Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 19 juni 2014, nr. 528293, houdende vaststelling van het normenkader met eisen voor het uitvoeren van jeugdbescherming en/of jeugdreclassering (Regeling normenkader jeugdbescherming en jeugdreclassering)
Gelet op artikel 3.4, vierde lid, van de Jeugdwet;
Besluit:
Artikel 1
Het normenkader bedoeld in artikel 3.4, vierde lid, van de Jeugdwet, wordt vastgesteld overeenkomstig Hoofdstukken 9 en 10 van de bijlage bij deze regeling.
Artikel 2
Deze regeling treedt in werking op de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst.
Artikel 3
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling normenkader jeugdbescherming en jeugdreclassering.
Bijlage. Regeling normenkader jeugdbescherming en jeugdreclassering
Certificatieschema voor toetsing van het kwaliteitsmanagementsysteem van uitvoerende organisaties voor Jeugdbescherming en Jeugdreclassering versie 1.0
Waarin opgenomen het normenkader ten behoeve van certificering van uitvoerende organisaties voor Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, versie 1.0
Inhoud
1. Aanleiding en verantwoording
1.1. Inleiding, doel van het normenkader
Vanaf 1 januari 2015 is de Jeugdwet van kracht. Deze wet vervangt de Wet op de Jeugdzorg uit 2005. De vernieuwing betekent zowel een transitie, verplaatsing van verantwoordelijkheden, rollen en bevoegdheden, als een transformatie, een inhoudelijke verbeterslag. De vervanging van de wet heeft onder andere tot doel een verdere professionalisering van jeugdhulp waarin kwaliteitsborging een prominente plek inneemt. Ook beoogt de Jeugdwet een substantiële vermindering van bureaucratie voor alle betrokken instanties.
Uitvoering van de Jeugdwet betekent onder andere dat de verantwoordelijkheid voor de organisatie van de jeugdbescherming en jeugdreclassering bij de gemeenten ligt. De gemeenten hebben de regierol in de uitvoering van de wet en zijn verantwoordelijk voor de afspraken met en inzet van uitvoerende organisaties in de hulp.
Jeugdbescherming en jeugdreclassering worden, conform de Jeugdwet, uitgevoerd door organisaties die in het bezit zijn van een geldig certificaat als uitvoerder voor jeugdbescherming en/of jeugdreclassering. Dit certificaat wordt verkregen indien men voldoet aan de eisen zoals die zijn geformuleerd in voorliggend normenkader.
Kwaliteit bij het uitvoeren van opgelegde maatregelen voor jeugdigen en waar van toepassing het gezin, wordt van cruciaal belang geacht. Het Rijk en de VNG erkennen beiden dat de decentralisatie van de jeugdbescherming en jeugdreclassering gepaard moet gaan met opnieuw aandacht voor (het vaststellen van) passende randvoorwaarden. Dit vanwege de aard van de taken van de uitvoerende instellingen en de kwetsbaarheid van de doelgroep. In de Jeugdwet zijn kwaliteitsbepalingen opgenomen voor jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen. Het normenkader wordt als ministeriële regeling opgenomen onder de Jeugdwet. Het bevat de eisen voor een uitvoerende instelling vanuit de geldende en nieuwste inzichten op het gebied van kwaliteitsmanagement en -orging voor uitvoerende instellingen. Erin opgenomen zijn die elementen uit de Jeugdwet die direct te maken hebben met kwaliteitsborging. Hiermee wordt duidelijk gemaakt wat en waar de verbinding is tussen de wet en het normenkader.
Met de eisen, die in hoofdstuk 9 zijn geformuleerd, hebben de opstellers het volgende doel:
Het normenkader en het certificatieschema zijn openbare documenten en bedoeld voor uitvoerende organisaties van jeugdbescherming en jeugdreclassering en haar professionals. Hiermee hebben zij inzicht in de kwaliteitseisen die aan hen worden gesteld. Daarnaast gebruikt de Certificerende Instelling Het normenkader als leidraad voor toetsing van deze uitvoerende organisaties. Cliëntenorganisaties en ketenpartners hebben met Het normenkader eveneens inzicht in de basale kwaliteitseisen waaraan een uitvoerende organisatie moet voldoen.
1.2. Betrokken personen en organisaties
De opstellers van Het normenkader achten een breed draagvlak voor de inhoud van het kader in het werkveld van groot belang. Alleen dán zal het normenkader ook zo werken als bedoeld. Om dit te bereiken zijn vrijwel alle organisaties die na invoering van de Jeugdwet een rol spelen bij de uitvoering van de jeugdbescherming en jeugdreclassering op een bepaalde manier betrokken geweest bij de opstelling van Het normenkader.
De opstellers vormden een deskundigencommissie onder voorzitterschap van Kees Ahaus, hoogleraar Healthcare Management Rijksuniversiteit Groningen. Leden van de deskundigencommissie waren:
De Werkgroep Normenkader Jeugdbescherming en Jeugdreclassering voerde de voorbereidende werkzaamheden uit voor de deskundigencommissie. De leden van deze Werkgroep waren mensen die op persoonlijke titel deelnamen en zijn afkomstig uit de volgende organisaties:
Er is twee keer een brainstormbijeenkomst geweest waarin concepten van het normenkader werden voorgelegd aan grote groepen deelnemers van betrokken organisaties. De uitgenodigde deelnemers waren van:
Een aantal deelnemende partijen hebben binnen de eigen organisatie klankbordbijeenkomsten georganiseerd.
Tot slot zijn er twee pilots geweest bij Bureaus Jeugdzorg. Onder verantwoordelijkheid van het ministerie van Veiligheid en Justitie zijn deze pilots uitgezet. In deze pilots heeft een externe auditor het normenkader getoetst op haalbaarheid en doeltreffendheid. Men heeft gekeken of de pilotorganisaties in principe aan de eisen zouden kunnen voldoen, of de bedoeling van het normenkader wordt getoetst en wat men nodig heeft om de toetsing goed te kunnen uitvoeren (bijvoorbeeld ten behoeve van de interne audits).
1.3. Leeswijzer
Eisen aan een uitvoerende organisatie worden gevormd vanuit een bedoeling, een bestaansreden van een dergelijke organisatie. Deze bestaansreden komt voort uit een maatschappelijke behoefte die moet worden gerealiseerd. Voor jeugdbescherming en jeugdreclassering vloeit deze behoefte voort uit de beschrijvingen in het Verdrag voor de Rechten van het Kind en wordt ingevuld in de Jeugdwet, de Kinderbeschermingswetgeving, het Wetboek van Strafrecht en de Beginselenwet Justitiële Jeugdinrichtingen. De eisen die in de Jeugdwet (inclusief AMvB en Ministeriële Regelingen) aan een uitvoerende organisatie in deze sector worden gesteld moeten daarom een weerslag zijn van de maatschappelijke behoefte die moet worden gerealiseerd.
In hoofdstuk 1 tot en met 3 staat de tekst zoals die ook is opgenomen in het normenkader voor uitvoerende instellingen voor jeugdbescherming en jeugdreclassering. Deze tekst, inclusief de tabel met eisen is gepubliceerd in het document Normenkader voor Jeugdbescherming en Jeugdreclassering versie 1.0.
In hoofdstuk 2 wordt beschreven hoe de inhoudelijke eisen in Het normenkader, in het verlengde van de Jeugdwet, tot stand zijn gekomen, uitgaande van deze benadering.
In hoofdstuk 3 wordt de opbouw en invulling van het schema geschetst uitgaande van deze benadering.
Hoofdstuk 4 tot en met 8 beschrijft de insteek die is gekozen bij het beoordelen en certificeren van uitvoerende organisaties op basis van het normenkader inclusief de tabel met de eisen en wijze van beoordelen.
Hoofdstuk 4 benadrukt het doel en de scope van de certificering op basis van het normenkader en geeft daarmee de essentie van dit certificeringsschema weer. Cyclus van beoordeling en geldigheidsduur zijn daar onderdelen van.
In hoofdstuk 5 en 6 staan de eisen die worden gesteld aan het proces van certificeren en wordt de gerichtheid van de auditors bij het auditen in relatie tot het normenkader beschreven.
In hoofdstuk 7 wordt een uitleg gegeven over de wijze van beoordelen door de auditors van de certificerende instelling.
Hoofdstuk 8 geeft de afspraken over ingangsdatum en overgangsregeling weer, één en ander conform de regels in de Jeugdwet.
In hoofdstuk 9 staan de inhoudelijke normen en eisen die worden gesteld aan een uitvoerende organisatie om in aanmerking te komen voor een certificaat met daarbij de wijze van beoordeling per norm voortkomend uit de beschrijving in hoofdstuk 7.
In hoofdstuk 10 worden relevante begrippen omschreven en hoofdstuk 11 geeft de referenties en bronnen weer.
2. Van Doel naar Normen
2.1. doel Jeugdbescherming en Jeugdreclassering
Als hoofddoel van de Jeugdwet wordt aangegeven: ‘het voorkomen van zorgafhankelijkheid en het versterken van de eigen kracht van de jongere en van het zorgend en probleemoplossend vermogen van diens gezin en van anderen in de sociale omgeving’.
Voor uitvoering van de ondertoezichtstelling (OTS) geldt dat het daarbij gericht moet zijn op: ‘het opheffen van de bedreiging voor de veiligheid en ontwikkeling van het kind.’
Voogdij richt zich op: ‘het realiseren van een stabiele, duurzame en voor de ontwikkeling van de jeugdige, optimale opvoeding.’
Jeugdreclassering richt zich op: ‘het voorkomen van recidive en het realiseren van een gedragsverandering bij de betrokken jongere.’
(Wetsvoorstel Jeugdwet, Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 2, Memorie van toelichting, blz. 29, Kamerstukken II 2012/13, nr. 3).
Voor zowel jeugdbescherming als jeugdreclassering geldt dat bij de uitvoering de volgende beginselen moeten worden gewaarborgd: proportionaliteit en subsidiariteit, rechtsgelijkheid, verbod van willekeur, rechtszekerheid en uniformiteit. (Memorie van toelichting: Kamerstukken II 2012/13, nr. 3).
In de verdere uitwerking in Het normenkader naar de concrete normen en eisen aan de uitvoerende organisaties is voortdurend verbinding gelegd met bovengenoemde doelen en gronden van de wet. Bij het toetsen van een uitvoerende organisatie met behulp van Het normenkader is het daarom altijd van belang of en in hoeverre het voldoen aan een eis ook heeft bijgedragen aan het realiseren van doelen en gronden. Hiermee wordt bereikt dat gebruik van het normenkader bijdraagt aan doelmatigheid en doeltreffendheid van de uitvoerende organisatie.
2.2. resultaten
Artikel 4.1.1 (lid 1 en 2) van de Jeugdwet luidt als volgt:
‘De jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling verlenen verantwoorde hulp, waaronder hulp van goed niveau wordt verstaan, die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en die is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder.’
‘De jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling organiseren zich op zodanige wijze, voorzien zich kwalitatief en kwantitatief zodanig van personeel en materieel en dragen zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling, dat een en ander leidt of redelijkerwijs moet leiden tot verantwoorde hulp.’ Uit deze wettekst is af te leiden welke resultaten een gecertificeerde instelling gevraagd wordt na te streven.
Een uitvoerende organisatie moet laten zien dat het voldoende resultaatgericht is. De resultaten zijn de bereikte uitkomsten waaruit kan worden afgeleid of de gronden en de doelen van jeugdbescherming en jeugdreclassering worden gerealiseerd. Een uitvoerende organisatie kan worden gecertificeerd als kan worden aangetoond dat, naar de beoordeling van de certificerende instelling, in voldoende mate resultaatgericht wordt gewerkt en aan de gestelde normen is voldaan. Het uiteindelijke resultaat van jeugdbescherming en jeugdreclassering wordt bereikt door de hele keten én de jeugdige (en het gezin) zelf.
De resultaten waarop een uitvoerende organisatie in het kader van jeugdbescherming en jeugdreclassering zich moet richten en waaraan een bijdrage geleverd moet worden, zijn in Het normenkader als volgt geformuleerd:
2.3. opbouw normenkader
Uit vooronderzoek in de aanloop naar het opstellen van Het normenkader bleek dat er grote overeenstemming bij betrokken organisaties is over de volgende stellingname:
De vier genoemde elementen komen terug als categorieën in het normenschema in hoofdstuk 9. Hieronder wordt beschreven wat we onder de gebruikte termen verstaan1Deze beschrijvingen zijn conform de terminologie en uitleg zoals gehanteerd in de documenten over professionalisering in de Jeugdzorg.
2.3.1. Professional
Voor Het normenkader is van belang dat er sprake kan zijn van twee soorten professionals: professionals geregistreerd in het kwaliteitsregister jeugd en/of in het BIG-register en andere professionals. Registratie in het kwaliteitsregister jeugd staat open voor jeugdzorgwerkers (hbo-niveau) en gedragswetenschappers (psychologen en orthopedagogen (wo-niveau)). De eerste categorie professionals zal in Het normenkader worden aangeduid als geregistreerde jeugdprofessionals. Registratie bij het kwaliteitsregister jeugd wordt naar verwachting in het najaar 2014 mogelijk. Tot die tijd geldt dat medewerkers van een uitvoerende organisatie zich vrijwillig kunnen laten registreren.
Om als professional verantwoorde hulp te kunnen leveren, moet hij zelf zorgen dat hij beschikt over de gevraagde competenties. Voortdurend blijven leren, reflecteren en innoveren is nodig voor vak-volwassen professionals. Professionalisering vormt daarom een belangrijke spil in de transitie en transformatie van jeugdzorg. De opzet van een kwaliteitsregister, het bijbehorend stelsel van tuchtrecht en uitwerking van de beroepsethiek maken onderdeel uit van het professionaliseringstraject. De rol en de inzet van de professional in combinatie met toepassing van de gehanteerde methodiek zijn bepalend voor de kwaliteit van de dienstverlening. Om die reden is ervoor gekozen ‘de professional’ en ‘de methode’ in aparte categorieën met normen op te nemen in Het normenkader.
Uiteraard dient de organisatie waarin de professional werkzaam is de rol en inzet van de professional optimaal te ondersteunen.
2.3.2. Methoden
Onder methoden wordt verstaan: de uitgewerkte, specifieke denken werkwijzen die worden gehanteerd om resultaten van jeugdbescherming en jeugdreclassering te bereiken.
In de uitvoering van jeugdbescherming en jeugdreclassering moet methodisch worden gewerkt met methoden die geschikt zijn voor de doelstellingen en de taken van JB en/of JR. Een uitgewerkte methode bevat een beschrijving van onder andere handelingen, werkwijzen en afspraken in de aanpak. Daarbij worden ook keuzes gemaakt voor de inzet van technieken voor specifieke situaties en behandelingen of interventies. In jeugdbescherming en jeugdreclassering is er sprake van een werkende methode als deze beschrijving voor iedereen beschikbaar is en als gebleken is dat de toepassing in de praktijk positieve resultaten oplevert, of als er door theoretische onderbouwing positieve resultaten te verwachten zijn. Er zijn geen zogenaamde ‘erkende’ methoden waar een gevalideerde erkenningstoets op is afgenomen. Wel zijn er methoden die theoretisch zijn onderbouwd (zoals de in het veld meest toegepaste Deltamethode) en die door de praktijk worden omschreven als ‘werkend’. In Het normenkader worden in de eisen geen specifieke methoden bij naam genoemd. Wel worden eisen gesteld aan het methodisch werken door de organisatie en de professionals. Ook worden de zogenaamde algemene werkzame factoren (zie hieronder) genoemd als elementen die een indicatie zijn voor een ‘werkende’ methode.
De gecertificeerde instelling bepaalt of en zo ja welke jeugdhulp is aangewezen in het kader van de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering2Niet als de verplichting tot het bieden van jeugdhulp rechtstreeks voortvloeit uit een strafbeschikking of een rechterlijke beslissing waarbij JR is voorzien (Wetsvoorstel Jeugdwet, Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 2).
In enkele normen in Het normenkader worden, in relatie tot de gehanteerde methode, de zogenaamde ‘algemene werkzame factoren’ genoemd. Deze algemene werkzame factoren, opgesteld door NJI en in Het normenkader overgenomen als elementen waar aan moet worden voldaan, zijn:
De laatste jaren zijn er steeds meer aanwijzingen voor het toevoegen van de volgende werkzame factor aan deze lijst:
Naast algemeen werkzame factoren, die onafhankelijk zijn van doelgroep en methode, zijn er ook specifiek werkzame factoren of elementen. Deze zijn doelgroep specifiek en/of methode specifiek. Voor zover bekend en beschreven zijn deze elementen allemaal verwerkt in de normen in het schema normenkader in hoofdstuk 9.
Voor jeugdreclassering worden de volgende specifiek werkzame factoren gevraagd:
De werkwijze van de jeugdreclasseringswerker sluit aan bij:
2.3.3. Organisatie
Onder organisatie wordt in Het normenkader verstaan: de organisatorische eenheid rondom het werk en de professionals in de jeugdbescherming en jeugdreclassering.
De subcategorieën in deze categorie geven aan wat met name belangrijk wordt gevonden met het oog op het organiseren en borgen van kwaliteit van de uitvoering. Er wordt uitgegaan van algemeen geldende normen voor kwaliteitsborging en er is gekozen voor die onderwerpen en thema’s die direct aansluiten bij de Jeugdwet en de te behalen resultaten van de uitvoerende organisaties van jeugdbescherming en jeugdreclassering.
2.3.4. Ketensamenwerking
Onder ketensamenwerking wordt in Het normenkader verstaan: de verbinding die organisatie én professional hebben met andere betrokken organisaties en professionals. Tezamen vormen zij het professionele en sociale netwerk rondom de jeugdige en het gezin in het kader van jeugdbescherming, jeugdreclassering en het vrijwillige kader. Het werken volgens eenduidige methoden en richtlijnen in de keten is voorwaarde om resultaten te kunnen behalen.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.