← Geldende tekst · Geschiedenis

Besluit van 16 april 2014, houdende regels met betrekking tot diergeneeskundigen (Besluit diergeneeskundigen)

Geldende tekst a fecha 2015-06-01

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 17 september 2012, no. 291504, directie Wetgeving en Juridische Zaken, en van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 20 december 2013, nr. WJZ / 13213190;

Gelet op Richtlijn 90/167/EG van de Raad van 26 maart 1990 tot vaststelling van de voorwaarden voor de bereiding, het in de handel brengen en het gebruik van diervoeders met medicinale werking (PbEG 1990, L 92), Richtlijn 96/22/EG van de Raad van 29 april 1996 betreffende het verbod op het gebruik, in de veehouderij, van bepaalde stoffen met hormonale werking en van bepaalde stoffen met thyreostatische werking, alsmede van bèta-agonisten en tot intrekking van de Richtlijnen 81/602/EEG, 88/146/EEG en 88/299/EEG (PbEG 1996, L 125), Richtlijn 96/23/EG van de Raad van 29 april 1996 inzake controlemaatregelen ten aanzien van bepaalde stoffen en residuen daarvan in levende dieren en in produkten daarvan en tot intrekking van de Richtlijnen 85/358/EEG en 86/469/EEG en de Beschikkingen 89/187/EEG en 91/664/EEG (PbEG 1996, L 125), Richtlijn 1999/74/EG van de Raad van 19 juli 1999 tot vaststelling van minimumnormen voor de bescherming van legkippen (PbEG 1999, L 203), Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik (PbEG 2001, L 82), Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PbEU 2005, L 255), Richtlijn 2007/43/EG van de Raad van 28 juni 2007 tot vaststelling van minimumvoorschriften voor de bescherming van vleeskuikens (PbEU 2007, L 182), Richtlijn 2008/120/EG van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van minimumnormen ter bescherming van varkens (PbEU 2009, L 47), Verordening (EU) nr. 470/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 tot vaststelling van communautaire procedures voor het vaststellen van grenswaarden voor residuen van farmacologisch werkzame stoffen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2377/90 van de Raad en tot wijziging van Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2009, L 152), artikel 10 van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer en de artikelen 2.8, tweede lid, onderdeel b, c en d, derde, vierde, zesde en zevende lid, 2.9, derde en vijfde lid, 2.20, 4.1, tweede, derde en vijfde lid, 4.3, derde lid, 7.1, 8.24, derde lid, en 8.37, tweede lid, van de Wet dieren;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 2 november 2012, nr. W15.12.0381/IV, en advies van 3 februari 2014, nr. W15.13.0473/IV);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 11 april 2014, nr. WJZ / 13006570.

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Algemeen

Artikel 1.1. Begripsbepalingen

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Hoofdstuk 2. Ingrepen

§ 1. Toegestane ingrepen

Artikel 2.1. Aanwijzing toegestane ingrepen algemeen

Als lichamelijke ingrepen als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onderdeel b, van de wet worden aangewezen:

Artikel 2.2. Aanwijzing toegestane ingrepen gevogelte

Als lichamelijke ingrepen als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onderdeel b, van de wet worden aangewezen:

Artikel 2.3. Aanwijzing toegestane ingrepen varkens

Als lichamelijke ingrepen als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onderdeel b, van de wet worden aangewezen:

Artikel 2.4. Aanwijzing toegestane ingrepen runderen

Als lichamelijke ingrepen als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onderdeel b, van de wet worden aangewezen:

Artikel 2.5. Aanwijzing toegestane ingrepen overige dieren

Als lichamelijke ingrepen als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onderdeel b, van de wet worden aangewezen:

Artikel 2.6. Aanwijzing toegestane ingrepen ter identificatie

Voor zover zij dienen ter identificatie van een dier worden als lichamelijke ingrepen als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onderdeel b, van de wet aangewezen:

Artikel 2.7. Voorwaarden uitvoeren ingrepen
1.

De ingrepen, bedoeld in de artikelen 2.1 tot en met 2.6, worden uitgevoerd op zodanige wijze dat bij het dier geen onnodige pijn of onnodig letsel wordt veroorzaakt en dat het dier niet meer dan nodig is in zijn functioneren wordt belemmerd.

2.

Bij een dier worden ten hoogste twee lichamelijke ingrepen ter identificatie als bedoeld in artikel 2.6 verricht.

3.

In afwijking van het tweede lid, kan een derde lichamelijke ingreep worden verricht indien het betreft:

§ 2. Verrichten van diergeneeskundige handelingen

Artikel 2.8. Beroepsmatig verrichten van diergeneeskundige handelingen
1.

Als diergeneeskundige handelingen als bedoeld in artikel 2.9, derde lid, van de wet worden aangewezen:

2.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de voorwaarden waaronder het afnemen van bloed bij pluimvee, bedoeld in het eerste lid, onderdeel g, en het toepassen van een diergeneesmiddel, bedoeld in het eerste lid, onderdeel h, is toegestaan.

Hoofdstuk 3. Diergeneeskundigen

§ 1. Dierenartsassistent paraveterinair

Artikel 3.1. Toelating
1.

Onze Minister laat tot het beroepsmatig verrichten van de in het tweede lid bedoelde diergeneeskundige handelingen toe, degene die beschikt over een krachtens de Wet educatie en beroepsonderwijs vastgestelde kwalificatie van dierenartsassistent paraveterinair.

2.

De handelingen, bedoeld in het eerste lid, zijn:

3.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de onderwerpen waarop de kwalificatie, bedoeld in het eerste lid ten minste betrekking heeft.

4.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze waarop handelingen als bedoeld in het tweede lid worden verricht.

Artikel 3.2. Betrokkenheid van de dierenarts
1.

De diergeneeskundige handelingen, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, onderdelen a, b en e, worden uitsluitend uitgevoerd op aanwijzing van en onder controle van een dierenarts.

2.

De diergeneeskundige handelingen, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, onderdelen b, voor zover het betreft de toepassing van een diergeneesmiddel teneinde een dier te verdoven of bedwelmen, c en d, worden uitsluitend uitgevoerd onder leiding van en in directe aanwezigheid van een dierenarts.

Artikel 3.3. Diergeneeskundige handelingen tijdens de opleiding

Als diergeneeskundige handelingen als bedoeld in artikel 2.9, derde lid, van de wet, worden aangewezen het uitvoeren van de handelingen, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, onder de leiding van een dierenarts door personen die een opleiding volgen ten behoeve van het behalen van een kwalificatie als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, gedurende de periode waarbinnen de opleiding wordt gevolgd.

§ 2. Dierenfysiotherapeut

Artikel 3.4. Voorwaarden voor de toelating
1.

Onze Minister laat tot het beroepsmatig verrichten van de in het tweede lid bedoelde diergeneeskundige handeling, toe, degene die:

2.

De in het eerste lid bedoelde handeling is het uitoefenen van dierfysiotherapie.

3.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent:

4.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop het uitoefenen van dierfysiotherapie wordt verricht.

Artikel 3.5. Betrokkenheid van de dierenarts

Het uitoefenen van dierfysiotherapie wordt uitsluitend toegepast bij een dier na een verwijzing door een dierenarts.

§ 3. Embryotransplanteur/-winner

Artikel 3.6. Voorwaarden voor de toelating
1.

Onze Minister laat tot het beroepsmatig verrichten van de in het tweede lid bedoelde diergeneeskundige handelingen toe, degene die beschikt over een krachtens de Wet educatie en beroepsonderwijs vastgestelde kwalificatie van embryotransplanteur of embryotransplanteur/-winner, dan wel onderdelen van de kwalificatie waaraan een certificaat is verbonden.

2.

De handelingen, bedoeld in het eerste lid zijn:

3.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent:

4.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de wijze waarop handelingen als bedoeld in het tweede lid worden verricht.

Artikel 3.7. Betrokkenheid van de dierenarts
1.

De diergeneeskundige handelingen, bedoeld in artikel 3.6, tweede lid, worden uitsluitend uitgevoerd op aanwijzing van en onder controle van een dierenarts.

2.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop de dierenarts wordt geïnformeerd over de verrichte diergeneeskundige handelingen, bedoeld in artikel 3.6, tweede lid, alsmede over de omstandigheden waaronder deze plaatsvinden.

Artikel 3.8. Diergeneeskundige handelingen tijdens de opleiding

Als diergeneeskundige handelingen als bedoeld in artikel 2.9, derde lid, van de wet, worden aangewezen het uitvoeren van de handelingen, bedoeld in artikel 3.6, tweede lid, onder de leiding van een dierenarts door personen die een opleiding volgen ten behoeve van het behalen van een kwalificatie als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, gedurende de periode waarbinnen de opleiding wordt gevolgd.

§ 4. Activiteiten in kader van de georganiseerde dierziektebestrijding

Artikel 3.9. Voorwaarden voor de toelating
1.

Onze Minister kan voor zover dat voor de wering en de bestrijding van besmettelijke dierziekten noodzakelijk is voor een periode van ten hoogste één jaar personen of categorieën van personen toelaten tot het beroepsmatig verrichten van door Onze Minister daarbij aan te wijzen diergeneeskundige handelingen.

2.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de opleiding die is gevolgd alsmede het examen of de onderdelen daarvan die met goed gevolg zijn afgelegd door de personen of categorieën van personen, bedoeld in het eerste lid.

3.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de gevallen waarin, de wijze waarop en de periode waarin de diergeneeskundige handelingen, bedoeld in het eerste lid, kunnen worden verricht.

Artikel 3.10. Betrokkenheid van de dierenarts

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de betrokkenheid van de dierenarts bij het verrichten van de diergeneeskundige handelingen, bedoeld in artikel 3.9, eerste lid.

§ 5. Diergeneeskundigen met een buiten de EER of Zwitserland verkregen bevoegdheid

Artikel 3.11. Toelating diergeneeskundigen derde landen
1.

Onze Minister kan tot het beroepsmatig verrichten van diergeneeskundige handelingen, bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, van de wet, personen toelaten die buiten de Europees Economische Ruimte of Zwitserland de bevoegdheid tot uitoefening van de diergeneeskunde hebben verkregen.

2.

Voor de toepassing van de wet en de daarop berustende bepalingen worden personen die buiten de Europees Economische Ruimte of Zwitserland de bevoegdheid tot uitoefening van de diergeneeskunde in haar volle omvang hebben verkregen en op grond van het eerste lid zijn toegelaten, gelijk gesteld met dierenartsen.

§ 6. Opleiding tot dierenarts

Artikel 3.12. Diergeneeskundige handelingen tijdens de opleiding

Als diergeneeskundige handelingen als bedoeld in artikel 2.9, derde lid, van de wet, worden aangewezen het uitvoeren van diergeneeskundige handelingen, onder de leiding van een dierenarts door personen die een opleiding volgen ten behoeve van het behalen van een kwalificatie als bedoeld in artikel 1.1, derde streepje, van de wet gedurende de periode waarbinnen de opleiding wordt gevolgd.

§ 7. Toelating

Artikel 3.13. Aanvraag toelating

Een toelating als bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.4, eerste lid, 3.6, eerste lid, en 3.11, eerste lid, wordt op aanvraag verleend.

Artikel 3.14. Wijziging gegevens

Degene die is toegelaten krachtens de artikelen 3.1, eerste lid, 3.4, eerste lid, 3.6, eerste lid, en 3.11, eerste lid, stelt Onze Minister binnen een maand in kennis van:

Artikel 3.15. Intrekken toelating

Een toelating als bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.4, eerste lid, 3.6, eerste lid, en 3.11, eerste lid kan door Onze Minister worden ingetrokken, indien de bij de aanvraag verstrekte gegevens of bescheiden zodanig onjuist of onvolledig blijken dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden bekend waren geweest.

Artikel 3.16. Nadere regels toelating

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop een aanvraag als bedoeld in artikel 3.13, of een wijziging als bedoeld in artikel 3.14, wordt ingediend en de gegevens en bescheiden die in het kader van de aanvraag of wijziging worden verstrekt.

Artikel 3.17. Toelating artikel 3.9

De artikelen 3.14 tot en met 3.16 zijn van overeenkomstige toepassing op een toelating als bedoeld in artikel 3.9.

§ 8. Overige bepalingen

Artikel 3.18. Regels ter uitvoering van EU-rechtshandelingen

Bij ministeriële regeling worden, ter uitvoering van EU-rechtshandelingen, regels gesteld over het beroepsmatig verrichten van diergeneeskundige handelingen en de toelating daartoe, die betrekking hebben op beroepskwalificaties en diensten.

Hoofdstuk 4. Registratie

§ 1. Dierenartsen

Artikel 4.1. Registratie

Een registratie als bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, van de wet van een persoon die met goed gevolg een opleiding op het gebied van de diergeneeskunde in haar volle omvang heeft voltooid, vindt op aanvraag plaats.

Artikel 4.2. Doorhalen registratie
1.

Onze Minister draagt er zorg voor dat een registratie als bedoeld in artikel 4.1, wordt doorgehaald indien de desbetreffende persoon het beroepsmatig verrichten van diergeneeskundige handelingen, bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, van de wet, heeft beëindigd.

2.

Onze Minister kan een registratie als bedoeld in artikel 4.1 doorhalen indien de bij de aanvraag verstrekte gegevens of bescheiden zodanig onjuist of onvolledig blijken dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden bekend waren geweest.

Artikel 4.3. Wijziging gegevens

Degene die is geregistreerd krachtens artikel 4.1, stelt Onze Minister binnen vier weken in kennis van:

Artikel 4.4. Nadere regels registratie dierenartsen

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop een aanvraag als bedoeld in artikel 4.1, of een wijziging als bedoeld in artikel 4.3, wordt ingediend en de gegevens en bescheiden die in het kader van de aanvraag of wijziging worden verstrekt.

§ 2. Diergeneeskundigen niet zijnde dierenartsen, en dierenartsen als bedoeld in artikel 3.11

Artikel 4.5. Registratie

Onze Minister draagt er zorg voor dat degene die krachtens de artikelen 3.1, eerste lid, 3.4, eerste lid, 3.6, eerste lid, of 3.11, eerste lid, is toegelaten tot het beroepsmatig verrichten van diergeneeskundige handelingen wordt ingeschreven in het openbaar register, bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, van de wet.

Artikel 4.6. Doorhalen registratie

Onze Minister draagt er zorg voor dat een inschrijving als bedoeld in artikel 4.5 wordt doorgehaald indien:

§ 3. Overige bepalingen

Artikel 4.7. Opname gegevens in register
1.

In het register, bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, van de wet, worden de volgende gegevens opgenomen:

2.

In het register, bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, van de wet, wordt een aantekening geplaatst van:

Artikel 4.8. Verstrekken gegevens
1.

Aan de betrokkene wordt op diens verzoek medegedeeld wat te zijnen aanzien in het register vermeld staat.

2.

Aan een ieder die zulks verlangt, wordt medegedeeld:

Hoofdstuk 5. Diergeneesmiddelen

Artikel 5.1. Cascade voor dieren die niet voor de productie van levensmiddelen zijn bestemd
1.

Een dierenarts kan bij wijze van uitzondering in afwijking van de vergunning voor het in de handel brengen van een diergeneesmiddel, bedoeld in artikel 2.19, eerste lid, van de wet bij dieren waarvoor de dierenarts de verantwoording heeft en die niet voor de productie van levensmiddelen zijn bestemd, met name teneinde deze dieren onaanvaardbaar lijden te besparen, voor een aandoening waarvoor in Nederland geen diergeneesmiddel in de handel is gebracht, een dier behandelen met een diergeneesmiddel:

2.

Een diergeneesmiddel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b of onderdeel c, kan slechts worden toegepast indien een diergeneesmiddel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, niet toepasbaar of beschikbaar is.

3.

Een bereiding ex tempore als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, kan slechts worden toegepast, indien een diergeneesmiddel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onderdeel b, of onderdeel c, niet toepasbaar of beschikbaar is.

4.

In afwijking van het eerste lid kan de dierenarts het diergeneesmiddel onder zijn verantwoordelijkheid door iemand anders laten toepassen.

5.

Het eerste tot en met vierde lid is slechts van toepassing op paardachtigen indien deze paardachtigen en de producten daarvan niet voor menselijke consumptie bestemd zijn ingevolge een registratie in overeenstemming met bij ministeriële regeling voor de uitvoering van een EU-rechtshandeling voor paardachtigen vastgestelde regels.

6.

Het eerste tot en met vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een diervoeder met medicinale werking.

Artikel 5.2. Cascade voor dieren die voor de productie van levensmiddelen zijn bestemd
1.

Een dierenarts kan bij wijze van uitzondering in afwijking van de vergunning voor het in de handel brengen van een diergeneesmiddel, bedoeld in artikel 2.19, eerste lid, van de wet bij dieren van een bepaald bedrijf waarvoor de dierenarts de verantwoording heeft en die voor de productie van levensmiddelen zijn bestemd, met name teneinde deze dieren onaanvaardbaar lijden te besparen, voor een aandoening waarvoor in Nederland geen diergeneesmiddel in de handel is gebracht, een dier behandelen met een diergeneesmiddel:

2.

Een diergeneesmiddel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b of onderdeel c, kan slechts worden toegepast indien een diergeneesmiddel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, niet toepasbaar of beschikbaar is.

3.

Een bereiding ex tempore als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, kan slechts worden toegepast, indien een diergeneesmiddel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onderdeel b, of onderdeel c, niet toepasbaar of beschikbaar is.

4.

In afwijking van het eerste lid kan de dierenarts het diergeneesmiddel onder zijn verantwoordelijkheid door iemand anders laten toepassen.

5.

Bij de toepassing van het eerste lid worden uitsluitend diergeneesmiddelen gebruikt waarvan de farmacologisch werkzame stoffen zijn opgenomen in een krachtens artikel 27, eerste lid, van Verordening (EU) 470/2009 vastgestelde EU-verordening en de dierenarts, indien er geen informatie over de wachttermijn voor de betrokken diersoort op de verpakking van het diergeneesmiddel of diervoeder met medicinale werking is aangebracht of bij deze verpakking is gevoegd, een passende wachttermijn vaststelt die niet minder bedraagt dan:

6.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent een door de dierenarts bij te houden administratie van gegevens over toepassing van diergeneesmiddelen als bedoeld in het eerste lid, waaronder inrichting van de administratie en bewaartermijnen.

7.

In afwijking van het vijfde lid kunnen diergeneesmiddelen waarvan de werkzame stof is vermeld op een lijst als bedoeld in artikel 10, derde lid, van richtlijn 2001/82/EG toegepast worden bij paardachtigen indien deze paardachtigen en de producten daarvan voor menselijke consumptie bestemd zijn ingevolge een registratie in overeenstemming met bij ministeriële regeling voor de uitvoering van een EU-rechtshandeling voor paardachtigen vastgestelde regels en de wachttermijn op ten minste zes maanden wordt bepaald.

8.

Het eerste tot en met zevende lid zijn van overeenkomstige toepassing op een diervoeder met medicinale werking.

9.

Het eerste tot en met zesde en achtste lid zijn niet van toepassing bij het toepassen van diergeneesmiddelen die substanties met hormonale werking of thyreostatische werking dan wel ß-agonisten bevatten als bedoeld in bijlagen II en III bij Richtlijn 96/22/EG.

Artikel 5.3. Wachttermijn homeopathische diergeneesmiddelen
1.

In afwijking van artikel 5.2, vijfde lid, bedraagt de wachttermijn na toepassing van een homeopathisch diergeneesmiddel als bedoeld in de artikelen 3.4 en 3.5 van het Besluit diergeneesmiddelen nul dagen, indien de toepassing van de farmacologisch werkzame stof in het diergeneesmiddel bij het betrokken dier in overeenstemming is met een krachtens artikel 27, eerste lid, van Verordening (EU) 470/2009 vastgestelde EU-verordening.

2.

Bij ministeriële regeling worden in het belang van de volksgezondheid, diergezondheid, dierenwelzijn of het milieu regels gesteld voor de toepassing van homeopathische diergeneesmiddelen als bedoeld in het eerste lid, waarvoor overeenkomstig artikel 16, eerste lid, van Richtlijn 2001/82/EG vóór 31 december 1993 of met toepassing van artikel 19, tweede lid, van Richtlijn 2001/82/EG, met betrekking tot gezelschapsdieren of exotische dieren, een vergunning voor het in de handel brengen is verstrekt.

3.

Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op een diervoeder met medicinale werking.

Artikel 5.4. Bevoegdheid diergeneeskundigen, niet zijnde dierenartsen

Een persoon die een beroep uitoefent als bedoeld in de artikelen 3.1, 3.6, 7.4 of 7.5, past een diergeneesmiddel of diervoeder met medicinale werking in de uitoefening van dat beroep slechts toe in de gevallen die zijn aangewezen krachtens artikel 5.8, eerste lid, onderdelen a en c, van het Besluit diergeneesmiddelen.

Artikel 5.5. Administratie dierenartsen en andere personen die diergeneeskundige handelingen verrichten

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld inzake de administratie van de ontvangst, aflevering en toepassing van diergeneesmiddelen, voormengsels voor diervoeder met medicinale werking en diervoeders met medicinale werking door dierenartsen en andere personen, die bevoegd zijn tot het verrichten van diergeneeskundige handelingen.

Artikel 5.6. Te verstrekken inlichtingen

Dierenartsen en andere personen die bevoegd zijn tot het verrichten van diergeneeskundige handelingen verstrekken, onverminderd artikel 8.4, tweede lid, van de wet, aan de door Onze Minister krachtens artikel 8.1, eerste lid, en artikel 8.14, eerste lid, van de wet aangewezen ambtenaren en aan de dierenarts verbonden aan de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit desgevraagd alle inlichtingen over het voorschrijven van diergeneesmiddelen en het uitvoeren van behandelingen met diergeneesmiddelen bij dieren die voor de productie van levensmiddelen bestemd zijn en aan laatstgenoemde meer bepaald de inlichtingen betreffende de naleving door een bepaald bedrijf van krachtens artikel 8.5, tweede lid, van het Besluit diergeneesmiddelen gestelde eisen.

Artikel 5.7. Gevoeligheidsbepaling bij toepassing aangewezen diergeneesmiddelen
1.

Bij ministeriële regeling kunnen diergeneesmiddelen aangewezen worden die niet zonder voorafgaande kiemisolatie en gevoeligheidsbepaling door een dierenarts of andere persoon als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, van de wet mogen worden toegepast.

2.

Bij ministeriële regeling kunnen regels gesteld worden ten aanzien van de kwaliteit, betrouwbaarheid en controleerbaarheid met betrekking tot de uitvoering van de kiemisolatie en gevoeligheidsbepaling.

3.

Het is dierenartsen en andere personen als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, van de wet verboden de diergeneesmiddelen, bedoeld in het eerste lid, toe te passen, indien uit de gevoeligheidsbepaling blijkt dat andere diergeneesmiddelen toepasbaar zijn.

4.

Een dierenarts of andere persoon als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, van de wet, kan van het eerste tot en met het derde lid afwijken indien vanwege diergeneeskundige noodzaak een gevoeligheidsbepaling onmogelijk is of onmiddellijke toepassing van het diergeneesmiddel noodzakelijk is.

5.

Bij onmiddellijke toepassing van het diergeneesmiddel wordt een gevoeligheidsbepaling zo snel mogelijk alsnog uitgevoerd.

Hoofdstuk 6. Overig

Artikel 6.1. Ontstentenis leden veterinair tuchtcollege en veterinair beroepscollege

Bij ontstentenis van benoemde leden van dezelfde beroepsgroep als de beklaagde, kunnen dierenartsen zitting nemen in het veterinair tuchtcollege, dan wel het veterinair beroepscollege.

Hoofdstuk 6. Overig

§ 1. Overgangsrecht

Artikel 7.1. Ingrepen
1.

Artikel 2.2, onderdeel a, vervalt met ingang van 1 januari 2018.

2.

In artikel 2.2, onderdeel b, vervallen met ingang van 1 januari 2015 de woorden: of voor de productie van vaccineieren.

3.

Artikel 2.2, onderdelen b en f, vervallen met ingang van 1 september 2021.

4.

Artikel 2.2, onderdelen c en e, vervallen met ingang van 1 januari 2015.

5.

Artikel 2.2, onderdeel d, vervalt met ingang van 1 september 2018.

6.

Artikel 2.6, onderdelen l en m, vervallen met ingang van 1 januari 2018.

7.

Artikel 2.7, derde lid, onderdeel a, vervalt met ingang van 1 juni 2015.

8.

Artikel 2.7, derde lid, onderdeel b, vervalt met ingang van 1 september 2016.

Artikel 7.2. Diergeneeskundigen niet zijnde dierenartsen en diergeneeskundigen derde landen
1.

Tot het beroepsmatig verrichten van de handelingen, bedoeld in de artikelen 3.1, tweede lid, 3.4, tweede lid, 3.6, tweede lid, 3.9, eerste lid en 3.11, eerste lid, zijn toegelaten personen aan wie het verrichten van die handelingen tot het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.9, eerste lid, van de wet ingevolge de artikelen 5 en 6 van de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde en de artikelen 2, 6 en 9, eerste lid, van het Besluit paraveterinairen is toegestaan.

2.

Dierenartsassistenten paraveterinair, dierenfysiotherapeuten en embryotransplanteurs die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit zijn ingeschreven in het register van praktiserende dierenfysiotherapeuten, embryotransplanteurs, onderscheidenlijk dierenartsassistenten paraveterinair, bedoeld in artikel 20 van de Regeling paraveterinairen, zijn van rechtswege ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, van de wet.

3.

Artikel 4.6, eerste lid, aanhef en onderdeel a, is van overeenkomstige toepassing op de personen, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 7.3. Toelating op basis van opleiding deelkwalificaties
1.

Tot 1 januari 2018 laat Onze Minister tot het beroepsmatig verrichten van de in artikel 3.1, tweede lid bedoelde diergeneeskundige handelingen toe, degene die beschikt over een krachtens de Wet educatie en beroepsonderwijs vastgestelde combinatie van deelkwalificaties die recht geeft op de erkenning dierenartsassistent paraveterinair als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van het Besluit paraveterinairen, zoals dit luidde onmiddellijk voor inwerkingtreding van dit besluit.

2.

Tot 1 januari 2018 laat Onze Minister tot het beroepsmatig verrichten van de in artikel 3.6, tweede lid bedoelde diergeneeskundige handelingen toe, degene die beschikt over een krachtens de Wet educatie en beroepsonderwijs vastgestelde combinatie van deelkwalificaties die recht geeft op de erkenning embryotransplanteur of embryotransplanteur/-winner als bedoeld in artikel 6 van het Besluit paraveterinairen, zoals dit luidde onmiddellijk voor inwerkingtreding van dit besluit.

3.

De artikelen 3.13 tot en met 3.16, 4.5 en 4.6 zijn van overeenkomstige toepassing op een toelating als bedoeld in het eerst en tweede lid.

Artikel 7.4. Dierverloskundigen
1.

Degenen die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel in het bezit zijn van een geldige, hun ingevolge artikel 5, tweede lid, van de Wet op de Uitoefening van de Diergeneeskunst verleende vergunning tot uitoefening van de verloskunde, zijn toegelaten tot het verlenen van hulp met betrekking tot de geboorte of verwijdering van een vrucht van dieren van in die vergunning genoemde soorten, voor zover deze hulp bestaat uit het beroepsmatig verrichten van de in het tweede lid bedoelde diergeneeskundige handelingen.

2.

De handelingen, bedoeld in het eerste lid zijn:

3.

Degene aan wie een vergunning tot uitoefening van de verloskunde als bedoeld in het eerste lid is verleend, stelt Onze Minister binnen een maand in kennis van:

Artikel 7.5. Castreurs
1.

Degenen die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel in het bezit zijn van een geldige, hun ingevolge artikel 5, tweede lid, van de Wet op de Uitoefening van de Diergeneeskunst verleende vergunning tot het castreren, zijn toegelaten tot het beroepsmatig verrichten van de in het tweede lid bedoelde diergeneeskundige handelingen.

2.

De handelingen, bedoeld in het eerste lid zijn:

3.

Degene aan wie een vergunning tot het castreren als bedoeld in het eerste lid is verleend, stelt Onze Minister binnen een maand in kennis van:

Artikel 7.6. Registratie dierverloskundigen en castreurs
1.

Dierverloskundigen en castreurs die onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel zijn ingeschreven in het register van dierverloskundigen en castreurs, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990, zijn van rechtswege ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, van de wet.

2.

Artikel 4.6, eerste lid, aanhef en onderdeel a, is van overeenkomstige toepassing op dierverloskundigen en castreurs.

§ 2. Wijziging andere besluiten

Artikel 7.7. Wijziging Besluit diergeneesmiddelen

Wijzigt het Besluit diergeneesmiddelen.

§ 2. Wijziging andere besluiten

Artikel 7.8. Inwerkingtreding

De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 7.9. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit diergeneeskundigen.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 5.8. Melding aangewezen diergeneesmiddelen in register
1.

Een dierenarts of een andere persoon als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, van de wet, doet van het voorschrijven ten behoeve van de aflevering of van de toepassing van bij ministeriële regeling aan te wijzen diergeneesmiddelen in bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen melding in het register waarin de houder van dieren ten behoeve van wiens dieren de diergeneesmiddelen zijn afgeleverd of bij wiens dieren de diergeneesmiddelen zijn toegepast, de melding, bedoeld in artikel 1.27, eerste lid, van het Besluit houders van dieren heeft gedaan.

Artikel 5.9. Bedrijfsgezondheidsplan en bedrijfsbehandelplan
1.

Het bedrijfsgezondheidsplan en het bedrijfsbehandelplan, bedoeld in artikel 1.28, eerste lid, van het Besluit houders van dieren, worden opgesteld door een dierenarts in overleg met de houder van dieren, bedoeld in artikel 1.28, eerste lid, van dat besluit.

2.

Een dierenarts handelt overeenkomstig het bedrijfsgezondheidsplan en het bedrijfsbehandelplan, bedoeld in het eerste lid, tenzij een diergeneeskundige noodzaak vereist dat hiervan wordt afgeweken.

3.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over:

Hoofdstuk 7. Slotbepalingen

§ 1. Overgangsrecht

§ 3. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.