Inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, investeringsaftrek

Type Beleidsregel
Publication 2017-01-01
State In force
Source BWB
artikelen Not indexed
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Bij de overgang van losse bedrijfsmiddelen, ongeacht of deze kan leiden tot het aangaan van verplichtingen wegens overbedeling, wordt geen investeringsaftrek toegepast. Hetzelfde geldt voor de overgang van zaken uit het privévermogen van de erflater. Als laatstgenoemde zaken naast de onderneming worden verkregen en deze bij de verkrijger deel gaan uitmaken van het ondernemingsvermogen, worden deze meegeteld als maakten ze deel uit van de onderneming van de erflater.

5.2.2.3. Overbedeling

5.2.2.4. Verplichtingen wegens overbedeling

Het moet gaan om reële verplichtingen tot betaling wegens overbedeling aangegaan jegens de overige erfgenamen. Het overnemen van schulden is in het kader van erfrechtelijke verkrijgingen niet het aangaan van verplichtingen voor de verwerving van een bedrijfsmiddel, aangezien bij erfrechtelijke verkrijgingen sprake is van een overgang onder algemene titel. Dit is anders bij het aangaan van verplichtingen tussen naaste verwanten alwaar door het overnemen van schulden invulling wordt gegeven aan de betalingsverplichting jegens deze naaste verwant.

Schulden ter zake van de overbedeling aan de overige erfgenamen moeten met name voor wat betreft looptijd, aflossingsschema en te stellen zekerheden voldoen aan hetgeen tussen derden gebruikelijk is. Als een schuld een lager rentepercentage draagt dan vermeld in de zogenoemde marktrentebesluiten (o.a. besluit van 5 december 2012, nr. BLKB2012/1865M), wordt als verplichting aangemerkt de contante waarde van de contractueel te verrichten betalingen voor rente en aflossing; daarbij wordt de marktrente als bedoeld in voormeld besluit in het jaar van aangaan van de verplichting, als disconteringsfactor toegepast. De verplichtingen behoren schriftelijk te worden vastgelegd.

5.2.2.5. Verandering of niet-nakoming van verplichtingen

De volgende omstandigheden leiden tot gehele bijtelling van de toegepaste investeringsaftrek, als ware het een desinvesteringsbijtelling:

Van verandering van verplichtingen is bijvoorbeeld sprake als, in geval van schuldig blijven, door de overige erfgenamen wijzigingen van rentepercentages of aflossingsschema's worden toegestaan of door dezen schenkingen dan wel kwijtscheldingen worden gedaan of als de betalingen van verschuldigde rente en aflossing niet plaatsvinden.

5.2.3.1. Evenredige verdeling verplichtingen

5.2.3.2. Landbouwgrond

5.2.3.3. Notariële akte van verdeling

5.2.3.4. Formule

B

V

R: reële verplichtingen wegens overbedeling;

Bij de bepaling van de investeringsaftrek over het jaar waarin de verplichtingen waarop de ontheffing betrekking heeft, zijn aangegaan, wordt in het totale investeringsbedrag mede begrepen de waarde in het economische verkeer van alle bedrijfsmiddelen, die in dat jaar zijn verkregen uit verplichtingen, genoemd in artikel 3.46, eerste lid, van de Wet IB 2001 en waarvoor ontheffing wordt of zou kunnen worden verkregen.

5.2.5. Verzoek

De belastingplichtige die in aanmerking wenst te komen voor investeringsaftrek in het kader van de overname van een onderneming uit een nalatenschap waarbij verplichtingen worden aangegaan tussen gerechtigden tot die nalatenschap, moet voor elk jaar waarin dergelijke verplichtingen worden aangegaan, in de aangifte een verzoek opnemen tot ontheffing van hetgeen is opgenomen in artikel 3.46, eerste lid, onderdeel c, van de Wet IB 2001. Dat kan door middel van het beantwoorden van een ja/nee-vraag. Als de belastingplichtige deze vraag met ‘ja’ beantwoordt, verklaart hij zich akkoord met hetgeen is opgenomen in onderdeel 5.2 van dit besluit omtrent verandering of niet-nakoming van verplichtingen.

5.3. Ontheffing bij verplichtingen tussen belastingplichtige en een gelieerd lichaam

Degene die in een lichaam voor ten minste een derde gedeelte belang heeft, kan geen aanspraak maken op investeringsaftrek voor verplichtingen aangegaan tegenover dat lichaam (artikel 3.46, eerste lid, onderdeel d, van de Wet IB 2001). De bedoeling van deze uitsluitingsbepaling is geen investeringsaftrek toe te passen voor blote verschuivingen binnen het vermogen van belastingplichtigen die voor ten minste een derde gedeelte belang hebben in een lichaam. De Minister heeft de bevoegdheid te bepalen dat het eerste lid geen toepassing vindt (artikel 3.46, tweede lid, van de Wet IB 2001). Ik heb besloten voor de volgende situaties van deze ontheffingsbevoegdheid gebruik te maken (5.3.2 en 5.3.3). Hierbij machtig ik de inspecteurs namens mij onder de navolgende voorwaarden ontheffing te verlenen.

5.3.2. Reële investeringen

De inspecteurs zijn gemachtigd de investeringsaftrek volledig toe te passen in de hierna omschreven situaties, als is voldaan aan de onder 5.3.4 gestelde voorwaarden. In deze situaties is geen sprake van vermogensverschuivingen of worden de vermogensverschuivingen aangemerkt als reële investeringen.

5.3.3. Overige investeringen

De inspecteurs zijn gemachtigd in de overige situaties waarin verplichtingen worden aangegaan, zoals omschreven onder 5.3.1, zonder dat wordt voldaan aan de omschrijving van de situaties in 5.3.2, maar aan de onder 5.3.4 gestelde voorwaarden, per bedrijfsmiddel investeringsaftrek toe te passen tot maximaal het bedrag van de desinvesteringsbijtelling die bij het vervreemdende lichaam bij de vervreemding van dat bedrijfsmiddel is toegepast.

5.3.4. Voorwaarden

5.3.6. Geen inbreuk op wettelijke bepalingen

Wellicht ten overvloede merk ik op dat bij de belastingplichtige die voor ten minste een derde gedeelte belang heeft in een lichaam/ondernemer uiteraard slechts investeringsaftrek kan worden toegepast voor verplichtingen die overigens voor investeringsaftrek in aanmerking komen en voorts dat de investeringsaftrek nooit meer kan bedragen dan het bedrag waarop volgens de overige wettelijke bepalingen aanspraak kan worden gemaakt.

5.3.8. Indiening verzoek

Het verzoek moet tevens zijn voorzien van een verklaring dat de belastingplichtige akkoord gaat met de volgende voorwaarde:

5.4.1. Inleiding

5.4. Ontheffing bij verplichtingen tussen gelieerde lichamen

5.4.2. Reële investeringen

5.4.2.2.2. De aandelenvennootschap gaat verplichtingen aan voor de verwerving van bedrijfsmiddelen

5.4.2.2.3. De aandelenvennootschap gaat verplichtingen aan jegens een niet binnen Nederland gevestigde gelieerde aandelenvennootschap voor de verwerving van bedrijfsmiddelen. De bedrijfsmiddelen zijn niet eerder in die hoedanigheid binnen de door artikel 8, achtste lid, van de Wet VPB bedoelde gelieerde verhoudingen betrokken geweest in de fiscale wetgeving binnen Nederland en hebben niet eerder ter beschikking gestaan van een binnen Nederland gevestigde onderneming binnen de hiervoor bedoelde gelieerde verhoudingen. Gelijktijdig met of kort na de verwerving worden de bedrijfsmiddelen in gebruik genomen.

Gelijktijdig met of kort voor het aangaan van de verplichtingen gaat het volledige belang in de investerende aandelenvennootschap blijvend over op (een) derde(n). Na de overdracht van het belang is elke gelieerdheid verbroken en is (zijn) de groot-aandeelhouder of de vervreemdende vennootschap en/of haar aandeelhouder(s) vanaf het moment van aandelenoverdracht op geen enkele wijze meer betrokken bij de leiding van de investerende vennootschap. De bij de overdracht van het belang betrokken aandelen zijn tegen een zakelijke prijs overgedragen, waarbij de afwikkeling van deze overdracht is geschied op een wijze zoals tussen derden gebruikelijk is.

Gelijktijdig met of kort voor het aangaan van de verplichtingen gaat het volledige belang in de investerende aandelenvennootschap blijvend over op (een) derde(n). Na de overdracht van het belang is elke gelieerdheid verbroken en is (zijn) de groot-aandeelhouder of de vervreemdende vennootschap en/of haar aandeelhouder(s) vanaf het moment van aandelenoverdracht op geen enkele wijze meer betrokken bij de leiding van de investerende vennootschap. De bij de overdracht van het belang betrokken aandelen zijn tegen een zakelijke prijs overgedragen, waarbij de afwikkeling van deze overdracht is geschied op een wijze zoals tussen derden gebruikelijk is.

5.4.3. Overige investeringen

Bij de bepaling van de investeringsaftrek over het jaar waarin de verplichtingen waarop de ontheffing betrekking heeft, zijn aangegaan, wordt in het totale investeringsbedrag mede begrepen de waarde in het economische verkeer van alle bedrijfsmiddelen die in dat jaar zijn verkregen uit verplichtingen, genoemd in artikel 8, achtste lid, van de Wet VPB en waarvoor ontheffing wordt of zou kunnen worden verleend.

Voor situaties waarin de groot-aandeelhouder in het buitenland een onderneming drijft en waarin door het onder 5.4.2.2.2 gestelde geen volledige investeringsaftrek wordt toegepast, dienen belanghebbenden een verzoek te richten aan Belastingdienst/Directie Vaktechniek Belastingen/Cluster Vpb-IBwinst, Postbus 20201, 2500 EE Den Haag.

5.4.7. Indiening verzoek

6.1. Desinvesteringsbijtellingen bij overdracht en liquidatie in het zicht van overlijden

6.1. Desinvesteringsbijtellingen bij overdracht en liquidatie in het zicht van overlijden

Hierbij valt aan de volgende mogelijkheden te denken:

6.1.3. Uiterlijke termijn indienen verzoek

7.1. ‘... daarvoor kiest bij de aangifte.’ Vergeten te kiezen voor investeringsaftrek, aanslag staat onherroepelijk vast

7. Formaliteiten

Ik heb besloten gebruik te maken van de mogelijkheid een bijzondere regeling te treffen voor de investeringsaftrek (art 45aa, onderdeel c, uitvoeringsregeling IB 2001, BFB, onderdeel 17, § 12). In het besluit van 15 september 2009, nr. CPP2009/1116M, was al een versoepeling aangebracht voor de EIA en MIA. Deze breid ik nu uit naar de KIA. De belastingplichtige die verzuimd heeft voor investeringsaftrek te kiezen bij de aangifte kan daardoor alsnog de inspecteur verzoeken om ambtshalve vermindering. Dat betekent dat binnen vijf jaren alsnog een verzoek om KIA, EIA of MIA kan worden gedaan. Daarbij geldt dat de termijn aanvangt na het einde van het jaar waarin de investeringsaftrek in aanmerking had kunnen worden genomen, ook al vond de investering in een eerder jaar plaats. Het verzoek om ambtshalve vermindering kan mede omvatten het verzoek om onder de investering te begrijpen de kosten van een energie-advies (artikel 3.42, vijfde lid, van de Wet IB 2001) of van een milieu-advies (artikel 3.42a, vierde lid, van de Wet IB 2001).

De goedkeuring ziet op alle gevallen waarin op de dagtekening van dit besluit de termijn voor ambtshalve vermindering nog niet is verstreken.

Voor gevallen waarin een verzoek om ambtshalve vermindering in verband met de KIA nog tijdig zou zijn als deze was gedaan op de dagtekening van dit besluit, geldt dat de termijn voor het doen van het verzoek eenmalig wordt verlengd met drie maanden, te rekenen vanaf de dagtekening van dit besluit.

7.3. Aanmelding van de investering bij fiscale eenheid

Van investeringen die zijn gedaan door een tot een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting behorende dochtermaatschappij moet de aanmelding in principe door de moedermaatschappij plaatsvinden.

7.3.2. Problemen vanuit de praktijk

Gelet op hetgeen onder inleiding is gesteld, zou onzekerheid kunnen bestaan over de vraag of in de hiervoor genoemde situaties recht bestaat op EIA of MIA. Te meer nu het gaat om investeringen in energiezuinige en milieuvriendelijke bedrijfsmiddelen acht ik het ongewenst dat in situaties zoals hiervoor genoemd het recht op EIA of MIA zou vervallen.

Voor zover nodig keur ik daarom het volgende goed.

Gelet op hetgeen onder inleiding is gesteld, zou onzekerheid kunnen bestaan over de vraag of in de hiervoor genoemde situaties recht bestaat op EIA of MIA. Te meer nu het gaat om investeringen in energiezuinige en milieuvriendelijke bedrijfsmiddelen acht ik het ongewenst dat in situaties zoals hiervoor genoemd het recht op EIA of MIA zou vervallen.

8. Ingetrokken regeling

Het besluit van 15 september 2009, nr. CPP2009/1116M, Staatscourant 2009, 1405, is met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit ingetrokken.

9. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant en werkt terug tot en met dagtekening besluit.

Bijlage 1. Verklaringen inzake de berekening van investeringsaftrek en desinvesteringsbijtelling bij aanwending van een herinvesteringsreserve of gebruikmaking van de ruilarresten

Aan de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor........

De ondergetekende,...................... te........................, BSN of RSIN............., verzoekt voor de heffing van inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting over het jaar ....... toepassing van onderdeel 4.2 van het besluit Investeringsaftrek, nr. BLKB 2014/106M, met betrekking tot de volgende bedrijfsmiddelen:

    1. ......................................................
    1. ......................................................

De afgestane bedrijfsmiddelen zijn:

    1. ......................................................
    1. ......................................................
  • −. De ondergetekende verklaart dat bij de berekening van de grondslag voor het verlenen van investeringsaftrek is uitgegaan van de reële waarde van zowel het vervangende als het afgestane bedrijfsmiddel.
  • −. Voorts verklaart ondergetekende akkoord te gaan met de volgende voorwaarden:
  • a. Is investeringsaftrek genoten over de kostprijs van een bedrijfsmiddel zonder dat deze is verminderd met de op voet van artikel 3.54 van de Wet IB 2001 gevormde herinvesteringsreserve ter zake van het afgestane bedrijfsmiddel, dan zal de desinvesteringsbijtelling voor het desbetreffende bedrijfsmiddel worden berekend over de overdrachtsprijs dan wel de waarde in het economische verkeer van deze bedrijfsmiddelen.
  • b. Als blijkt dat is uitgegaan van een te hoge grondslag voor het berekenen van investeringsaftrek, wordt ondergetekende geacht geen verzoek om toepassing van het in deze verklaring bedoelde besluit te hebben gedaan, zodat de investeringsaftrek alsnog overeenkomstig de in het arrest van 24 december 1975, nr. 17 795, weergegeven opvatting van de Hoge Raad wordt berekend.
................................. ............................
(plaats) (dagtekening)
.................................
(handtekening)

Bijlage 2. Verzoek om toepassing van investeringsaftrek voor het aangaan van verplichtingen in het kader van transacties tussen naaste verwanten

Aan de Inspecteur van de Belastingdienst/kantoor ..........

De ondergetekende, ......................wonende te........................, BSN ............., verzoekt, in verband met verplichtingen welke zijn aangegaan met een persoon/personen die tot zijn huishouden behoort/behoren, (een) bloed- of aanverwant(en) in de rechte lijn of personen die behoren tot zijn (hun) huishouden, op grond van artikel 3.46, tweede lid, van de Wet IB 2001 om ontheffing van hetgeen is bepaald in het eerste lid, onderdeel a en b, van dat artikel.

Hij/zij verklaart dat, als binnen vijf jaren na de aanvang van het kalenderjaar/boekjaar waarin de overname heeft plaatsgevonden onderstaande zich voordoet de op basis van het besluit toegepaste investeringsaftrek zal worden bijgeteld, als ware het een desinvesteringsbijtelling. De bijtelling vindt plaats in het jaar waarin onderstaande zich voordoet. Het betreft veranderingen – direct of indirect – van de aangegane verplichtingen voor de transacties tussen naaste verwanten te zijnen/haren gunste, voortvloeiende uit de familierelatie, of het niet nakomen van de verplichtingen.

Hij/zij verklaart ervan kennis te hebben genomen dat de bijtelling van de toegepaste investeringsaftrek achterwege kan blijven, als hij/zij aannemelijk maakt dat deze verandering op zakelijke gronden berust of als blijkt dat de verandering losstaat van de tussen partijen bestaande contractuele verhouding.

Een afschrift van de overeenkomst tussen de naaste verwanten gaat hierbij.

................................. ............................
(plaats) (dagtekening)
.................................
(handtekening)

Bijlage 3. Verzoek om investeringsaftrek in het kader van de overname van een onderneming uit een nalatenschap waarbij verplichtingen worden aangegaan tussen gerechtigden tot die nalatenschap

Aan de Inspecteur van de Belastingdienst/kantoor ....................

De ondergetekende, ......................wonende te ........................, BSN ............., gerechtigde tot de nalatenschap van .................., verzoekt, in verband met tegenover de overige gerechtigde(n) tot die nalatenschap aangegane verplichtingen wegens overbedeling ter zake van de overname van een tot de nalatenschap behorend(e) (zelfstandig dan wel evenredig deel van de) onderneming, op grond van artikel 3.46, tweede lid, van de Wet IB 2001, om ontheffing van hetgeen is bepaald in het eerste lid, onderdeel c, van dat artikel.

Hij/zij verklaart dat, als binnen vijf jaren na de aanvang van het kalenderjaar/boekjaar waarin de overname heeft plaatsgevonden onderstaande zich voordoet de op basis van het besluit toegepaste investeringsaftrek zal worden bijgeteld, als ware het een desinvesteringsbijtelling. De bijtelling vindt plaats in het jaar waarin onderstaande zich voordoet. Het betreft veranderingen – direct of indirect – van de aangegane verplichtingen voor transacties tussen naaste verwanten te zijnen/haren gunste, voortvloeiende uit de familierelatie, of het niet nakomen van de verplichtingen.

Hij/zij verklaart ervan kennis te hebben genomen dat de bijtelling van de toegepaste investeringsaftrek achterwege kan blijven, als hij/zij aannemelijk maakt dat deze verandering op zakelijke gronden berust of als blijkt dat de verandering losstaat van de tussen partijen bestaande contractuele verhouding.

Afschriften van de overeenkomst tussen de gerechtigden tot de nalatenschap en de notariële akte van verdeling gaan hierbij.

................................. ............................
(plaats) (dagtekening)
.................................
(handtekening)

Bijlage 2. Verzoek om toepassing van investeringsaftrek voor het aangaan van verplichtingen in het kader van transacties tussen naaste verwanten

Aan de Inspecteur van de Belastingdienst/kantoor ..........

De ondergetekende, ......................wonende te........................, BSN ............., verzoekt, in verband met verplichtingen welke zijn aangegaan met een persoon/personen die tot zijn huishouden behoort/behoren, (een) bloed- of aanverwant(en) in de rechte lijn of personen die behoren tot zijn (hun) huishouden, op grond van artikel 3.46, tweede lid, van de Wet IB 2001 om ontheffing van hetgeen is bepaald in het eerste lid, onderdeel a en b, van dat artikel.

Hij/zij verklaart dat, als binnen vijf jaren na de aanvang van het kalenderjaar/boekjaar waarin de overname heeft plaatsgevonden onderstaande zich voordoet de op basis van het besluit toegepaste investeringsaftrek zal worden bijgeteld, als ware het een desinvesteringsbijtelling. De bijtelling vindt plaats in het jaar waarin onderstaande zich voordoet. Het betreft veranderingen – direct of indirect – van de aangegane verplichtingen voor de transacties tussen naaste verwanten te zijnen/haren gunste, voortvloeiende uit de familierelatie, of het niet nakomen van de verplichtingen.

Hij/zij verklaart ervan kennis te hebben genomen dat de bijtelling van de toegepaste investeringsaftrek achterwege kan blijven, als hij/zij aannemelijk maakt dat deze verandering op zakelijke gronden berust of als blijkt dat de verandering losstaat van de tussen partijen bestaande contractuele verhouding.

Een afschrift van de overeenkomst tussen de naaste verwanten gaat hierbij.

................................. ............................
(plaats) (dagtekening)
.................................
(handtekening)

Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.

Het in time-charter geven van een schip wordt voor de toepassing van de KIA eveneens niet als ter beschikking stellen in de zin van artikel 3.45, tweede lid, van de Wet IB 2001 aangemerkt.

4.1.1

Ik keur goed dat bij samenwerkingsverbanden op gezamenlijk, ondertekend verzoek uitsluitend voor de vraag of het drempelbedrag wordt overschreden, de beoordeling geschiedt naar het totale bedrag van de investeringen van de gezamenlijke vennoten van het samenwerkingsverband. Het verzoek moet zijn ingediend vóór het moment waarop de aanslag inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting van het jaar waarop de investering betrekking heeft, van een of meer vennoten onherroepelijk vaststaat. Daarbij verklaren de belastingplichtigen er mee in te stemmen dat bij vervreemding van het desbetreffende bedrijfsmiddel de toepassing van artikel 3.47, eerste lid, van de Wet IB 2001 voor de gezamenlijke vennoten plaatsvindt over de overdrachtsprijs van het bedrijfsmiddel.

4.1.2. Investeringsbedrag per bedrijfsmiddel minder dan € 450 of € 2.500 (2014)

Niet tot de bedrijfsmiddelen worden gerekend bedrijfsmiddelen waarvan het investeringsbedrag minder bedraagt dan € 450 (KIA) of € 2.500 (EIA, MIA vanaf 2014 (artikel 3.45 van de Wet IB 2001)). De beoordeling van deze uitsluiting dient plaats te vinden per bedrijfsmiddel en niet per ondernemer. Het is dus voor deze beoordeling niet van belang uit hoeveel vennoten een samenwerkingsverband bestaat.

4.1.3. KIA en de samentelbepaling bij samenwerkingsverbanden

Als ondernemers deel uitmaken van een samenwerkingsverband geldt een samentelbepaling voor de bepaling van de hoogte van de investeringen (artikel 3.41, derde lid, van de Wet IB 2001). Deze bepaling is ook van toepassing in situaties waarin het samenwerkingsverband een zogenoemde kostenmaatschap opricht waarin de investering wordt gedaan. De investering telt dan mee voor de bepaling van de hoogte van de investeringen van het samenwerkingsverband.

4.1.4. Verdeling investeringsverplichtingen over de vennoten

Als de leden van een samenwerkingsverband onderling geen afspraken maken over de verdeling van de investeringsaftrek over gezamenlijke investeringen of als niet voldaan is aan de hiervoor vermelde voorwaarden, zal de inspecteur een verdeelsleutel op basis van de winstgerechtigdheid als uitgangspunt nemen.

4.1.5.1. Plafond EIA bij een CV met twee beherende vennoten

(dus niet: 60.000.000/150.000.000 x € 118.000.000= € 47.200.000)

4.2. Berekening investeringsaftrek en desinvesteringsbijtelling bij toepassing herinvesteringsreserve of ruilarresten

De hiervoor onder b genoemde voorwaarde alsmede de sancties hierop, strekken ertoe misbruik van bovenstaande regeling te voorkomen. Een dergelijk misbruik acht ik bijvoorbeeld aanwezig als de inruilprijs van het vervangen bedrijfsmiddel doelbewust wordt verhoogd teneinde voor het nieuw aangeschafte bedrijfsmiddel een hoge grondslag voor de berekening van investeringsaftrek te creëren. Dit geldt eveneens als bij de bepaling van de grondslag voor de berekening van investeringsaftrek doelbewust wordt uitgegaan van de – in vele branches gebruikelijke – zogenoemde bruto-adviesprijzen, zonder dat rekening gehouden wordt met de aldaar gebruikelijke kortingen die zouden worden verleend als geen sprake is van inruil. De kortingen worden dan verleend in de vorm van een hogere inruilprijs. Ik wijs hierbij op de uitspraken van Hof Leeuwarden van 11 februari 1983, nr. 915/82, en Hof Arnhem 8 februari 1989, nr. 2693/1987, gewezen onder de werking van artikel 61a van de Wet IB 1964. Ik acht het onjuist dat de grondslag voor het berekenen van investeringsaftrek elementen bevat die op deze wijze leiden tot een te hoge investeringsaftrek.

4.3. Investeringsaftrek en afboeking bestedingsreserve

4.5. Vervanging asbesthoudende daken

De Minister heeft de bevoegdheid te bepalen dat het eerste lid geen toepassing vindt (artikel 3.46, tweede lid, van de Wet IB 2001). Ik heb besloten bij verplichtingen tussen naaste verwanten van de ontheffingsbevoegdheid gebruik te maken. Hierbij machtig ik de inspecteurs namens mij deze ontheffing te verlenen, waarbij de volgende uitgangspunten gelden.

5.1.2.1. Verwerving of verbetering bedrijfsmiddelen

Als van een naaste verwant een bedrijfsmiddel wordt verworven dat binnen een termijn van drie jaren vóór het tijdstip van de verwerving tot een nalatenschap heeft behoord waartoe degene die het desbetreffende bedrijfsmiddel verwerft gerechtigd was, wordt investeringsaftrek toegepast tot maximaal het bedrag van de desinvesteringsbijtelling die bij de vervreemder ter zake van de vervreemding van dat bedrijfsmiddel is toegepast.

5.1.3. Bepaling van de investeringsaftrek (artikel 3.41, tweede lid, 3.42, derde lid en 3.42a, derde lid, Wet IB 2001)

Bij de bepaling van de investeringsaftrek over het jaar waarin de verplichtingen waarop de ontheffing betrekking heeft, zijn aangegaan, wordt in het totale investeringsbedrag mede begrepen de waarde in het economische verkeer van alle bedrijfsmiddelen, die in dat jaar zijn verkregen uit verplichtingen, genoemd in artikel 3.46, eerste lid, van de Wet IB 2001 en waarvoor ontheffing wordt of zou kunnen worden verkregen. De investeringsaftrek voor het desbetreffende bedrijfsmiddel bedraagt dan het met inachtneming van voorgaande volzin voor dat jaar van toepassing zijnde bedrag of percentage toegepast op de reële verplichting aangegaan voor dat bedrijfsmiddel.

5.2.1. Inleiding

5.2.2.1. Gehele of gedeeltelijke overgang onderneming

5.2.2.3. Overbedeling

Als betrokkene aannemelijk kan maken dat deze verandering op zakelijke gronden berust, of als blijkt dat de verandering losstaat van de tussen partijen bestaande contractuele verhouding, blijft bijtelling achterwege.

5.2.3.1. Evenredige verdeling verplichtingen

5.2.3.2. Landbouwgrond

5.2.3.3. Notariële akte van verdeling

5.2.3.4. Formule

X: het bedrag (tot maximaal het bedrag van de reële verplichtingen wegens overbedeling) waarover investeringsaftrek kan worden toegekend.

In andere situaties dan die in dit onderdeel van het besluit wordt geen investeringsaftrek verleend. Belanghebbenden behoeven derhalve niet naar mij te worden verwezen.

5.3. Ontheffing bij verplichtingen tussen belastingplichtige en een gelieerd lichaam

In andere situaties dan die in dit onderdeel van het besluit wordt geen investeringsaftrek verleend. Belanghebbenden behoeven derhalve niet naar mij te worden verwezen.

5.3.5. Bepaling van de investeringsaftrek (artikelen 3.41, tweede lid, 3.42, derde lid, en 3.42a, derde lid, Wet IB 2001)

Bij de bepaling van de investeringsaftrek over het jaar waarin de verplichtingen waarop de ontheffing betrekking heeft, zijn aangegaan, wordt in het totale investeringsbedrag mede begrepen de waarde in het economische verkeer van alle bedrijfsmiddelen, die in dat jaar zijn verkregen uit verplichtingen, genoemd in artikel 3.46, eerste lid, van de Wet IB 2001 en waarvoor ontheffing wordt of zou kunnen worden verleend.

5.3.6. Geen inbreuk op wettelijke bepalingen

Voor situaties waarin de bedrijfsmiddelen worden verworven van een buitenlandse vaste inrichting van een binnen Nederland gevestigd lichaam en waarin de belanghebbenden ten gevolge van het onder 5.3.3 gestelde niet voor volledige investeringsaftrek in aanmerking komen, moet een verzoek worden gericht aan Belastingdienst/Directie Vaktechniek Belastingen/Cluster Vpb-IBwinst, Postbus 20201, 2500 EE Den Haag.

5.3.7. Overige situaties en bedrijfsmiddelen verworven van een buitenlandse vaste inrichting

5.4.1. Inleiding

5.4.2. Reële investeringen

5.4.4. Voorwaarden

De machtiging om in de onder 5.4.2 en 5.4.3 hiervoor bedoelde situaties namens mij ontheffing te verlenen geldt slechts als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

5.4.5. Bepaling van de investeringsaftrek (artikelen 3.41, tweede lid, 3.42, derde lid en 3.42a, derde lid, Wet IB 2001)

Bij de bepaling van de investeringsaftrek over het jaar waarin de verplichtingen waarop de ontheffing betrekking heeft, zijn aangegaan, wordt in het totale investeringsbedrag mede begrepen de waarde in het economische verkeer van alle bedrijfsmiddelen die in dat jaar zijn verkregen uit verplichtingen, genoemd in artikel 8, achtste lid, van de Wet VPB en waarvoor ontheffing wordt of zou kunnen worden verleend.

Voor situaties waarin de groot-aandeelhouder in het buitenland een onderneming drijft en waarin door het onder 5.4.2.2.2 gestelde geen volledige investeringsaftrek wordt toegepast, dienen belanghebbenden een verzoek te richten aan Belastingdienst/Directie Vaktechniek Belastingen/Cluster Vpb-IBwinst, Postbus 20201, 2500 EE Den Haag.

5.4.6. Overige situaties

6. Desinvesteringsbijtelling

6.1.2. Goedkeuring bij overdracht onderneming in het zicht van overlijden

Ik keur goed dat, op een daartoe strekkend verzoek, geen desinvesteringsbijtellingen in aanmerking worden genomen als een onderneming in het zicht van overlijden wordt overgedragen dan wel geliquideerd, mits wordt voldaan aan twee voorwaarden.

6.1.3. Uiterlijke termijn indienen verzoek

Ingeval de energie- of milieulijst in de loop van een kalenderjaar met terugwerkende kracht tot en met 1 januari van dat jaar wordt vastgesteld, geldt een aangepaste meldingstermijn. De meldingstermijn begint in die situaties te lopen op de dag van de publicatie van de energie- of milieulijst.

7.2. Aanmelding van de investering als energie- of milieulijst in de loop van het jaar wordt vastgesteld

De aanmeldingstermijn vangt aan op 2 februari van dat jaar. Dat betekent dat X de investering uiterlijk moet melden op 1 mei van datzelfde jaar (binnen drie maanden vanaf 2 februari).

7.3.2. Problemen vanuit de praktijk

Het besluit van 15 september 2009, nr. CPP2009/1116M, Staatscourant 2009, 1405, is met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit ingetrokken.

9. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant en werkt terug tot en met dagtekening besluit.

9. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant en werkt terug tot en met dagtekening besluit.

Bijlage 3. Verzoek om investeringsaftrek in het kader van de overname van een onderneming uit een nalatenschap waarbij verplichtingen worden aangegaan tussen gerechtigden tot die nalatenschap

Aan de Inspecteur van de Belastingdienst/kantoor ....................

De ondergetekende, ......................wonende te ........................, BSN ............., gerechtigde tot de nalatenschap van .................., verzoekt, in verband met tegenover de overige gerechtigde(n) tot die nalatenschap aangegane verplichtingen wegens overbedeling ter zake van de overname van een tot de nalatenschap behorend(e) (zelfstandig dan wel evenredig deel van de) onderneming, op grond van artikel 3.46, tweede lid, van de Wet IB 2001, om ontheffing van hetgeen is bepaald in het eerste lid, onderdeel c, van dat artikel.

Hij/zij verklaart dat, als binnen vijf jaren na de aanvang van het kalenderjaar/boekjaar waarin de overname heeft plaatsgevonden onderstaande zich voordoet de op basis van het besluit toegepaste investeringsaftrek zal worden bijgeteld, als ware het een desinvesteringsbijtelling. De bijtelling vindt plaats in het jaar waarin onderstaande zich voordoet. Het betreft veranderingen – direct of indirect – van de aangegane verplichtingen voor transacties tussen naaste verwanten te zijnen/haren gunste, voortvloeiende uit de familierelatie, of het niet nakomen van de verplichtingen.

Hij/zij verklaart ervan kennis te hebben genomen dat de bijtelling van de toegepaste investeringsaftrek achterwege kan blijven, als hij/zij aannemelijk maakt dat deze verandering op zakelijke gronden berust of als blijkt dat de verandering losstaat van de tussen partijen bestaande contractuele verhouding.

Afschriften van de overeenkomst tussen de gerechtigden tot de nalatenschap en de notariële akte van verdeling gaan hierbij.

................................. ............................
(plaats) (dagtekening)
.................................
(handtekening)

Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.

5.2.6. Overige situaties

5.3.8. Indiening verzoek

5.4. Ontheffing bij verplichtingen tussen gelieerde lichamen

5.4.2. Reële investeringen

6.1.3. Uiterlijke termijn indienen verzoek

7. Formaliteiten

7.2. Aanmelding van de investering als energie- of milieulijst in de loop van het jaar wordt vastgesteld

7.3. Aanmelding van de investering bij fiscale eenheid

8. Ingetrokken regeling

Bijlagen

    1. Verklaringen inzake de berekening van investeringsaftrek en desinvesteringsbijtelling bij aanwending van een herinvesteringsreserve of gebruikmaking van de ruilarresten.
    1. Verzoek om toepassing van investeringsaftrek voor het aangaan van verplichtingen in het kader van transacties tussen naaste verwanten.
    1. Verzoek om investeringsaftrek in het kader van de overname van een onderneming uit een nalatenschap waarbij verplichtingen worden aangegaan tussen gerechtigden tot die nalatenschap.

Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)