Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 7 mei 2014, nr. DSO/MO-113/2014 tot vaststelling van beleidsregels voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Strategische partnerschappen pleiten en beïnvloeden 2016–2020)

Type Ministeriële regeling
Publication 2014-07-10
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op de artikelen 6 en 7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken;

Gelet op de artikelen 4.1 tot en met 4.7 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006;

Besluit:

Artikel 1

Voor subsidieverlening op grond van afdeling 4 Strategische partnerschappen pleiten en beïnvloeden van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 gelden voor de periode vanaf de inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2020 de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels.

Artikel 2

Aanvragen om in aanmerking te komen voor een strategisch partnerschap in het kader van Strategische partnerschappen pleiten en beïnvloeden 2016–2020 worden ingediend in de periode vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit tot 1 september 2014 12.00 uur aan de hand van het daartoe door de minister vastgestelde aanvraagformulier en voorzien van de op het aanvraagformulier gevraagde bescheiden.1Het aanvraagformulier is met de daarbij behorende annexen, ook geplaatst op http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/subsidies-voor-ontwikkelingssamenwerkig-en-europa/subsidies-maatschappelijke-organisaties.

Artikel 3

De selectie van de strategische partners vindt plaats op grond van een beoordeling overeenkomstig de maatstaven die in de bijlage bij dit besluit zijn neergelegd, met dien verstande dat uit alle aanvragen die voldoen aan de maatstaven, de aanvragen die het beste voldoen aan die maatstaven het eerst voor een strategisch partnerschap in aanmerking komen, binnen het raam van een evenwichtige spreiding als bedoeld in artikel 8, derde lid, sub d, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Artikel 4

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2021 met dien verstande dat het van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Dit besluit zal met de bijlage, met uitzondering van de annexen bij de bijlage, in de Staatscourant worden geplaatst. Annexen bij de bijlage worden via internet bekend gemaakt.

Bijlage. ‘Samenspraak en tegenspraak’

Strategische partnerschappen voor ‘pleiten en beïnvloeden’

1. Inleiding en achtergrond

Het beleidskader ‘Samenspraak en tegenspraak’ vormt de leidraad voor het aangaan van relaties met maatschappelijke organisaties in de periode 2016–2020 op het terrein van pleiten en beïnvloeden. Dit kader bouwt voort op de in april 2013 gepubliceerde nota ‘Wat de wereld verdient, een nieuwe beleidsagenda voor hulp, handel en investeringen’2http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/notas/2013/04/05/wat-de-wereld-verdient-een-nieuwe-agenda-voor-hulp-handel-en-investeringen.html en de daaropvolgende uitwerking in de kamerbrief: ‘Samenwerking met het maatschappelijk middenveld in een nieuwe context’3http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2013/10/09/kamerbrief-inzake-samenwerking-met-het-maatschappelijk-middenveld-in-een-nieuwe-context.html van 9 oktober 2013.

Nederland kent een lange traditie als het gaat om ondersteuning van maatschappelijke organisaties die actief zijn in lage- en middeninkomenslanden. Maatschappelijke organisaties vertegenwoordigen de stem van burgers: lokaal, nationaal en internationaal. Ze kunnen overheden ertoe bewegen meer verantwoording aan burgers af te leggen en zo de legitimiteit vergroten. Dat draagt bij aan grotere sociale cohesie, opener en steviger democratieën, betere aanpak van milieuproblemen, een gunstiger ondernemingsklimaat, meer kansen voor iedereen en minder ongelijkheid.

De laatste jaren is in een aanzienlijk aantal lage- en middeninkomenslanden sprake van substantiële economische groei. Die groei leidt echter niet vanzelf tot ontwikkeling voor iedereen. Vaak neemt de kloof tussen arm en rijk zelfs toe. In de nieuwe beleidsagenda voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en in de visie op de internationale ontwikkelingsagenda na 2015 neemt terugdringing van ongelijkheid een prominente plaats in. Daarbij gaat het niet alleen om economische ongelijkheid, maar ook om ongelijkheid in sociaal, politiek, religieus of etnisch opzicht alsook vanwege sekse of seksuele geaardheid.

Vanzelfsprekend zijn maatschappelijke organisaties daarbij een voorname actor. Zij zorgen voor teugels en tegenwichten in de maatschappij. Als gesprekspartners van overheid en bedrijfsleven hebben ze een bepleitende en agenda-beïnvloedende rol als het gaat om inclusieve en duurzame groei en ontwikkeling. Tegelijk fungeren ze als waakhond om erop toe te zien dat gemaakte afspraken en gedane beloftes nagekomen worden.

Een samenleving kan niet zonder deze functie van maatschappelijke organisaties. Daarom stelt dit beleidskader de pleitende en beïnvloedende rol van maatschappelijke organisaties centraal. De vorm die hiervoor is gekozen, is het aangaan van strategische partnerschappen tussen maatschappelijke organisaties en de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (hierna te noemen de Minister).

Om meer ruimte te bieden aan vernieuwing komt er per 2016 ook een Innovatiefonds. Dit fonds is bedoeld voor innovatieve ideeën op het terrein van ‘pleiten en beïnvloeden’ van organisaties die niet als partner deelnemen in strategische partnerschappen. De criteria voor dit fonds zullen in 2015 worden uitgewerkt. Ook het intensiveren van directe financiering van zuidelijke organisaties via ambassades (accountability fonds) vanaf 2016 past binnen dit kader.

Dit kader is als volgt opgebouwd:

In hoofdstuk 2 worden de beleidsuitgangspunten benoemd die de basis vormen voor de nieuwe samenwerkingsvorm. Naast de overkoepelende doelstelling treft u een korte beschrijving van de kernbegrippen pleiten en beïnvloeden, strategisch partnerschap,enabling environment, legitimiteit, capaciteitsversterking en Theory of Change.

Hoofdstuk 3 schetst de relatie die de Minister wil aangaan met maatschappelijke organisaties: strategische partnerschappen.

Hoofdstuk 4 beschrijft het proces van selectie van partners. Hier wordt onder andere toegelicht op basis van welke kwaliteiten organisaties in aanmerking kunnen komen voor een strategisch partnerschap.

In hoofdstuk 5 wordt gedefinieerd aan welke criteria organisaties moeten voldoen om zich te kwalificeren als partner. De uitwerking van de criteria vindt u in het aanvraagstramien (annex 1) dat bij dit kader hoort.

Hoofdstuk 6 beschrijft het beoordelingstraject.

Hoofdstuk 8 beschrijft de financiële middelen en het tijdpad.

Hoofdstuk 7 gaat in op de monitoring en evaluatie van de partnerschappen.

2. Beleidsuitgangspunten

Zoals aangegeven in de kamerbrief van 9 oktober 2013 hecht het Kabinet aan een sterke rol van maatschappelijke organisaties bij de verwezenlijking van de agenda voor hulp, handel en investeringen.

Maatschappelijke organisaties opereren tussen de staat, de burgers en de markt. Met hun eigenstandige positie en verankering in de maatschappij verbinden en vertegenwoordigen zij de belangen van diverse groepen in de samenleving. De rollen die deze organisaties spelen zijn divers en hangen af van de behoefte, de context en het soort organisatie. In lage- en middeninkomenslanden zijn veel lokale organisaties in de loop der jaren sterker geworden.

Toenemende verwevenheid van wereldvraagstukken vraagt om het verbinden van lokale en mondiale beleidsagenda’s. Dit vereist een ketenanalyse en vraagt om complementaire rollen van maatschappelijke organisaties wereldwijd, maar ook een andere manier van samenwerken tussen overheden, kennisinstellingen, bedrijven en maatschappelijke organisaties en particulieren.

Om maatschappelijke organisaties effectief tegenspel te kunnen laten bieden in deze veranderende en globaliserende context, staat het versterken van de rol van ‘pleiten en beïnvloeden’ in dit beleidskader centraal. Deze rol is immers essentieel voor het aanspreken van beleidsmakers en bedrijven om zo bij te dragen aan inclusieve groei en ontwikkeling en het terugdringen van ongelijkheid. Een gezamenlijke inzet van instrumenten en werkwijzen van pleiten en beïnvloeden van strategische partners kan inspanningen met elkaar verbinden en zo de effectiviteit hiervan verbeteren.

De Minister wil dan ook strategische partnerschappen met maatschappelijke organisaties aangaan. Strategische partnerschappen die zich baseren op wederzijds vertrouwen, ruimte laten aan elkaars identiteit, expertise, ervaring en netwerk. Daarbij hoort dat de partners elkaars eigenstandige rollen en verantwoordelijkheden respecteren. Maar ook dat de partners momenten en mogelijkheden identificeren van gezamenlijke en complementaire inzet om effectief verandering te bepleiten en beleid te beïnvloeden.

In een dergelijke relatie past ook een kritische houding naar elkaar en daarbij houdt tegenspraak elkaar scherp. Flexibiliteit en snel kunnen inspelen op nieuwe ontwikkelingen vragen om afspraken op hoofdlijnen met daarbinnen de mogelijkheid om te variëren en aan te passen. Dit betekent ook samen risico’s durven nemen.

2.1. Doelstelling

De overkoepelende doelstelling van dit beleidskader is het versterken van maatschappelijke organisaties in lage- en lage-middeninkomenslanden in hun rol als pleiter en beïnvloeder. Dit stelt deze organisaties in samenwerking met hun (internationale) partners en via hun netwerken in staat op lokaal, nationaal en internationaal niveau hun rol te spelen in pleitbezorging en beïnvloeding en zo bij te dragen aan duurzame inclusieve ontwikkeling voor iedereen en aan het bestrijden van armoede en onrecht.

2.2. Kernbegrippen

Dit kader kent een aantal kernbegrippen. Voor een goede interpretatie zijn die hier kort beschreven.

Pleiten en beïnvloeden

‘Pleiten en beïnvloeden’ wordt in dit kader gebruikt als samenvattende term voor verschillende instrumenten en strategieën die kunnen worden ingezet om onderwerpen op de agenda van politiek en bedrijfsleven te krijgen en/of te houden, met het doel structurele oorzaken van armoede en onrecht aan te pakken en beleid duurzaam te veranderen.

Onderstaand schema illustreert de verschillende dimensies van ‘pleiten en beïnvloeden’.4Start, D. and Hovland,I. (2004) Tools for policy impact: a handbook for researchers. London: ODI (www.odi.org.uk/resources/download/156.pdf)

‘Pleiten en beïnvloeden’ kan plaatshebben op verschillende niveaus: lokaal, nationaal – ook in Nederland – regionaal en internationaal. Vaak is een verbinding tussen deze niveaus nodig om een duurzaam effect te behalen. Pleitbezorging en beïnvloeding zijn geen lineaire processen en het bereiken van resultaten vergt vaak een lange adem. Het versterken van capaciteit voor ‘pleiten en beïnvloeden’ en het scheppen van randvoorwaarden om te kunnen functioneren, zijn daarbij essentiële activiteiten.

Een effectieve inzet op ‘pleiten en beïnvloeden’ baseert zich op onderzoek, analyse en geleerde lessen in de praktijk (evidence based). Afhankelijk van onder meer de landencontext, de fase waarin veranderingsprocessen en/of beleidsvorming zich bevindt, de machtsverhoudingen en de betrokken actoren kunnen verschillende (combinaties van) instrumenten zoals advisering, pleiten, beïnvloeden en activisme worden ingezet.

Zo kunnen bijvoorbeeld publiekscampagnes worden ingezet via (sociale)media, door middel van openbare bijeenkomsten, in toespraken en publieke en politieke debatten. Het mobiliseren, betrekken en de bewustwording van burgers, alsook het beïnvloeden van invloedrijke personen zijn daarbij van cruciaal belang.

Beleidsbeïnvloeding via advisering, pleiten en onderhandelen, wordt ingezet bij het ontwikkelen van lokaal of nationaal overheidsbeleid of internationaal beleid van de verschillende organisaties van de Verenigde Naties, maar ook bij het beïnvloeden van raden van bestuur van bedrijven. Men probeert relaties en vertrouwen op te bouwen met de betrokken actoren en zet diplomatieke vaardigheden in om bruggen te slaan en win-win situaties te creëren.

Ook kunnen de omstandigheden zodanig zijn dat werken achter de schermen noodzakelijk is. Het aangaan van informele contacten, het zoeken naar compromissen, het slaan van bruggen tussen groepen die tegenover elkaar staan en het aangaan en in stand houden van dialoog zijn dan essentieel. Voorbeelden hiervan zijn het bemiddelen tussen voormalige strijdende groepen in fragiele staten of het bevorderen van het vreedzaam samenleven van verschillende groepen in de gemeenschap.

Soms zal een meer openlijke, activistische en confronterende manier van opereren nodig zijn om veranderingen te handhaven of af te dwingen.

Activiteiten als dienstverlening en het verstrekken van basisvoorzieningen door maatschappelijke organisaties zijn vaak – en terecht – verbonden met ‘pleiten en beïnvloeden’. Zo kan een maatschappelijke organisatie op basis van haar geleverde diensten een plaats aan tafel hebben veroverd bij de overheid of het bedrijfsleven. Binnen dit kader kiest de Minister ervoor zich te beperken tot ondersteuning van de pleitende en beïnvloedende rol van maatschappelijke organisaties. Daarom valt financiering van dienstverlening en het leveren van basisvoorzieningen niet binnen de reikwijdte van dit subsidiebeleidskader.

Een strategisch partnerschap betreft een samenwerkingsverband van een (alliantie van) maatschappelijke organisatie(s) en de Minister dat een gezamenlijk strategisch doel nastreeft. Dit doel sluit aan bij de brede agenda van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en past binnen de algemene doelstelling van dit beleidskader. Het strategisch partnerschap biedt meerwaarde en richt zich op een strategisch doel dat moeilijk door de partijen afzonderlijk kan worden behaald. Subsidieverlening van een maatschappelijke organisatie is een van de onderdelen van het partnerschap maar de samenwerking omvat meer dan een financiële relatie.

Maatschappelijke organisaties die pleiten en beïnvloeden vertegenwoordigen een achterban en ontlenen hun legitimiteit aan universele waarden zoals vastgelegd in VN-conventies, verdragen en gedragscodes op het terrein van mensenrechten, ontwikkelingssamenwerking en economische samenwerking. Zij werken op basis van feiten en expertise en aan de hand van analyses, en zij leggen verantwoording af over wat zij doen aan de samenleving, hun achterban, de overheid en hun financiers.

Voorwaarden voor maatschappelijke organisaties om effectief te kunnen opereren kennen verschillende dimensies: sociaal-cultureel, politiek, economisch-financieel en juridisch. Essentieel is dat een samenleving het belang van pluriformiteit alsook de rol van maatschappelijke organisaties als pleitbezorger en waakhond erkent. Deze eigenstandige rol van maatschappelijke organisaties moet in wetgeving verankerd zijn. Dit impliceert erkenning door de overheid van het recht op vrije vergadering en vrije meningsuiting5http://www.icnl.org/research/library/files/Transnational/DCS_Report_Second_Edition_English.pdf http://www.icnl.org/research/library/files/Transnational/DCS_Report_Second_Edition_English.pdf.

In landen waar deze voorwaarden niet voldoende aanwezig zijn, zal het verbeteren van deze voorwaarden onderdeel moeten zijn van de samenwerking tussen internationale en nationale maatschappelijke organisaties. Donoren en internationale (maatschappelijke) organisaties kunnen steun en rugdekking bieden onder moeilijke omstandigheden en op hun beurt pleiten en beïnvloeden om deze voorwaarden te verbeteren.

Capaciteitsversterking richt zich enerzijds op het versterken van partnerorganisaties in termen van expertise, management en financieel beheer. Anderzijds richt deze zich op het ontwikkelen van kernbekwaamheden en -vaardigheden die nodig zijn om ook op termijn in een veranderende context relevant te blijven en resultaten te blijven behalen. Deze kernbekwaamheden zijn6Baser, H. and Morgan, P. (2008) Capacity, Change and Performance: Study Report. Maastricht: ECDPM.:

De basis voor een strategisch partnerschap gericht op ‘pleiten en beïnvloeden is een veranderstrategie of ‘Theory of Change’.

Een ‘Theory of Change’ 7https://www.theoryofchange.org/ is een serie bouwstenen die in hun samenhang beschrijft hoe een lange termijndoel te behalen. De onderliggende analyse, aannames, voorwaarden, beoogde resultaten – outputs, outcomes en impact – worden hierin op een logische wijze gepresenteerd. De ‘Theory of Change’ dient als basis om per stap in het proces interventies te kunnen definiëren. Hierbij wordt ook inzichtelijk gemaakt welke rollen de verschillende stakeholders spelen. De aannames onderbouwen het geschetste veranderproces.

Het is niet eenvoudig om succes en resultaten van een strategie voor pleiten en beïnvloeden te meten. Wanneer is een resultaat een effect van pleiten en beïnvloeden en kan een succes aan een specifieke actor worden toegerekend en wanneer waren het vooral andere omstandigheden die hebben geleid tot een bepaalde verandering? Om toch het effect van pleiten en beïnvloeden zo goed mogelijk te kunnen monitoren en evalueren, is het essentieel dat in de ‘Theory of Change’ aannemelijk wordt gemaakt dat de activiteiten op het terrein van ‘pleiten en beïnvloeden’ leiden tot verandering in beleid, structuren en processen en uiteindelijk in het leven van mensen.

2.3. Wie komen als partner in aanmerking?

Organisaties kunnen zich zelfstandig als partner presenteren of deel uitmaken van een alliantie van organisaties namens welke een penvoerder zich presenteert. Een alliantie is een samenwerkingsverband van twee of meer maatschappelijke organisaties in bovenstaande zin die een samenwerkingsovereenkomst hebben gesloten. Alle partijen leveren een bijdrage aan de einddoelstellingen en hebben gezamenlijk en ten opzichte van elkaar aantoonbare meerwaarde. Deze meerwaarde kan zich manifesteren op meerdere thema’s, maar ook organisaties gericht op één enkel onderwerp (nicheorganisaties) kunnen hun belangstelling om strategisch partner te worden kenbaar maken.

Internationale Maatschappelijke Organisaties (INGO’s) komen niet in aanmerking als aanvrager en/of penvoerder voor dit subsidiebeleidskader. Wel kunnen zij in een alliantie deelnemen aan een partnerschap.

Een maatschappelijke organisatie kan slechts éénmaal een aanvraag indienen en kan maar éénmaal als partner worden geselecteerd, hetzij als penvoerder voor een alliantie hetzij als zelfstandige organisatie. Wel kan een maatschappelijke organisatie daarnaast mede-indiener zijn in nog één andere alliantie.

2.4. Thematische reikwijdte

De inhoudelijke focus van de strategische partnerschappen is gerelateerd aan de brede beleidsagenda van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking zoals verwoord in de nota ‘Wat de wereld verdient’. De potentiële partner kan aansluiten bij elk van de daarin opgenomen onderwerpen.

3. Beschrijving van de relatie

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.