Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 19 maart 2014, nr. IENM/BSK-2014/67724, houdende vaststelling van de ligging van de risicoplafonds langs transportroutes en regels voor ruimtelijke ontwikkelingen langs transportroutes in verband met externe veiligheid (Regeling basisnet)
Gelet op de artikelen 13, eerste lid, 14, eerste tot en met vierde lid, en 16, eerste lid, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, en de artikelen 3, vijfde lid, 4, tweede lid, 8, vierde lid, 10, eerste lid, onderdeel a, en 11, eerste en tweede lid, van het Besluit externe veiligheid transportroutes;
Besluit:
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet basisnet, het Wijzigingsbesluit Besluit vervoer gevaarlijke stoffen (Wijziging routeringsystematiek in Wet vervoer gevaarlijke stoffen) (Stb. 2013/340) en het Besluit externe veiligheid transportroutes in werking treden.
Paragraaf 1. Begrippen en reikwijdte
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
- baanvak: gedeelte van de hoofdspoorweg waarvan het begin en einde wordt aangeduid met coördinaten uit het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting, bedoeld in artikel 52 van de Kadasterwet;
- binnenste kantstreep: markering van de begrenzing van de binnenzijde van de binnenste rijstrook;
- buitenste kantstreep: markering van de begrenzing van de buitenzijde van de buitenste rijstrook;
- doorgaande rijbaan: elk voor in één rijrichting rijdende voertuigen bestemd weggedeelte, zonder de invoeg- en uitvoegstroken;
- GR-plafond: plaats als bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de wet waar het plaatsgebonden risico maximaal 10-7 of 10-8 per jaar is;
- HART: de Handleiding risicoanalyse transport, versie 1;
- middenberm: gebied gelegen tussen de binnenste kantstrepen van de twee doorgaande rijbanen die deel uitmaken van de weg;
- minister: Minister van Infrastructuur en Waterstaat;
- PR-plafond: plaats als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de wet waar het plaatsgebonden risico maximaal 10-6 per jaar is;
- RBM II: softwareprogramma voor de berekening van vervoersrisico’s, getiteld RBM II, versie 2;
- referentiepunt: referentiepunt als bedoeld in artikel 14, vierde lid, van de wet;
- rekenmethodiek transportrisico’s: rekenmethodiek voor de vaststelling van risico’s vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen, bestaande uit RBM II en HART;
- spoorbundel:geheel van alle naast elkaar liggende sporen waarover gevaarlijke stoffen kunnen worden vervoerd;
- verbindingsboog: rijbaan die bij knooppunten doorgaande rijbanen met elkaar verbindt;
- wegvak: gedeelte van een weg als bedoeld in artikel 2, tweede lid;
Artikel 2
De wegen, hoofdspoorwegen en binnenwateren, opgenomen in onderscheidenlijk bijlage I, bijlage II en bijlage III, zijn de wegen, hoofdspoorwegen en binnenwateren, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet.
Wegen als bedoeld in het eerste lid zijn onderverdeeld in wegvakken waarvan het begin en einde van het wegvak wordt aangeduid door benoeming van een knooppunt of van een aansluiting. Voor zover het begin of einde van een wegvak wordt aangeduid door een knooppunt, begint of eindigt het betreffende wegvak op het geografische midden van het knooppunt. Voor zover het begin of einde van een wegvak wordt aangeduid door benoeming van een aansluiting, begint of eindigt het betreffende wegvak op het geografische midden van de kruising van de doorgaande rijbaan met de weg waar de afslag op uit komt.
Hoofdspoorwegen als bedoeld in het eerste lid zijn onderverdeeld in baanvakken.
Binnenwateren als bedoeld in het eerste lid zijn onderverdeeld in vaarwegen. In open verbinding met deze vaarwegen staande havens en zijwateren die niet voor doorgaand vervoer worden gebruikt, vormen geen onderdeel van deze vaarwegen.
Paragraaf 2. De vaststelling van de geografische ligging van de risicoplafonds
Artikel 3
Op een weg als bedoeld in artikel 2, eerste lid, is het referentiepunt gelegen in het midden van de middenberm.
In afwijking van het eerste lid is het referentiepunt gelegen op:
- a. het midden tussen de buitenste kantstrepen van een doorgaande rijbaan indien:
- 1°. de betrokken weg bestemd is voor éénrichtingsverkeer, of
- 2°. de middenberm breder is dan 25 meter,
- b. de scheiding van de rijrichtingen, indien het een weg zonder middenberm met twee rijrichtingen betreft;
- c. het midden tussen de buitenste randen van het asfalt, indien de doorgaande rijbaan geen buitenste kantstreep heeft.
Een verbindingsboog wordt voor het bepalen van de ligging van het referentiepunt aangemerkt als een weg bestemd voor éénrichtingsverkeer.
Artikel 4
Op een hoofdspoorweg als bedoeld in artikel 2, eerste lid, is het referentiepunt gelegen in het midden tussen de buitenste spoorstaven van de buitenste sporen waar kan worden vervoerd met gevaarlijke stoffen.
Artikel 5
Voor de ligging van de referentiepunten, bedoeld in de artikelen 3, 4 en 6, is de feitelijke situatie bepalend.
In afwijking van het eerste lid is vanaf de dag van vaststelling van een projectbesluit of een omgevingsplan, de dag waarop een instructieregel als bedoeld in artikel 2.22 of 2.24 van de Omgevingswet wordt gesteld, de dag van verlening van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of de dag waarop een instructie als bedoeld in artikel 2.33 of 2.34 van de Omgevingswet wordt gegeven inhoudende de wijziging van een weg, hoofdspoorweg of binnenwater, de ligging van de weg, van de hoofdspoorweg of van het binnenwater zoals weergegeven in dat besluit, voor de ligging van de referentiepunten bepalend, totdat de feitelijke situatie overeenstemt met dat besluit.
Artikel 6
Op een binnenwater als bedoeld in artikel 2, eerste lid, wordt het referentiepunt bepaald vanuit de begrenzing van de vaarweg of oever zoals aangegeven in de hierna genoemde bronnen. Daarbij wordt de volgende voorkeursvolgorde gehanteerd:
- a. de overgang van land naar water volgend uit een projectbesluit of een tracébesluit als bedoeld in artikel 9 van de Tracéwet zoals zij luidde tot 1 januari 2024 en waarop die wet van toepassing is op grond van artikel 4.44, 4.45 of 4.46 van de Invoeringswet Omgevingswet;
- b. de geometrische begrenzing van een vrijwaringsgebied van een rijksvaarweg, bedoeld in artikel 2.12 van de Omgevingsregeling;
- c. de geometrische begrenzing van een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk, bedoeld in artikel 2.2, derde lid, van de Omgevingsregeling;
- d. de kaart “Fairway” uit de Elektronische vaarwegkaarten; of
- e. de kaart “Shoreline construction” uit de Elektronische vaarwegkaarten.
In afwijking van het eerste lid zijn de referentiepunten gelegen op:
- a. de Westerschelde met haar mondingen op de begrenzingen van de vaargeulen; en
- a. de geometrische begrenzing van een vrijwaringsgebied van een rijksvaarweg, bedoeld in artikel 2.12 van de Omgevingsregeling;
Artikel 7
De ligging van het PR-plafond wordt bepaald door de afstand met betrekking tot het plaatsgebonden risico 10-6 opgenomen in bijlage I, kolom 3 voor wegvakken, onderscheidenlijk in bijlage II, kolom 4, voor baanvakken, vanaf het betrokken referentiepunt naar weerszijden te meten.
Het PR-plafond voor een wegvak en een baanvak is gelegen op het referentiepunt indien de te meten afstand nul meter bedraagt.
Het PR-plafond voor een binnenwater is gelegen op het referentiepunt.
De ligging van het PR-plafond bij een verbindingsboog wordt bepaald door de helft van de afstand die geldt voor het wegvak waarvan de verbindingsboog aftakt, naar weerszijden te meten.
Artikel 8
Indien uit bijlage I, onderscheidenlijk bijlage II, blijkt dat er een GR-plafond is, wordt de ligging van dat GR-plafond bepaald overeenkomstig artikel 7, met dien verstande dat gebruik wordt gemaakt van de afstanden opgenomen in bijlage I, kolom 4, voor wegvakken, onderscheidenlijk in bijlage II, kolommen 5 en 6, voor baanvakken, met betrekking tot het plaatsgebonden risico 10-7 of 10-8.
Paragraaf 3. Onderzoek naar overschrijding risicoplafonds
Artikel 9
Deze paragraaf is van toepassing op het onderzoek naar een overschrijding of dreigende overschrijding van een risicoplafond, bedoeld in artikel 15, eerste of tweede lid, van de wet.
Artikel 10
De beheerder van de hoofdwegen, bedoeld in artikel 2.19, derde lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Omgevingswet, maakt door middel van tellingen elk jaar de omvang van het vervoer van gevaarlijke stoffen over ten minste één vijfde deel van de wegen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, per stofcategorie inzichtelijk op zodanige wijze dat elke vijf jaar tellingen op alle wegen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, hebben plaatsgevonden.
De beheerder van de hoofdspoorweginfrastructuur, bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet, maakt elk jaar de omvang van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de hoofdspoorwegen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, per stofcategorie, alsmede de samenstelling van de treinen waarin deze stoffen worden vervoerd, inzichtelijk. Daarbij maakt de beheerder gebruik van de krachtens artikel 15, vierde lid, van de wet te verstrekken gegevens.
De beheerder van de hoofdvaarwegen, bedoeld in artikel 2.19, tweede lid, onder a, van de Omgevingswet, maakt elk jaar de omvang van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de binnenwateren, bedoeld in artikel 2, eerste lid, per stofcategorie inzichtelijk. Daarbij maakt de beheerder gebruik van de ladinggegevens, geregistreerd in het Informatie- en Volgsysteem voor de Scheepvaart, alsmede van de door de Havenbedrijven van Rotterdam en Amsterdam en het Gemeenschappelijk Nautisch Beheer Scheldegebied krachtens artikel 15, vierde lid, van de wet te verstrekken gegevens.
Op verzoek van de minister verhoogt de beheerder de frequentie van het inzichtelijk maken van de omvang van het vervoer van gevaarlijke stoffen over een gedeelte van een weg, hoofdspoorweg of binnenwater en, indien van toepassing, de samenstelling van de treinen, tot hoogstens vier keer per jaar indien dit naar het oordeel van de minister noodzakelijk is ten behoeve van het verkrijgen van tijdig inzicht in een overschrijding of dreigende overschrijding van een risicoplafond.
Artikel 11
De beheerders, bedoeld in artikel 10, eerste tot en met derde lid, sturen jaarlijks of, in geval toepassing wordt gegeven aan artikel 10, vierde lid, overeenkomstig de desbetreffende frequentie, een rapportage aan de minister, die de gegevens, bedoeld in artikel 10, bevat.
De beheerders, bedoeld in artikel 10, eerste en tweede lid, voegen bij de rapportage elke vijf jaar een prognose van de ontwikkeling van de omvang en de stromen van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de wegen, onderscheidenlijk de hoofdspoorwegen, van de tien jaar volgend op het jaar waarop de rapportage betrekking heeft. De eerste prognose wordt bij de rapportage over 2015 gevoegd.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.