uit het dossier noodzakelijk is voor de behartiging van dit belang.
2.

In afwijking van het bepaalde in artikel 7.3.11, eerste lid, verstrekt de jeugdhulpverlener aan degene of de instelling die het gezag uitoefende over de betrokkene die op het moment van overlijden de leeftijd van zestien jaar nog niet had bereikt, desgevraagd inzage in of afschrift van gegevens uit het dossier van deze betrokkene, tenzij dit in strijd is met de zorg van een goed jeugdhulpverlener.

3.

Op grond van dit artikel worden uitsluitend gegevens verstrekt voor zover deze betrekking hebben op de grond waarvoor inzage wordt verleend.

4.

Op grond van dit artikel worden geen gegevens verstrekt voor zover schriftelijk of elektronisch is vastgelegd dat de overleden betrokkene die de leeftijd van twaalf jaar had bereikt en tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat was, deze inzage niet wenst, of daarbij de persoonlijke levenssfeer van een ander wordt geschaad.

Artikel 7.3.12b

1.

Indien op grond van artikel 7.3.12a, eerste lid, onderdeel b, om inzage in of afschrift van gegevens uit het dossier van een overleden betrokkene wordt gevraagd vanwege een vermoeden van een medische fout en de jeugdhulpverlener de gevraagde inzage of het gevraagde afschrift niet verstrekt, verstrekt de jeugdhulpverlener op verzoek van degene die om de inzage of het afschrift heeft gevraagd inzage in of afschrift van de gegevens aan een door de verzoeker aangewezen onafhankelijke arts.

2.

De arts, bedoeld in het eerste lid, beoordeelt of het niet verstrekken van de inzage of het afschrift gerechtvaardigd is. Indien de arts van oordeel is dat het niet verstrekken niet gerechtvaardigd is, verstrekt de jeugdhulpverlener alsnog inzage of afschrift aan de verzoeker.

§ 7.2. Burgerservicenummer

Hoofdstuk 8. Financiën en verantwoording

§ 8.1. Algemeen

§ 7.3. Toestemming, dossier en privacy

§ 8.4. Verwerking van persoonsgegevens

§ 8.1. Algemeen

Hoofdstuk 10. Overgangsrecht

Hoofdstuk 9. Toezicht en handhaving

Hoofdstuk 12. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Hoofdstuk 8. Financiën en verantwoording

§ 8.1. Algemeen

§ 8.4. Verwerking van persoonsgegevens

Hoofdstuk 9. Toezicht en handhaving

Hoofdstuk 8. Financiën en verantwoording

Hoofdstuk 11. Wijziging van andere wetten

Hoofdstuk 12. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 2.7a

1.

Indien de woonplaats van een jeugdige tijdens het ontvangen van niet met verblijf gepaard gaande jeugdhulp wijzigt, heeft die jeugdige jegens het college van de gemeente waar zijn nieuwe woonplaats is op verzoek recht op voortzetting van deze hulp met dezelfde voorwaarden en tarieven bij dezelfde jeugdhulpaanbieder tot ten hoogste een jaar, te rekenen vanaf de datum van wijziging van zijn woonplaats.

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien de jeugdhulp, bedoeld in het eerste lid, nog niet is aangevangen op het moment waarop de woonplaats wijzigt.

3.

Indien geen verzoek als bedoeld in het eerste lid is gedaan, treft het college van de gemeente waar de jeugdige zijn nieuwe woonplaats heeft ten behoeve van die jeugdige voorzieningen voor jeugdhulp die gelijkwaardig zijn aan de voorzieningen die het college van de gemeente waar zijn vorige woonplaats was, had getroffen tot ten hoogste een jaar, te rekenen vanaf de datum van wijziging van zijn woonplaats.

Hoofdstuk 3. Gecertificeerde instellingen

§ 4.0. Toetreding nieuwe jeugdhulpaanbieders

§ 4.2. Rechtspositie jeugdigen en ouders

§ 4.2.a. Klachtrecht

§ 4.3. Maatschappelijke verantwoording

Hoofdstuk 5. Pleegzorg

Hoofdstuk 6. Gesloten jeugdhulp bij ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen

§ 6.1. Machtiging

§ 6.2. Tenuitvoerlegging van de machtiging

Hoofdstuk 7. Gegevensverwerking, privacy en toestemming

§ 7.1. Verwijsindex

§ 6.3.2. Vrijheidsbeperkende maatregelen

§ 7.1.1. Algemene bepalingen

§ 6.3.2. Vrijheidsbeperkende maatregelen

§ 7.1.4. Melding aan de verwijsindex

§ 7.1.1. Algemene bepalingen

§ 6.7. Gegevensverwerking bij gesloten jeugdhulp

§ 7.3. Toestemming, dossier en privacy

§ 7.4. Gegevensverwerking ten behoeve van de uitvoering van de wet en ten behoeve van beleidsinformatie

Hoofdstuk 8. Financiën en verantwoording

§ 8.2. Ouderbijdrage

§ 7.4. Gegevensverwerking ten behoeve van de uitvoering van de wet en ten behoeve van beleidsinformatie

Hoofdstuk 10. Overgangsrecht

Hoofdstuk 12. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

§ 4.0. Toetreding nieuwe jeugdhulpaanbieders

§ 4.2. Rechtspositie jeugdigen en ouders

§ 4.2.a. Klachtrecht

§ 4.2.a. Klachtrecht

§ 4.3. Maatschappelijke verantwoording

Artikel 10.0

1.

Een jeugdhulpaanbieder die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 4.0.1 van deze wet jeugdhulp verleent of laat verlenen, voldoet binnen 6 maanden na dat tijdstip aan de in artikel 4.0.1 bedoelde meldplicht.

2.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën van jeugdhulpaanbieders worden aangewezen waarop het eerste lid niet van toepassing is.

Hoofdstuk 11. Wijziging van andere wetten

Hoofdstuk 10. Overgangsrecht

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Hoofdstuk 6. Gesloten jeugdhulp bij ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen

§ 4.5. Regels over financiële bedrijfsvoering

§ 6.2. Tenuitvoerlegging van de machtiging

§ 6.3. Vrijheidsbeperkende maatregelen

§ 6.4. Verlof

Hoofdstuk 7. Gegevensverwerking, privacy en toestemming

§ 6.3. Toepassing vrijheidsbeperkende maatregelen

§ 7.1.2. Inrichting, beheer en verantwoordelijkheid

§ 7.1.3. Gebruik van de verwijsindex

§ 7.1.4. Melding aan de verwijsindex

§ 7.1.5. Informatieverstrekking aan en rechten van de betrokkene

§ 6.7. Gegevensverwerking bij gesloten jeugdhulp

§ 7.3. Toestemming, dossier en privacy

Hoofdstuk 8. Financiën en verantwoording

§ 7.3. Toestemming, dossier en privacy

§ 7.4. Gegevensverwerking ten behoeve van de uitvoering van de wet en ten behoeve van beleidsinformatie

Hoofdstuk 9. Toezicht en handhaving

Hoofdstuk 9. Toezicht en handhaving

Hoofdstuk 11. Wijziging van andere wetten

Hoofdstuk 10. Overgangsrecht

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 4.0.1

1.

De jeugdhulpaanbieder die jeugdhulp wil gaan verlenen of laten verlenen, zorgt ervoor dat de verlening van die jeugdhulp niet eerder aanvangt dan nadat hij dit aan Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft gemeld.

2.

De melding geschiedt langs elektronische weg op een bij ministeriële regeling vastgestelde wijze. De daarbij door de jeugdhulpaanbieder te verstrekken gegevens kunnen per categorie van jeugdhulpaanbieders verschillen en kunnen betrekking hebben op de aard van de te verlenen jeugdhulp, de personele en materiële organisatorische inrichting en voorwaarden betreffende de kwaliteit van de jeugdhulp.

3.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën van jeugdhulpaanbieders worden aangewezen waarop het eerste lid niet van toepassing is.

§ 4.0. Toetreding nieuwe jeugdhulpaanbieders

§ 4.2. Rechtspositie jeugdigen en ouders

§ 4.2.a. Klachtrecht

§ 4.2.a. Klachtrecht

§ 4.3. Maatschappelijke verantwoording

Hoofdstuk 5. Pleegzorg

§ 8.2. Betaal-, onderzoeks- en informatieplicht

Hoofdstuk 9. Toezicht en handhaving

Hoofdstuk 10. Overgangsrecht

Hoofdstuk 6. Gesloten jeugdhulp bij ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen

§ 6.1. Machtiging

§ 6.2. Tenuitvoerlegging van de machtiging

§ 6.3. Vrijheidsbeperkende maatregelen

§ 6.5. Klachtrecht bij vrijheidsbeperkende maatregelen

Hoofdstuk 7. Gegevensverwerking, privacy en toestemming

§ 7.1. Verwijsindex

§ 7.1.5. Informatieverstrekking aan en rechten van de betrokkene

§ 7.2. Burgerservicenummer

§ 7.3. Toestemming, dossier en privacy

§ 7.4. Gegevensverwerking ten behoeve van de uitvoering van de wet en ten behoeve van beleidsinformatie

Hoofdstuk 8. Financiën en verantwoording

Artikel 4.1.8a

1.

In dit artikel wordt verstaan onder:

  • –. incident: niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis, die betrekking heeft op de kwaliteit van de jeugdhulp of van de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering, en heeft geleid, had kunnen leiden of zou kunnen leiden tot schade bij de jeugdige of de ouder;
  • –. contractspartij:
  • a. jeugdhulpaanbieder, gecertificeerde instelling, bij of voor de jeugdhulpaanbieder of gecertificeerde instelling werkzame natuurlijke persoon of rechtspersoon, jeugdhulpverlener of pleegouder;
  • b. jeugdige, ouder, ouder zonder gezag, voogd, degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag over de jeugdige uitoefent, pleegouder, wettelijk vertegenwoordiger van de jeugdige, curator of mentor van een betrokkene als bedoeld in artikel 7.3.15, tweede lid, persoon als bedoeld in artikel 7.3.15, derde lid, of nabestaande van een betrokkene als bedoeld in artikel 7.3.1, tweede lid.
2.

Elk beding in een door contractspartijen gesloten overeenkomst dat het recht beperkt of ontneemt om informatie over een incident openbaar te maken of aan een derde te verstrekken, is nietig.

3.

Het tweede lid is niet van toepassing:

  • a. voor zover het beding is overeengekomen ter uitvoering van een daartoe strekkend wettelijk voorschrift;
  • b. op bedingen die overeengekomen zijn voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel.

§ 4.2. Rechtspositie jeugdigen en ouders

§ 4.2.b. Medezeggenschap

§ 4.3. Maatschappelijke verantwoording

Hoofdstuk 5. Pleegzorg

Hoofdstuk 6. Gesloten jeugdhulp bij ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen

§ 6.1. Machtiging

§ 6.3. Vrijheidsbeperkende maatregelen

Hoofdstuk 7. Gegevensverwerking, privacy en toestemming

§ 7.1. Verwijsindex

§ 7.1.4. Melding aan de verwijsindex

§ 7.1.2. Inrichting, beheer en verantwoordelijkheid

§ 7.2. Burgerservicenummer

§ 7.1. Verwijsindex

§ 7.4. Gegevensverwerking ten behoeve van de uitvoering van de wet en ten behoeve van beleidsinformatie

Hoofdstuk 8. Financiën en verantwoording

§ 8.1. Algemeen

Artikel 4.1.1a

Bij regeling van Onze Ministers worden regels gesteld ten aanzien van een jeugdige die in een accommodatie verblijft over:

  • a. het toekennen van zak- en kleedgeld; en
  • b. de omstandigheden waaronder in plaats van kleedgeld de jeugdhulpaanbieder in kleding of schoeisel kan voorzien.

§ 4.2. Rechtspositie jeugdigen en ouders

§ 4.2.b. Medezeggenschap

§ 4.3. Maatschappelijke verantwoording

Hoofdstuk 6. Gesloten jeugdhulp bij ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen

§ 6.1. Machtiging

Artikel 6.2.5

1.

De jeugdhulpaanbieder draagt ervoor zorg dat een jeugdige kan deelnemen aan onderwijs dat aansluit bij diens leerbehoefte, andere activiteiten in het kader van pedagogische vorming en gemeenschappelijke activiteiten gedurende ten minste zes uur per dag.

2.

In afwijking van het eerste lid, kan de jeugdhulpaanbieder aan een jeugdige een passend individueel onderwijsprogramma en individuele activiteiten bieden.

3.

De jeugdhulpaanbieder draagt ervoor zorg dat een gekwalificeerde gedragswetenschapper is verbonden aan een gesloten accommodatie.

4.

De jeugdhulpaanbieder stelt een jeugdige in de gelegenheid een arts te raadplegen.

Artikel 6.2.6

1.

Een jeugdige heeft een eigen kamer gedurende zijn verblijf in een gesloten accommodatie.

2.

Een jeugdige kan op eigen verzoek tijdelijk in een afzonderlijke en veilige ruimte, anders dan de eigen kamer, verblijven.

3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de verblijfsruimte, bedoeld in het tweede lid, en over de wijze waarop contact wordt gehouden met de jeugdige tijdens het verblijf in die verblijfsruimte.

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld aan de inrichting, de faciliteiten, de afmeting en de kwaliteit van een kamer als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 6.2.7

Een jeugdige heeft het recht eigen kleding en schoeisel te dragen, tenzij die een gevaar kunnen opleveren voor de veiligheid in de gesloten accommodatie.

Artikel 6.2.8

1.

Indien een jeugdige een kind heeft, kan de jeugdige het kind in de gesloten accommodatie verzorgen en opvoeden voor zover het verblijf van het kind zich verdraagt met de opvoeding en het gezond en veilig opgroeien van het kind en de jeugdige alsmede met de veiligheid in de gesloten accommodatie.

2.

De jeugdhulpaanbieder draagt er in dat geval zorg voor dat een jeugdige die een kind heeft, beschikt over faciliteiten die passend zijn om een kind te verzorgen en op te voeden.

Artikel 6.2.9

1.

De jeugdhulpverantwoordelijke stelt samen met de jeugdige een hulpverleningsplan op.

2.

De jeugdhulpaanbieder draagt ervoor zorg dat het hulpverleningsplan, bedoeld in het eerste lid, zo spoedig mogelijk, maar in elk geval binnen zes weken na opname in de gesloten accommodatie, wordt vastgesteld.

3.

De jeugdhulpverantwoordelijke wijst de jeugdige en diens ouders op de mogelijkheden om zich bij het opstellen, evalueren en wijzigen van het hulpverleningsplan te laten bijstaan door:

  • a. een vertrouwenspersoon; of
  • b. een familielid of naaste.
4.

De jeugdhulpverantwoordelijke overlegt voorafgaand aan het vaststellen of wijzigen van het hulpverleningsplan met:

  • a. de ouders van de jeugdige;
  • b. degene die het gezag heeft over de jeugdige;
  • c. de voor de verlening van de jeugdhulp relevante familie en naasten;
  • d. een gekwalificeerde gedragswetenschapper, indien de jeugdhulpverantwoordelijke geen gekwalificeerde gedragswetenschapper is; en
  • e. een arts, indien wordt overwogen in het hulpverleningsplan geneeskundige behandelingen op te nemen.
5.

De jeugdhulpverantwoordelijke houdt bij het opstellen en wijzigen van het hulpverleningsplan zoveel als mogelijk rekening met de wensen en voorkeuren van de jeugdige.

6.

Indien voorafgaand aan de opname in de gesloten accommodatie een familiegroepsplan is vastgesteld, kan dat familiegroepsplan worden aangevuld met het hulpverleningsplan.

7.

De vertrouwenspersoon verleent op verzoek van de jeugdige of diens ouders advies en bijstand bij het opstellen, evalueren en wijzigen van het hulpverleningsplan.

8.

De jeugdhulpverantwoordelijke evalueert het hulpverleningsplan samen met de jeugdige vier weken na aanvang van de uitvoering ervan en vervolgens ten minste elke twee maanden.

9.

De jeugdhulpverantwoordelijke stelt een verslag op van de evaluatie, bedoeld in het achtste lid, en reikt het verslag uit aan de jeugdige.

Artikel 6.2.10

1.

In het hulpverleningsplan, bedoeld in artikel 6.2.9, eerste lid, wordt in elk geval opgenomen:

  • a. een omschrijving van de problematiek van de jeugdige en van het gedrag dat daaruit voortvloeit;
  • b. de doelen voor de ontwikkeling van de jeugdige;
  • c. een beschrijving van de te verlenen jeugdhulp;
  • d. welke vrijheidsbeperkende maatregelen toegepast kunnen worden, de gevallen waarin en de termijn dat die maatregelen toegepast kunnen worden, alsmede welke jeugdhulpverlener of categorie van jeugdhulpverleners bevoegd is de maatregelen toe te passen;
  • e. de wijze waarop rekening wordt gehouden met de wensen en voorkeuren van de jeugdige ten aanzien van de jeugdhulp; en
  • f. de frequentie waarmee en de omstandigheden waaronder het hulpverleningsplan wordt geëvalueerd en het hulpverleningsplan wordt gewijzigd.
2.

Indien de jeugdhulpverantwoordelijke geen gekwalificeerde gedragswetenschapper is, vindt de vaststelling of wijziging van de in het hulpverleningsplan opgenomen vrijheidsbeperkende maatregelen niet plaats dan na instemming van een gekwalificeerde gedragswetenschapper.

3.

De vaststelling of wijziging van in het hulpverleningsplan opgenomen geneeskundige behandelingen vindt niet plaats dan na instemming van een arts.

Artikel 6.2.11

1.

Met het oog op de veiligheid van een jeugdige of anderen dan wel om te voorkomen dat een jeugdige zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van de machtiging, bedoeld in de artikelen 6.1.2 en 6.1.3, kan de jeugdhulpaanbieder bepalen dat het vervoer van en naar een gesloten accommodatie plaatsvindt door een door Onze Ministers daartoe aangewezen vervoerder.

2.

Bij regeling van Onze Ministers kunnen regels worden gesteld over het vervoer van en naar gesloten accommodaties, waaronder regels over het door de vervoerder te gebruiken vervoermiddel.

§ 6.4. Verlof

§ 6.5. Klachtrecht bij vrijheidsbeperkende maatregelen

Artikel 6.5.4

1.

Na de uitspraak van de klachtencommissie of indien de klachtencommissie niet tijdig heeft beslist, kunnen de klager of de jeugdhulpaanbieder beroep instellen door het indienen van een beroepschrift bij een beroepscommissie als bedoeld in artikel 6.5.2, eerste lid.

2.

Het beroepschrift bevat ten minste:

  • a. de naam van de indiener;
  • b. de dagtekening;
  • c. een omschrijving van de beslissing waartegen het beroep is gericht;
  • d. de gronden van het beroep.
3.

Het beroepschrift wordt uiterlijk binnen zes weken na de ontvangst van het afschrift van de beslissing van de klachtencommissie ingediend bij de beroepscommissie dan wel binnen zes weken na de dag waarop de klachtencommissie uiterlijk een beslissing had moeten nemen.

4.

De voorzitter dan wel een door hem aangewezen lid van de beroepscommissie die een met rechtspraak belast lid van de rechterlijke macht is, kan het beroepschrift enkelvoudig afdoen indien hij het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond acht, met dien verstande dat hij tevens de bevoegdheden bezit die aan de voorzitter van de voltallige beroepscommissie toekomen.

5.

De voorzitter, dan wel het door hem aangewezen lid, bedoeld in het vierde lid, kan de behandeling te allen tijde verwijzen naar de voltallige beroepscommissie.

6.

Bij de behandeling van het beroep is artikel 6.5.3 van overeenkomstige toepassing.

7.

De beroepscommissie stelt de klager en de jeugdhulpaanbieder in de gelegenheid te worden gehoord of inlichtingen te geven.

Artikel 6.5.5

1.

Het indienen van een beroepschrift schorst de tenuitvoerlegging van de beslissing van de klachtencommissie niet, behalve voor zover deze de toekenning van een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 6.5.1, zevende lid, of een schadevergoeding als bedoeld in artikel 6.5.8, inhoudt.

2.

Hangende de uitspraak op het beroepschrift kan de voorzitter van de beroepscommissie op verzoek van degene die het beroep heeft ingesteld en gehoord de andere betrokkene in de procedure de tenuitvoerlegging van de beslissing van de klachtencommissie geheel of gedeeltelijk schorsen.

3.

De voorzitter informeert onmiddellijk degene die het beroep heeft ingesteld en de andere betrokkene in de procedure over de schorsing.

Artikel 6.5.6

1.

De beroepscommissie doet zo spoedig mogelijk nadat het beroepschrift is ontvangen, schriftelijk uitspraak.

2.

De uitspraak van de beroepscommissie strekt tot gehele of gedeeltelijke:

  • a. niet-ontvankelijkverklaring van het beroep;
  • b. bevestiging van de uitspraak van de klachtencommissie met overneming of verbetering van de gronden;
  • c. vernietiging van de uitspraak van de klachtencommissie.
3.

Indien de beroepscommissie de uitspraak van de klachtencommissie vernietigt, doet de beroepscommissie tevens uitspraak over de klacht en het eventuele verzoek om schadevergoeding waarop het beroep betrekking heeft. Artikel 6.5.1, vijfde tot en met zevende lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

4.

De uitspraak bevat de beslissing en de gronden van de beslissing.

5.

De voorzitter van de beroepscommissie stuurt een afschrift van de door de voorzitter ondertekende uitspraak aan degene die het beroep heeft ingesteld en de andere betrokkene in de procedure.

Artikel 6.5.7

Eenieder die betrokken is bij de uitvoering van deze paragraaf en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot bekendmaking verplicht of uit zijn taak bij de uitvoering van dit hoofdstuk de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit.

Artikel 6.5.8

1.

Bij een verzoek als bedoeld in artikel 6.5.1, eerste lid, kan de klager bij de klachtencommissie tevens om schadevergoeding door de jeugdhulpaanbieder verzoeken. De klachtencommissie kan ook ambtshalve tot schadevergoeding door de jeugdhulpaanbieder besluiten.

2.

Bij een beroep als bedoeld in artikel 6.5.4, eerste lid, kan de klager bij de beroepscommissie tevens om schadevergoeding door de jeugdhulpaanbieder verzoeken. De beroepscommissie kan op dit verzoek afzonderlijk beslissen en kan ook ambtshalve tot schadevergoeding door de jeugdhulpaanbieder besluiten.

3.

Voordat de commissie beslist over het toekennen van schadevergoeding, hoort zij de jeugdhulpaanbieder.

4.

De schadevergoeding wordt naar billijkheid vastgesteld.

§ 6.6. De vertrouwenspersoon

§ 6.4. Verlof

Hoofdstuk 7. Gegevensverwerking, privacy en toestemming

§ 6.5. Klachtrecht en schadevergoeding bij vrijheidsbeperkende maatregelen

§ 7.1.3. Gebruik van de verwijsindex

§ 7.1.1. Algemene bepalingen

§ 7.1.3. Gebruik van de verwijsindex

§ 7.2. Burgerservicenummer

Hoofdstuk 8. Financiën en verantwoording

§ 7.4. Gegevensverwerking ten behoeve van de uitvoering van de wet en ten behoeve van beleidsinformatie

§ 8.1. Algemeen

§ 8.4. Verwerking van persoonsgegevens

Hoofdstuk 11. Wijziging van andere wetten

Hoofdstuk 10. Overgangsrecht

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

§ 6.3.1. Doelen en voorwaarden voor de toepassing van vrijheidsbeperkende maatregelen

Artikel 6.3.1.1

1.

Ten aanzien van een jeugdige voor wie een machtiging als bedoeld in artikel 6.1.2, 6.1.3 of 6.1.4 is verleend, kunnen vrijheidsbeperkende maatregelen worden toegepast tegen de wil van de jeugdige of van degene die het gezag over hem uitoefent.

2.

Een vrijheidsbeperkende maatregel is uitsluitend gericht op:

  • a. het waarborgen van de veiligheid van een jeugdige of anderen;
  • b. het afwenden van gevaar voor de gezondheid van een jeugdige of anderen; of
  • c. het bereiken van de met de jeugdhulp beoogde doelen voor de ontwikkeling van de jeugdige, die in het hulpverleningsplan zijn opgenomen.
3.

In een gesloten accommodatie kunnen uitsluitend de in de artikelen 6.3.2.1 tot en met 6.3.2.5 opgenomen vrijheidsbeperkende maatregelen worden toegepast.

Artikel 6.3.1.2

1.

Een vrijheidsbeperkende maatregel wordt niet toegepast, tenzij:

  • a. er voor de jeugdige, gelet op het beoogde doel, geen minder bezwarende alternatieven zijn;
  • b. de maatregel, gelet op het beoogde doel, evenredig is; en
  • c. redelijkerwijs te verwachten is dat de maatregel effectief is.
2.

In aanvulling op het eerste lid kan een vrijheidsbeperkende maatregel uitsluitend worden toegepast als die maatregel is opgenomen in het hulpverleningsplan van de jeugdige.

3.

In afwijking van het tweede lid kan in een gesloten accommodatie een maatregel worden toegepast die niet is opgenomen in het hulpverleningsplan voor zover de maatregel tijdelijk noodzakelijk is ter afwending van een noodsituatie, gelet op de veiligheid en gezondheid van een jeugdige, de veiligheid in de gesloten accommodatie of de bescherming van anderen in de accommodatie.

4.

In geval van een noodsituatie als bedoeld in het derde lid, is artikel 6.3.1.4, eerste lid, niet van toepassing en wordt een maatregel ten hoogste gedurende drie opeenvolgende dagen toegepast.

5.

Indien een maatregel ter afwending van een noodsituatie niet binnen twaalf uur kan worden beëindigd, is voor de voortzetting van de maatregel de instemming van een gekwalificeerde gedragswetenschapper vereist. De gekwalificeerde gedragswetenschapper beoordeelt of de voortzetting van de maatregel noodzakelijk en geschikt is om de noodsituatie af te wenden. Indien de gekwalificeerde gedragswetenschapper oordeelt dat de maatregel niet noodzakelijk en geschikt is om de noodsituatie af te wenden, wordt de maatregel onmiddellijk beëindigd.

6.

Indien de jeugdhulpverantwoordelijke van oordeel is dat het noodzakelijk is een maatregel na de in het vierde lid bedoelde periode voort te zetten, wordt overwogen de maatregel op te nemen in het hulpverleningsplan van de jeugdige. De artikelen 6.2.9, derde, vierde, vijfde en zevende lid, en 6.2.10, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

7.

Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de vrijheidsbeperkende maatregelen, bedoeld in de artikelen 6.1.4, zevende lid, 6.3.2.1, 6.3.2.2, 6.3.2.4, 6.3.2.5 en 6.3.2.6, mogen worden toegepast.

Artikel 6.3.1.3

1.

De jeugdhulpaanbieder stelt op basis van de uitgangspunten van de artikelen 6.3.1.1, tweede lid, en 6.3.1.2, eerste lid, een beleidsplan op over de toepassing van vrijheidsbeperkende maatregelen in de gesloten accommodatie, dat gericht is op het terugdringen en voorkomen van de toepassing van vrijheidsbeperkende maatregelen en het zoeken naar alternatieven op basis van vrijwilligheid.

2.

De jeugdhulpaanbieder draagt er zorg voor dat het beleidsplan wordt toegepast bij de voorbereiding, uitvoering, evaluatie, wijziging en beëindiging van vrijheidsbeperkende maatregelen in de gesloten accommodatie.

Artikel 6.3.1.4

1.

De jeugdhulpverantwoordelijke neemt een beslissing tot het toepassen van een vrijheidsbeperkende maatregel niet dan nadat hij:

  • a. zich op de hoogte heeft gesteld van de actuele toestand van de betrokken jeugdige; en
  • b. voor zover mogelijk met de betrokken jeugdige de voorgenomen beslissing heeft besproken in een voor die jeugdige begrijpelijke en toegankelijke taal.
2.

De jeugdhulpverantwoordelijke stelt een beslissing tot het toepassen van een vrijheidsbeperkende maatregel op schrift en voorziet de beslissing van een schriftelijke motivering.

3.

De jeugdhulpverantwoordelijke overhandigt een afschrift van de beslissing, bedoeld in het tweede lid, aan de jeugdige en stelt de jeugdige op de kortst mogelijke termijn schriftelijk in kennis van de klachtwaardigheid van de beslissing en de mogelijkheid van advies en bijstand door de vertrouwenspersoon.

4.

De jeugdhulpverantwoordelijke draagt ervoor zorg dat de toepassing van een vrijheidsbeperkende maatregel in overleg met de jeugdige zo spoedig mogelijk wordt afgebouwd.

Artikel 6.3.1.5

1.

Indien het niet lukt de toepassing van een vrijheidsbeperkende maatregel voor afloop van de in artikel 6.2.10, eerste lid, onderdeel d, bedoelde termijn af te bouwen, vraagt de jeugdhulpverantwoordelijke advies over het afbouwen van die maatregel aan een niet bij de jeugdhulp betrokken onafhankelijke deskundige.

2.

De jeugdhulpverantwoordelijke overweegt het hulpverleningsplan aan te passen op basis van het advies van de onafhankelijke deskundige. Artikel 6.2.9, derde, vierde, vijfde en zevende lid, is van toepassing.

3.

Bij of krachtens algemene maatregel kunnen eisen worden gesteld aan de onafhankelijke deskundige.

Artikel 6.3.2.1

De jeugdhulpverantwoordelijke kan toezicht uitoefenen of laten uitoefenen op een jeugdige gedurende het verblijf in de gesloten accommodatie.

Artikel 6.3.2.2

1.

De jeugdhulpverantwoordelijke kan de bewegingsvrijheid van een jeugdige gedurende het verblijf in de gesloten accommodatie met de volgende maatregelen beperken:

  • a. vastpakken of vastpakken en vasthouden;
  • b. het verbod zich op te houden op in het hulpverleningsplan beschreven plaatsen, waarbij indien nodig tevens de tijdstippen waarop dat verbod geldt, kunnen worden vastgesteld;
  • c. beperking van deelname aan gemeenschappelijke activiteiten;
  • d. tijdelijke overplaatsing binnen de gesloten accommodatie of naar een andere gesloten accommodatie;
  • e. de verplichting tijdelijk in de eigen kamer of in een afzonderlijke verblijfsruimte te verblijven zonder de kamer of die ruimte af te sluiten;
  • f. insluiting in een afzonderlijke en veilige verblijfsruimte.
2.

Insluiting als bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, kan uitsluitend worden toegepast indien een jeugdige twaalf jaar of ouder is en indien er sprake is van een noodsituatie als bedoeld in artikel 6.3.1.2, derde lid.

3.

In afwijking van artikel 6.3.1.2, vierde lid, wordt een insluiting ten hoogste gedurende één dag toegepast met dien verstande dat een gekwalificeerde gedragswetenschapper de insluiting eenmaal voor ten hoogste één dag kan verlengen indien deze oordeelt dat de noodsituatie nog niet is afgewend en de verlenging noodzakelijk en geschikt is om de noodsituatie af te wenden.

4.

In afwijking van artikel 6.3.1.2, vijfde lid, beoordeelt een gekwalificeerde gedragswetenschapper in geval van een insluiting zo spoedig mogelijk of de insluiting noodzakelijk en geschikt is om de noodsituatie af te wenden.

5.

Zodra een gekwalificeerde gedragswetenschapper oordeelt dat een insluiting niet noodzakelijk en geschikt is om de noodsituatie af te wenden, wordt de insluiting onmiddellijk beëindigd.

6.

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de verblijfsruimte, bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, en over de wijze waarop contact wordt gehouden met de jeugdige tijdens de insluiting.

7.

Voorafgaand aan de toepassing van de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b tot en met f, wordt een jeugdige geïnformeerd over de duur ervan, in voor de jeugdige duidelijke en toegankelijke bewoordingen.

Artikel 6.3.2.3

De jeugdhulpverantwoordelijk kan een jeugdige gedurende het verblijf in de gesloten accommodatie verplichten:

  • a. deel te nemen aan jeugdhulpverleningsprogramma’s; of
  • b. geneeskundige behandelingen, waaronder het toedienen van medicijnen, te ondergaan. De behandeling wordt verricht door een arts of, in diens opdracht, door een verpleegkundige.

Artikel 6.3.2.4

1.

De jeugdhulpverantwoordelijke kan ten aanzien van een jeugdige gedurende het verblijf in de gesloten accommodatie contacten met personen en organisaties buiten de gesloten accommodatie met de volgende maatregelen beperken:

  • a. beperking van het brief- en telefoonverkeer of van het gebruik van andere communicatiemiddelen;
  • b. beperking van bezoek;
  • c. toezicht op telefoongesprekken, het gebruik van andere communicatiemiddelen en bezoek.
2.

Indien sprake is van toezicht tijdens een bezoek, informeert de jeugdhulpverantwoordelijke de bezoeker en de jeugdige voorafgaand aan het bezoek over de wijze waarop toezicht wordt gehouden. Het toezicht mag er niet toe leiden dat vertrouwelijke mededelingen in het onderhoud tussen de jeugdige en diens rechtsbijstandverlener of vertrouwenspersoon bij derden bekend kunnen worden.

3.

De verzending of uitreiking van brieven of berichten kan de jeugdige niet worden geweigerd in geval van brieven of berichten gericht aan of afkomstig van:

  • a. leden van het Koninklijk Huis;
  • b. de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal, leden daarvan, de Nederlandse leden van het Europese Parlement of een commissie uit een van beide parlementen;
  • c. Onze Ministers;
  • d. het college of de gemeenteraad of leden van het college of de gemeenteraad;
  • e. justitiële autoriteiten;
  • f. de Nationale ombudsman en de Kinderombudsman;
  • g. de inspecteurs van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd;
  • h. de Raad voor strafrechtstoepassing en jeugdbescherming, een commissie daaruit of leden of buitengewone leden daarvan;
  • i. de klachtencommissie of leden daarvan;
  • j. organen, of leden daarvan, die krachtens een wettelijk voorschrift of een in Nederland geldend verdrag:
  • 1°. bevoegd zijn tot kennisneming van klachten of behandeling van met een klacht aangevangen zaken; dan wel
  • 2°. zijn belast met het houden van toezicht;
  • k. diens rechtsbijstandverlener;
  • l. diens reclasseringsmedewerker of medewerkers van de gecertificeerde instelling;
  • m. diens ouders, andere gezinsleden, voogd, pleegouders of vrienden, behoudens ingeval de jeugdhulpaanbieder heeft vastgesteld dat zwaarwegende belangen van de jeugdige zich daartegen verzetten;
  • n. diens vertrouwenspersoon.
4.

Bij het telefonisch contact met de in het derde lid genoemde personen wordt geen ander toezicht uitgeoefend dan voor zover noodzakelijk is om de identiteit van de persoon of instantie met wie de jeugdige een telefoongesprek voert of wenst te voeren, vast te stellen.

5.

De in het derde lid, onderdelen g, h, i, j en n, genoemde personen en instanties kunnen een jeugdige te allen tijde bezoeken.

6.

Indien de in het derde lid, onderdeel m, genoemde personen vanwege dringende verplichtingen of belemmeringen niet in staat zijn de jeugdige op de in de huisregels vastgestelde tijden en plaatsen te bezoeken, stelt de jeugdhulpaanbieder hen buiten deze tijden daartoe in de gelegenheid.

Artikel 6.3.2.5

1.

Bij het gegronde vermoeden van aanwezigheid van gedragsbeïnvloedende middelen of van voorwerpen die een jeugdige niet in zijn bezit mag hebben, kan de jeugdhulpverantwoordelijke ten aanzien van een jeugdige gedurende het verblijf in de gesloten accommodatie de volgende controles toepassen of laten toepassen:

  • a. onderzoek aan het lichaam;
  • b. onderzoek aan de kleding;
  • c. onderzoek van urine;
  • d. onderzoek van de kamer van de jeugdige, uitsluitend in aanwezigheid van de jeugdige;
  • e. onderzoek van poststukken afkomstig van of bestemd voor de jeugdige, uitsluitend in aanwezigheid van de jeugdige.
2.

Het onderzoek aan het lichaam van de jeugdige wordt verricht op besloten plaatsen en voor zover mogelijk door personen van het geslacht dat de voorkeur heeft van de jeugdige.

3.

Het onderzoek aan de kleding omvat het bekijken van de eventuele voorwerpen die zich in de kleding bevinden.

4.

Indien bij een onderzoek als bedoeld in het eerste lid gedragsbeïnvloedende middelen of voorwerpen worden aangetroffen die niet in het bezit van de jeugdige mogen zijn, worden deze in beslag genomen en voor de jeugdige bewaard of met zijn toestemming vernietigd, dan wel aan een opsporingsambtenaar overhandigd.

Artikel 6.3.2.6

1.

De vervoerder, bedoeld in artikel 6.2.11, eerste lid, kan ten aanzien van een jeugdige tijdens dat vervoer uitsluitend de volgende vrijheidsbeperkende maatregelen toepassen:

  • a. vastpakken of vastpakken en vasthouden;
  • b. onderzoek aan de kleding op de aanwezigheid van voorwerpen die een gevaar voor de jeugdige of anderen kunnen opleveren; of
  • c. tijdelijke plaatsing in een afzonderlijke en af te sluiten ruimte in het vervoermiddel.
2.

Tijdelijke plaatsing als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, kan uitsluitend worden toegepast indien een jeugdige twaalf jaar of ouder is.

3.

Zodra de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, in het hulpverleningsplan zijn opgenomen, worden zij dienovereenkomstig ten uitvoer gelegd.

4.

Voorwerpen die een gevaar vormen voor de jeugdige of anderen, worden in beslag genomen door de vervoerder en voor de jeugdige ter bewaring aan de jeugdhulpaanbieder overhandigd.

5.

De vervoerder meldt de toepassing van een of meer van de in het eerste lid genoemde maatregelen aan de jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling. Indien de jeugdige niet onder toezicht is gesteld, informeert de jeugdhulpaanbieder de ouders.

Artikel 6.3.2.7

1.

Ten aanzien van een jeugdige voor wie een machtiging is afgegeven en die in verband met deze machtiging aanwezig is in een gerechtsgebouw, kunnen voor de duur van zijn aanwezigheid aldaar uitsluitend de volgende vrijheidsbeperkende maatregelen worden genomen:

  • a. vastpakken en vasthouden;
  • b. onderzoek aan de kleding op de aanwezigheid van voorwerpen die een gevaar voor de jeugdige of anderen kunnen opleveren;
  • c. tijdelijke plaatsing in een geschikte, afzonderlijke en af te sluiten ruimte.
2.

Tijdelijke plaatsing als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, kan uitsluitend worden toegepast indien een jeugdige twaalf jaar of ouder is.

3.

De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, worden uitsluitend ten uitvoer gelegd door ambtenaren aangewezen voor de uitvoering van de politietaak, bedoeld in artikel 3 van de Politiewet 2012.

§ 6.4. Verlof

§ 6.5. Klachtrecht en schadevergoeding bij vrijheidsbeperkende maatregelen

Artikel 6.6.1

1.

Een jeugdige, diens ouders of pleegouders kunnen in de gesloten accommodatie een beroep doen op een vertrouwenspersoon. De jeugdige heeft vrije toegang tot de vertrouwenspersoon en behoeft geen toestemming van derden om te spreken met de vertrouwenspersoon.

2.

De vertrouwenspersoon is op vaste momenten aanwezig in de gesloten accommodatie voor persoonlijk contact met de jeugdige.

3.

De vertrouwenspersoon heeft, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is, vrije toegang tot de jeugdige en behoeft geen toestemming van derden om te spreken met de jeugdige.

4.

De vertrouwenspersoon krijgt van eenieder die bij de uitvoering van de jeugdhulp in de gesloten accommodatie betrokken is, binnen de door hem gestelde termijn, alle medewerking die hij redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn taak.

5.

De vertrouwenspersoon heeft tevens tot taak om signalen over tekortkomingen in de uitvoering van gesloten jeugdhulp, voor zover deze afbreuk doen aan de rechten van een jeugdige, aan de ingevolge deze wet met toezicht belaste ambtenaren te melden.

Artikel 6.7.1

1.

De jeugdhulpverantwoordelijke draagt er zorg voor dat een beslissing tot het toepassen van een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in de artikelen 6.3.2.1 tot en met 6.3.2.5 samen met de schriftelijke motivering, bedoeld in artikel 6.3.1.4, tweede lid, zo spoedig mogelijk in het dossier van de jeugdige wordt vastgelegd.

2.

De jeugdhulpaanbieder draagt er zorg voor dat de toepassing van de maatregelen, bedoeld in de artikelen 6.3.2.6 en 6.3.2.7, zo spoedig mogelijk in het dossier van de jeugdige wordt vastgelegd.

3.

De jeugdhulpaanbieder verstrekt eens per zes maanden een rapportage over de toepassing van vrijheidsbeperkende maatregelen als bedoeld in paragraaf 6.3.2 aan de gecertificeerde instelling indien deze ten aanzien van de jeugdige een kinderbeschermingsmaatregel uitvoert, alsmede aan de ouders indien de jeugdige niet onder toezicht is gesteld of aan de pleegouders.

Artikel 6.7.2

1.

De jeugdhulpaanbieder informeert de gecertificeerde instelling indien deze ten aanzien van de jeugdige een kinderbeschermingsmaatregel uitvoert, alsmede de ouders indien de jeugdige niet onder toezicht is gesteld of de pleegouders over de toepassing van de maatregelen, bedoeld in artikel 6.3.2.2, eerste lid, onderdelen d en f, en artikel 6.3.2.3.

2.

Voorafgaand aan een evaluatie als bedoeld in artikel 6.2.9, achtste lid, verstrekt de jeugdhulpaanbieder de afschriften, bedoeld in artikel 6.3.1.4, derde lid, die betrekking hebben op de beslissingen die zijn genomen met toepassing van artikel 6.3.1.2, derde lid, aan de gecertificeerde instelling, indien deze ten aanzien van de jeugdige een kinderbeschermingsmaatregel uitvoert, alsmede aan de ouders, indien de jeugdige niet onder toezicht is gesteld, of aan de pleegouders. Ten aanzien van jeugdigen van zestien jaar en ouder is voorafgaand aan het verstrekken van de afschriften aan ouders, pleegouders of de gecertificeerde instelling de instemming van de jeugdige vereist, tenzij het informatie betreft voor de gecertificeerde instelling die noodzakelijk is voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling.

3.

Ten aanzien van jeugdigen van zestien jaar en ouder is voorafgaand aan het informeren van ouders, pleegouders of de gecertificeerde instelling de instemming van de jeugdige vereist, tenzij het informatie betreft voor de gecertificeerde instelling die noodzakelijk is voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling.

Artikel 6.7.3

1.

De jeugdhulpaanbieder zorgt ten behoeve van de uitvoering van dit hoofdstuk en van het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens dit hoofdstuk voor het digitaal beschikbaar zijn van de volgende gegevens:

  • a. de naam van de betrokken jeugdige en diens burgerservicenummer;
  • c. de begin- en einddatum van de maatregelen, bedoeld in onderdeel b;
  • d. de beslissingen tot het verlenen van verlof, bedoeld in artikel 6.4.1, ten aanzien van de jeugdige.
2.

De jeugdhulpaanbieder draagt ervoor zorg dat ten minste eens per zes maanden aan de ingevolge deze wet met toezicht belaste ambtenaren een digitaal overzicht van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, wordt verstrekt.

Artikel 6.7.4

1.

De jeugdhulpaanbieder verstrekt ten minste jaarlijks aan de ingevolge deze wet met toezicht belaste ambtenaren een analyse over de vrijheidsbeperkende maatregelen, bedoeld in de artikelen 6.3.2.1 tot en met 6.3.2.5, die in die periode in de gesloten accommodatie zijn toegepast.

2.

Bij regeling van Onze Ministers kunnen regels worden gesteld over de inhoud en de wijze van verstrekken van de analyse.

Hoofdstuk 7. Gegevensverwerking, privacy en toestemming

§ 7.1. Verwijsindex

§ 7.1.1. Algemene bepalingen

§ 7.1.2. Inrichting, beheer en verantwoordelijkheid

§ 7.1.1. Algemene bepalingen

§ 7.1.4. Melding aan de verwijsindex

§ 7.1.4. Melding aan de verwijsindex

Artikel 7.4.3a

1.

De verwerking van persoonsgegevens door het college op grond van artikel 7.4.0, eerste lid, en de verstrekking van persoonsgegevens aan het college op grond van de artikelen 7.4.0, tweede lid, en 7.4.3, geschiedt, voor zover het bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen verwerkingen of verstrekkingen betreft, door tussenkomst van het Inlichtingenbureau.

2.

Indien het Inlichtingenbureau op grond van het eerste lid persoonsgegevens verwerkt, is het voor deze verwerking verwerkingsverantwoordelijke.

Hoofdstuk 8. Financiën en verantwoording

§ 8.2. Betaal-, onderzoeks- en informatieplicht

§ 8.3. Financiële verantwoording

§ 8.4. Verwerking van persoonsgegevens

Hoofdstuk 11. Wijziging van andere wetten

Hoofdstuk 12. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 1a.3

1.

Bij het voeren van een telefonisch of elektronisch gesprek als bedoeld in artikel 1a.1, onderdeel a, worden het IP-adres of telefoonnummer van de jeugdige verwerkt, voor zover deze noodzakelijk zijn om:

  • a. het contact tot stand te brengen tussen de jeugdige en degene die met de jeugdige dit gesprek voert;
  • b. de bereikbaarheid te verbeteren.
2.

Bij de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 1a.1, onderdeel a, kunnen persoonsgegevens, waaronder gegevens over gezondheid, andere bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard, worden verwerkt tijdens een elektronisch gesprek, voor zover deze uit eigen beweging door de jeugdige worden meegedeeld.

3.

De organisatie die de taken, bedoeld in artikel 1a.1, onderdeel a, uitvoert is slechts bevoegd informatie uit een elektronisch gesprek, waarin mogelijk persoonsgegevens, waaronder gegevens over gezondheid, andere bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard, zijn opgenomen verder te verwerken als daarop pseudonimisering als bedoeld in artikel 4, onderdeel 5, van de Algemene Verordening gegevensbescherming is toegepast en vervolgens onafgebroken wordt gecontinueerd en voor zover dat noodzakelijk is voor een doelmatige en doeltreffende uitvoering van deze taken.

4.

Bij het in behandeling nemen van klachten kunnen persoonsgegevens, waaronder gegevens over gezondheid, andere bijzondere categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard van de jeugdige die een telefonisch of elektronisch gesprek heeft gevoerd als bedoeld in artikel 1a.1, onderdeel a, worden verwerkt.

Hoofdstuk 2. Gemeente

Hoofdstuk 3. Gecertificeerde instellingen

§ 4.1. Kwaliteit jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen

§ 4.2. Rechtspositie jeugdigen en ouders

§ 4.2.b. Medezeggenschap

Hoofdstuk 5. Pleegzorg

§ 6.1. Machtiging

§ 6.4. Verlof

§ 6.5. Klachtrecht en schadevergoeding bij vrijheidsbeperkende maatregelen

Hoofdstuk 7. Gegevensverwerking, privacy en toestemming

§ 6.7. Gegevensverwerking bij gesloten jeugdhulp

§ 7.1.2. Inrichting, beheer en verantwoordelijkheid

§ 7.1.4. Melding aan de verwijsindex

§ 7.1.5. Informatieverstrekking aan en rechten van de betrokkene

§ 8.1. Algemeen

§ 8.2. Betaal-, onderzoeks- en informatieplicht

§ 8.3. Financiële verantwoording

§ 8.4. Verwerking van persoonsgegevens

Hoofdstuk 11. Wijziging van andere wetten

Hoofdstuk 12. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 1a.4

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)