Reglement Participatiefonds voor het Primair Onderwijs en de Expertisecentra voor het schooljaar 2013-2014

Type Circulaire
Publication 2014-04-17
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Het bestuur van de Stichting Participatiefonds voor het Onderwijs besluit, gelet op de Wet budgettering wachtgelden en instelling Participatiefonds (Stb. 1995, 155), het Besluit Participatiefonds (Stb. 1996, 384) en de statuten van de Stichting Participatiefonds voor het Onderwijs, het volgende reglement voor het Primair Onderwijs vast te stellen

Paragraaf 1.1. Begripsbepalingen

Hoofdstuk 2. Premie

Paragraaf 2.1. Verplichting tot betaling van premie

Het bevoegd gezag is verplicht, op de wijze zoals bepaald in de bestuursvoorschriften, een door het Participatiefonds te bepalen bijdrage te voldoen in verband met de kosten voor werkloosheidsuitkeringen, suppleties inzake arbeidsongeschiktheid alsmede uitkeringen wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid van gewezen personeel anders dan op grond van de Ziektewet.

Hoofdstuk 3. Vergoedingsverzoeken

Paragraaf 3.1. Vergoedingsverzoeken

Artikel 3:1. Vergoedingsverzoek

De werkgever:

dient bij het Participatiefonds een vergoedingsverzoek in.

Artikel 3:2. Wijze van indiening vergoedingsverzoek

De werkgever maakt bij de indiening van het vergoedingsverzoek gebruik van de module ‘vergoedingsverzoeken’ op de website www.participatiefonds.nl.

Artikel 3:3. Vereisten vergoedingsverzoek
1.

De werkgever legt bij de indiening van het vergoedingsverzoek de gegevens en de documenten over die het Participatiefonds middels de module ‘vergoedingsverzoeken’ opvraagt.

2.

De werkgever die niet of niet volledig aan het bepaalde in het eerste lid kan voldoen deelt dit aan het Participatiefonds mee onder opgaaf van een deugdelijke motivering door toezending van ter zake overtuigende documenten

Artikel 3:4. Onvolledig vergoedingsverzoek
1.

Als het Participatiefonds vaststelt, dat de gegevens en documenten die de werkgever bij het vergoedingsverzoek indient, onvoldoende zijn voor de beoordeling van het vergoedingsverzoek, stelt het Participatiefonds de werkgever in de gelegenheid het vergoedingsverzoek aan te vullen.

2.

De werkgever vult het vergoedingsverzoek aan binnen 8 weken.

3.

De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het Participatiefonds de werkgever in de gelegenheid stelt het vergoedingsverzoek aan te vullen.

4.

Als de werkgever het vergoedingsverzoek niet aanvult, neemt het Participatiefonds een besluit op grond van de tot dan door de werkgever in het kader van het vergoedingsverzoek verschafte gegevens en documenten.

Artikel 3:5. Grond voor toewijzing vergoedingsverzoek

Het Participatiefonds wijst een vergoedingsverzoek uitsluitend toe als de werkgever voldoet aan de voorwaarden die zijn gesteld in de bepalingen van dit reglement, behoudens het bepaalde in artikel 3:6.

Artikel 3:6. Gronden voor afwijzing vergoedingsverzoek
1.

Het Participatiefonds wijst een vergoedingsverzoek in ieder geval af als:

2.

Als het Participatiefonds de beschikking als bedoeld in het eerste lid neemt, deelt het de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap mee, dat de uitkeringskosten als bedoeld in artikel 138, derde lid, van de WPO of artikel 132, derde lid, van de WEC, niet ten laste van het Participatiefonds komen.

Artikel 3:7. Beslistermijn
1.

Het Participatiefonds geeft binnen 8 weken nadat het vergoedingsverzoek is ontvangen een beschikking over het vergoedingsverzoek.

2.

Als een beschikking niet binnen 8 weken nadat het vergoedingsverzoek is ontvangen kan worden gegeven, deelt het Participatiefonds aan de werkgever mee, dat de beschikking uiterlijk binnen 16 weken nadat het vergoedingsverzoek is ontvangen tegemoet kan worden gezien.

3.

De beslistermijn wordt van rechtswege opgeschort met ingang van de dag waarop het Participatiefonds de werkgever op grond van artikel 3:4 uitnodigt het vergoedingsverzoek aan te vullen, tot de dag waarop het vergoedingsverzoek is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

Paragraaf 3.2. Uitkeringskosten

Artikel 3:8. Uitnodiging tot verstrekken inlichtingen

Als uitkeringskosten als bedoeld in artikel 138, derde lid, van de WPO of artikel 132, derde lid, van de WEC zijn ontstaan, waarvan het Participatiefonds niet kan vaststellen dat het Participatiefonds ermee heeft ingestemd dat de uitkeringskosten ten laste van het Participatiefonds komen, nodigt het Participatiefonds de werkgever uit inlichtingen te verstrekken.

Artikel 3:9. Indieningstermijn inlichtingen
1.

De werkgever verstrekt de inlichtingen, zoals bedoeld in artikel 3:8, binnen 8 weken.

2.

De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop de uitnodiging is verzonden.

3.

De inlichtingen zijn tijdig verstrekt indien deze vóór het einde van de termijn zijn ontvangen.

Artikel 3:10. Te late indiening inlichtingen
1.

Als de werkgever niet tijdig de gevraagde inlichtingen verstrekt, besluit het Participatiefonds dat de uitkeringskosten als bedoeld in artikel 138, derde lid, van de WPO of artikel 132, derde lid, van de WEC, niet ten laste van het Participatiefonds komen.

2.

Als het Participatiefonds de beschikking als bedoeld in het eerste lid neemt, deelt het de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap mee, dat de uitkeringskosten als bedoeld in artikel 138, derde lid, van de WPO of artikel 132, derde lid, van de WEC, niet ten laste van het Participatiefonds komen.

Artikel 3:11. Verschoonbare termijnoverschrijding

Het Participatiefonds werpt de werkgever overschrijding van de termijn als bedoeld in artikel 3:9 niet tegen als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de werkgever in verzuim is geweest.

Artikel 3:12. Wijze van verstrekken van inlichtingen

De werkgever maakt bij het verstrekken van de inlichtingen als bedoeld in artikel 3:8 gebruik van de module ‘uitkeringen’ op de website www.participatiefonds.nl

Artikel 3:13. Werkgever heeft reeds vergoedingsverzoek gedaan
1.

De werkgever die wenst, dat de uitkeringskosten die op grond van artikel 138, derde lid, van de WPO of artikel 132, derde lid, van de WEC voor rekening van de werkgever komen, ten laste van het Participatiefonds worden gebracht, en die daarvoor reeds een vergoedingsverzoek heeft ingediend, verstrekt de inlichtingen die het Participatiefonds verzoekt.

2.

De artikelen 3:4 tot en met 3:7 zijn van toepassing.

Artikel 3:14. Werkgever wenst dat de uitkeringskosten ten laste van Participatiefonds komen
1.

De werkgever die wenst, dat de uitkeringskosten die op grond van artikel 138, derde lid, van de WPO of artikel 131, derde lid, van de WEC voor rekening van de werkgever komen, ten laste van het Participatiefonds worden gebracht, dient alsnog een vergoedingsverzoek in.

2.

De artikelen 3:3 tot en met 3:7 zijn van toepassing.

Artikel 3:15. Werkgever wenst niet dat de uitkeringskosten ten laste van Participatiefonds komen
1.

De werkgever die niet wenst dat de uitkeringskosten als bedoeld in artikel 138, derde lid, van de WPO of artikel 132, derde lid, van de WEC, ten laste van het Participatiefonds komen, deelt dit aan het Participatiefonds mee.

2.

Het Participatiefonds geeft binnen 8 weken nadat de werkgever de mededeling doet een beschikking, inhoudende dat de uitkeringskosten als bedoeld in artikel 138, derde lid, van de WPO of artikel 132, derde lid, van de WEC, niet ten laste van het Participatiefonds komen.

3.

Als het Participatiefonds de beschikking als bedoeld in het tweede lid neemt, deelt het de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap mee, dat de uitkeringskosten als bedoeld in artikel 138, derde lid, van de WPO of artikel 132, derde lid, van de WEC, niet ten laste van het Participatiefonds komen.

Artikel 3:16. Gemoedsbezwaarden
1.

De werkgever aan wie de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op grond van artikel 184, derde lid, van de WPO ontheffing heeft verleend, deelt aan het Participatiefonds mee dat hij gemoedsbezwaarde is.

3.

Het Participatiefonds deelt het de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap mee, dat de uitkeringskosten als bedoeld in artikel 138, derde lid, van de WPO of artikel 132, derde lid, van de WEC, niet ten laste van het Participatiefonds komen.

Artikel 3:17. Zelfstandig wachtgeldbeleid
1.

De werkgever die zelfstandig wachtgeld-beleid als bedoeld in artikel 2 van het Reglement Participatiefonds voor het Primair Onderwijs 1998-1999 voert, deelt aan het Participatiefonds mee dat hij zelfstandig wachtgeldbeleid voert.

2.

Het Participatiefonds deelt het de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap mee, dat de uitkeringskosten als bedoeld in artikel 138, derde lid, van de WPO of artikel 132, derde lid, van de WEC, niet ten laste van het Participatiefonds komen.

3.

Voor de huidige deelnemers aan zelfstandig wachtgeldbeleid is artikel 2 van het Reglement Participatiefonds voor het Primair Onderwijs 1998-1999 voor onbepaalde tijd van toepassing.

Paragraaf 3.3. Rechtsmiddelen tegen ontslagbesluit

Artikel 3:18. Mededeling bezwaar tegen ontslagbesluit en opschorting beslistermijn
1.

Als de werknemer tegen het ontslag een rechtsmiddel heeft aangewend, deelt de werkgever dit aan het Participatiefonds mee.

2.

Als het ontslagbesluit onherroepelijk is geworden, deelt de werkgever dit aan de Participatiefonds mee.

3.

De beslistermijn als bedoeld in artikel 3:7 kan worden opgeschort met ingang van de dag waarop de werknemer het rechtsmiddel aanwendt tot de dag waarop de werkgever de mededeling als bedoeld in het tweede lid doet.

Paragraaf 3.4. intrekking of wijziging van de beschikking

Artikel 3:19. Gronden voor intrekking en wijziging
1.

Het Participatiefonds is bevoegd de beschikking te wijzigen of in te trekken ten nadele van de werkgever:

2.

De werkgever stelt het Participatiefonds schriftelijk op de hoogte van feiten en omstandigheden die ten tijde van het nemen van de beschikking niet bekend waren of konden worden geacht en van zodanige aard zijn, dat zij tot een andere beslissing aanleiding kunnen geven.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.