Aanwijzing opsporingsbevoegdheden

Type Beleidsregel
Publication 2026-05-01
Laatst bijgewerkt 2026-05-05
State In force
Source BWB
artikelen Not indexed
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Hoofdstuk 1. Algemeen

1.1. Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden

Op 1 februari 2000 is de Wet Bijzondere opsporingsbevoegdheden (hierna: Wet BOB) in werking getreden. Deze wet introduceerde in Boek I van het Wetboek van Strafvordering een regeling voor nieuwe opsporingsbevoegdheden en daarmee samenhangende procedures. Deze wet was een uitvloeisel van het onderzoek dat door de Parlementaire Enquêtecommissie Opsporingsmethoden (PEC) is verricht naar de praktijk van de opsporing en de door deze commissie gedane normeringvoorstellen.

Deze Wet BOB bevat:

Met deze wet kregen opsporingsmethoden die risicovol zijn voor de integriteit en de beheersbaarheid van de opsporing, dan wel die naar huidig inzicht een meer dan beperkte inbreuk kunnen maken op grondrechten van burgers, een specifieke basis in het Wetboek van Strafvordering.

De bijzondere opsporingsbevoegdheden zijn opgenomen in de titels IVa en V. Inhoudelijk gezien komt de omschrijving van de in deze titels opgenomen opsporingsbevoegdheden nagenoeg overeen en gelden vrijwel ook dezelfde procedurele voorschriften.1Uitzonderingen hierop zijn de artt. 126l/126s Sv en artt. 126m/126t Sv. In de artt. 126l en 126m Sv geldt niet het vereiste dat verdachte aan het gesprek moet deelnemen, terwijl in de artt. 126s en 126t Sv het vereiste is opgenomen dat uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden voortvloeit dat de betrokkene bij het georganiseerd verband wel aan de gesprekken deelneemt die opgenomen zullen worden. Alleen het verdenkingscriterium op basis waarvan de in de titels IVa en V opgenomen bevoegdheden kunnen worden toegepast, verschilt. In titel IVa is voor alle bevoegdheden als verdenkingscriterium opgenomen: een op feiten of omstandigheden gebaseerd redelijk vermoeden dat een strafbaar feit is begaan, terwijl in titel V als verdenkingscriterium is opgenomen: een op feiten of omstandigheden gebaseerd redelijk vermoeden dat in georganiseerd verband misdrijven worden beraamd of gepleegd als omschreven in art. 67 lid 1 Sv, die gezien hun aard of samenhang met andere misdrijven die in dat georganiseerd verband worden beraamd of gepleegd een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren.

Het criterium van de betrokkenheid bij het georganiseerde verband moet worden onderscheiden van de criteria die gelden voor de deelneming aan een criminele organisatie (art. 140 Sr). Voor strafbaarheid van deelneming aan een criminele organisatie is vereist dat deelgenomen is aan een organisatie die als oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Voor het begrip organisatie wordt beslissend geacht dat sprake is van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van meerdere personen.

Blijkens de wetsgeschiedenis mogen de bijzondere opsporingsbevoegdheden niet worden toegepast met de uitsluitende bedoeling om de informatiepositie van de politie te verbeteren. De inzet van de opsporingsbevoegdheden moet een strafvorderlijk doel dienen.

Sinds de inwerkingtreding van de Wet BOB zijn op het gebied van de opsporingsbevoegdheden diverse nieuwe wetten in werking getreden, zoals de Wet Bevoegdheden vorderen gegevens (Stb. 2005, 390), de Wet Computercriminaliteit II (Stb. 2006, 300) en de Wet verruiming mogelijkheden opsporing en vervolging van terroristische misdrijven (Stb. 2006, 731) en zijn thans de bijzondere opsporingsbevoegdheden opgenomen in de titels IVa tot en met VC van Boek I van het Wetboek van Strafvordering.

Het openbaar ministerie heeft op grond van art. 148 Sv het gezag en de verantwoordelijkheid over de opsporing. Deze lijn is in de Wet BOB consequent doorgetrokken en versterkt. Dit betekent dat bijzondere opsporingsbevoegdheden uitsluitend kunnen worden toegepast op bevel of vordering van de officier van justitie of een opsporingsambtenaar (i.g.v. de toepassing van de artt. 126na en 126nc Sv). Bij zeer ingrijpende opsporingsbevoegdheden is bovendien een machtiging van de rechter-commissaris vereist.

Om te bewerkstelligen dat in de praktijk van de opsporing en de vervolging op uniforme wijze uitvoering wordt gegeven aan het bepaalde in de Wet BOB en andere daarmee samenhangende wetten heeft het College van procureurs-generaal (hierna: het College) het Handboek voor de opsporingspraktijk laten uitgeven.

In de tekst van het Handboek werd de Aanwijzing opsporingsbevoegdheden – waarin de voor de (bijzondere) opsporingsbevoegdheden geldende beleidsregels zijn beschreven – verwerkt. Hierdoor kreeg de tekst van het Handboek, met uitzondering van de in het Handboek opgenomen wetteksten, overige regelgeving, jurisprudentie en voorbeelden, de status van aanwijzing.

Inmiddels is de onderhavige nieuwe Aanwijzing opsporingsbevoegdheden opgesteld (inwerkingtreding per 1 maart 2011) die is losgekoppeld van het Handboek. Het Handboek heeft hierdoor geen zelfstandige normatieve werking meer, maar slechts nog een toelichtend karakter. In het Handboek is informatie opgenomen die, hoewel niet dwingend voorgeschreven, van belang is voor de toepassing van bijzondere opsporingsbevoegdheden in de praktijk. Te denken valt bijvoorbeeld aan jurisprudentie, voorbeelden, nadere omschrijvingen van definities en begrippen en procedurebeschrijvingen.

Hoofdstuk 2. Bijzondere opsporingsbevoegdheden

2.1. Betreden besloten plaatsen

De in de artt. 126k/126r Sv geregelde bevoegdheid om besloten plaatsen te betreden is een zelfstandige bijzondere bevoegdheid die moet worden onderscheiden van de in de artt. 126g/126o Sv (stelselmatige observatie) en 126l/126s Sv (opnemen van vertrouwelijke communicatie) geregelde betredingsbevoegdheden. In deze laatste gevallen gaat het namelijk om afgeleide bevoegdheden die de toepassing van een bijzondere opsporingsbevoegdheid mogelijk maken.

In de artt. 126k/126r Sv wordt een limitatieve opsomming gegeven van de opsporingsactiviteiten die op een besloten plaats (niet zijnde een woning) kunnen worden uitgeoefend. Het gaat om het opnemen van die plaats, het aldaar veiligstellen van sporen of het plaatsen van een technisch hulpmiddel teneinde de aanwezigheid of verplaatsing van een goed vast te kunnen stellen.

Indien opsporingsambtenaren in het kader van de uitvoering van een bevel ex artt. 126k/126r Sv in een besloten plaats worden geconfronteerd met voorwerpen waarvan het aanwezig hebben of voorhanden hebben volgens de wet verboden is vanwege schadelijkheid voor de volksgezondheid (bijvoorbeeld drugs) of gevaar voor de veiligheid (bijvoorbeeld vuurwapens) bestaat in beginsel een verplichting tot onmiddellijke inbeslagneming (art. 126ff Sv). In dit geval zal in overleg met de officier van justitie bepaald moeten worden of tot inbeslagneming kan worden overgegaan of dat de inbeslagneming kan worden uitgesteld (zie hieromtrent het paragraaf 4.1 uitgestelde inbeslagneming en het verbod op doorlaten).

In het bevel moeten de feiten en omstandigheden vermeld worden waaruit blijkt dat is voldaan aan de voorwaarden, zoals bedoeld in de artt. 126k/126r lid 1 Sv. Daarnaast zal in het bevel de plaats waarop het bevel betrekking heeft, de wijze waarop aan het bevel uitvoering wordt gegeven en het tijdstip waarop, of de periode waarbinnen aan het bevel uitvoering wordt gegeven, vermeld moeten worden. In het aanvraagproces-verbaal van politie zal reeds zijn ingegaan op voornoemde vereisten, zodat in het bevel van de officier van justitie hiernaar kan worden verwezen. Daarnaast zal in het bevel ook moeten worden aangegeven, voor zover dat van toepassing is, dat zich in een besloten plaats andere besloten ruimten bevinden alwaar moet worden binnengetreden (zoals bijvoorbeeld een container, een afzonderlijke kantoorruimte of een besloten opbergplaats).

Indien technische hulpmiddelen geplaatst moeten worden in een besloten plaats teneinde de aanwezigheid of verplaatsing van een goed vast te kunnen stellen, dan zal dit in het bevel opgenomen moeten worden.

Hoewel de wet niets vermeldt over het verwijderen van technische hulpmiddelen, is het betreden van een besloten plaats, niet zijnde een woning, ter uitvoering van een bevel opnemen van vertrouwelijke communicatie zowel toegestaan om een technisch hulpmiddel te plaatsen als te verwijderen. De bevoegdheid tot het plaatsen van een technisch hulpmiddel omvat namelijk ook de bevoegdheid tot het verwijderen van het hulpmiddel. Ook in het geval de geldigheidsduur van een bevel reeds is verstreken, is het toegestaan dat een besloten plaats wordt betreden om een technisch hulpmiddel (dat nog niet is verwijderd) alsnog te verwijderen.

2.2. Observatie

Er is sprake van stelselmatige observatie in de zin van de artt. 126g/126o Sv indien het observeren van een persoon tot gevolg kan hebben dat er een min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van iemands leven wordt verkregen. Een aantal elementen is hierbij van belang: de duur, de plaats, de intensiteit of de frequentie van de observatie en het gebruik van een technisch hulpmiddel dat meer biedt dan alleen versterking van de zintuigen. Elk voor zich, maar met name in combinatie, zijn deze elementen bepalend voor de beantwoording van de vraag of in een bepaald geval een min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van iemands leven wordt verkregen. Het gaat in het geval van stelselmatige observatie dus om de meer ingrijpende vormen van observatie die een verdergaande inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van de geobserveerde. De officier van justitie zal dan ook vooraf moeten bepalen tot welk resultaat de voorgenomen observaties zouden kunnen leiden. Indien te verwachten valt dat er een min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van iemands leven wordt verkregen, zal de officier van justitie op grond van de artt. 126g/126o Sv een bevel stelselmatige observatie moeten verstrekken.

In het kader van stelselmatige observatie mag slechts gebruik gemaakt worden van een technisch hulpmiddel dat voldoet aan de kwaliteitseisen die zijn uitgewerkt in het Besluit technische hulpmiddelen strafvordering (Stb. 2006, 524 en – dit Besluit is nadien gewijzigd – Stb. 2007, 121). Indien het belang van het onderzoek dat dringend vordert, kan de officier van justitie zonodig bepalen dat in het kader van de uitvoering van een bevel stelselmatige observatie een bepaald technisch hulpmiddel wordt ingezet, terwijl dat technisch hulpmiddel niet is gekeurd of de keuring daarvan is vervallen (art. 17 Besluit technische hulpmiddelen strafvordering).

Het plaatsen van een camera (met zicht) in een woning is niet toegestaan. De wetgever heeft deze vorm van stelselmatige observatie een te forse inbreuk op de privacy gevonden.

Zie wat betreft het betreden van een besloten plaats, niet zijnde een woning, in verband met het plaatsen dan wel verwijderen van technische hulpmiddelen ter uitvoering van een bevel stelselmatige observatie, paragraaf 2.1 Betreden besloten plaatsen, onder Procedure, 3e alinea.

Een bevel van de officier van justitie tot stelselmatige observatie kan aan iedere opsporingsambtenaar worden verstrekt. Gezien het mogelijke afbreukrisico dat de uitvoering van deze bevoegdheid met zich mee kan brengen, verdient het aanbeveling om de leden van een observatieteam te belasten met de uitvoering van een bevel stelselmatige observatie. Het betreden van een besloten plaats (niet zijnde een woning) teneinde aldaar een technisch hulpmiddel te plaatsen ter uitvoering van een bevel stelselmatige observatie – in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in art. 67, eerste lid, Sv dat een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, (art. 126g lid 2/126o leden 1 en 2 Sv) –, mag uitsluitend worden verricht door daartoe door de korpsbeheerder (of diensthoofd indien het een bijzondere opsporingsdienst of de Koninklijke Marechaussee (hierna: KMar) betreft) aangewezen en ter zake deskundige opsporingsambtenaren.

In het bevel stelselmatige observatie moeten de feiten en omstandigheden worden vermeld waaruit blijkt dat is voldaan aan de voorwaarden, zoals bedoeld in de artt. 126g/126o lid 1 Sv (of lid 2 in geval van het betreden van een besloten plaats). Daarnaast zal in het bevel de wijze moeten worden vermeld waarop aan het bevel uitvoering wordt gegeven. Omdat deze vereisten reeds in het aanvraagproces-verbaal van een opsporingsambtenaar zijn beschreven, kan in het bevel worden volstaan met een verwijzing naar dit proces-verbaal. Voorts dient in het bevel expliciet vermeld te worden – voor zover van toepassing – dat er gebruik wordt gemaakt van een naar zijn soort duidelijk omschreven technisch hulpmiddel (zoals een foto- en videocamera, een vaste cameraopstelling of een peilbaken) of dat een besloten plaats wordt betreden teneinde aldaar een technisch hulpmiddel te plaatsen. Het gebruik van enkel zintuigversterkende technische hulpmiddelen behoeft niet in het bevel stelselmatige observatie vermeld te worden.

Indien een officier van justitie tot het oordeel komt dat een voorgenomen observatieactie (waarbij een technisch hulpmiddel zal worden ingezet) geen stelselmatige observatie oplevert, dan zal het resultaat van de door de officier van justitie gemaakte afweging vermeld moeten worden in het proces-verbaal van de opsporingsambtenaar.

2.3. Vorderen van gegevens (tele)communicatie

De aanbieders van een openbaar telecommunicatienetwerk of -dienst hebben op grond van de Telecommunicatiewet de verplichting om medewerking te verlenen aan een vordering op grond van een in dit hoofdstuk te bespreken opsporingsbevoegdheid. Deze plicht tot medewerking geldt slechts ten aanzien van gegevens die de aanbieder bij zijn normale bedrijfsuitoefening ter beschikking heeft of krijgt. Uitzondering hierop is de in art. 13.4 lid 2 Telecommunicatiewet geregelde specifieke bewaarplicht van gegevens die nodig zijn voor het doen van een bestandsanalyse (artt. 126na/126ua lid 2 Sv). Deze gegevens moeten namelijk drie maanden door de aanbieder worden bewaard vanaf het tijdstip waarop deze gegevens voor de eerste maal zijn verwerkt.

In de Telecommunicatiewet is geen verplichting tot medewerking opgenomen voor aanbieders van geheel of gedeeltelijk besloten communicatienetwerken en -diensten alsmede degenen die in de uitoefening van een beroep of bedrijf gegevens verwerken of opslaan ten behoeve van een communicatiedienst of diens gebruikers. Deze aanbieders dienen echter wel te voldoen aan een vordering die bevoegd is gegeven op basis van een in het Wetboek van Strafvordering toegekende bevoegdheid (niet-naleving daarvan is strafbaar op grond van art. 184 Sr). Indien er geen verkeersgegevens of gebruikersgegevens door desbetreffende aanbieder kunnen worden gegenereerd of indien de aanbieder daartoe geen toegang heeft, kan de vordering niet gegeven (en in ieder geval niet opgevolgd) worden.

Op grond van een vordering verstrekking verkeersgegevens kunnen van een aanbieder van een communicatiedienst verkeersgegevens worden verkregen slechts indien er sprake is (geweest) van communicatieverkeer. Dat wil zeggen dat er verbinding (of een poging daartoe) moet zijn (geweest) tussen een geautomatiseerd werk (zoals een telefoon of een computer) en een ander geautomatiseerd werk. Indien een mobiele telefoon slechts stand-by staat, worden er wel locatiegegevens van de betreffende mobiele telefoon gegenereerd, maar deze gegevens kunnen echter niet op grond van de artt. 126n/126u Sv worden gevorderd. In dit geval is er namelijk geen sprake (geweest) van communicatieverkeer. Locatiegegevens kunnen, in het geval een telefoon slechts stand-by staat, wel worden gevorderd op grond van de artt. 126ng/126ug jo 126ne/126ue Sv.

Op grond van de artt. 126n/126u Sv kunnen ook gegevens worden gevorderd over ‘een gebruiker van een communicatiedienst’. Het ligt dus niet voor de hand om op basis van deze artikelen mastverkeersgegevens te vorderen. Mastverkeersgegevens geven namelijk informatie over al het communicatieverkeer dat gedurende een bepaalde periode via een bepaald basisstation (ook wel zendmast of -paal genaamd) heeft plaatsgevonden. Wel zal in de vordering, indien bekend, de naam of anders een zo nauwkeurige aanduiding van de persoon of personen over wie de gegevens worden gevorderd moeten worden opgenomen (art. 126nd, derde lid, Sv). In dit geval zal de bevoegdheid van de artt. 126ng/126ug lid 1 jo 126nd/126ud Sv moeten worden toegepast omdat op grond hiervan gegevens kunnen worden opgevraagd over een groep personen.

Een aanbieder van een openbaar (mobiel) telecommunicatienetwerk of -dienst kan slechts dan overgaan tot het doen van een bestandsanalyse indien door politie of justitie gegevens worden verstrekt over de locaties waar en de tijdstippen waarop de gebruiker gebruik heeft gemaakt van communicatie. Op basis van deze gegevens kan door de aanbieder worden vastgesteld over welke basisstations (ook wel zendmasten of -palen genaamd) de communicatie is verzonden. Vervolgens kan de aanbieder door toepassing van een bestandsanalyse het aansluit- of abonneenummer (en de daaraan gekoppelde gebruikersgegevens) achterhalen.

De IMSI-catcher mag ten behoeve van het vergaren van nummergegevens pas worden ingezet nadat de officier van justitie binnen kantooruren en op werkdagen aan alle aanbieders van een openbaar (mobiel) communicatienetwerk of -dienst een vordering bestandsanalyse heeft gedaan. Indien dusdanige spoed geboden is of in het geval de benodigde informatie niet (tijdig) of niet op voldoende effectieve wijze kan worden verkregen door middel van een bestandsanalyse dan kan ook direct worden overgegaan tot de inzet van de IMSI-catcher.

De IMSI-catcher mag slechts worden toegepast door daartoe aangewezen opsporingsambtenaren die voldoen aan de door de Minister van Justitie vastgestelde eisen betreffende kennis van de juridische, operationele en technische aspecten van het gebruik van de IMSI-catcher. Deze eisen zijn nader uitgewerkt in het Besluit bijzondere vergaring nummergegevens telecommunicatie (Stb. 2002, 31)).

Op grond van de artt. 126ng/126ug lid 1 jo 126nc/126uc-126ne/126ue Sv kan de officier van justitie identificerende en andere dan identificerende gegevens (historische en toekomstige gegevens) vorderen van een aanbieder van een communicatiedienst, voor zover de te vorderen gegevens niet gevorderd kunnen worden op grond van de bevoegdheden tot het vorderen van gebruikersgegevens (artt. 126na/126ua Sv) en verkeersgegevens (artt. 126n/126u Sv). Het gaat hier om bij voorbeeld PUK-codes, mastverkeersgegevens en gegevens over opwaarderen van beltegoed.

Op grond van de artt. 126ng/126ug lid 2 Sv kan de inhoud worden verkregen van e-mail- en voice-mailberichten die ten tijde van de vordering reeds zijn verwerkt (historische gegevens). Ten aanzien van de inhoud van e-mail- of voice-mailberichten die in een toekomstige periode bekeken moeten worden, zal de bevoegdheid tot het opnemen van telecommunicatie ex artt. 126m/126t Sv moeten worden toegepast.

De bevoegdheid tot het vorderen van de bevriezing van gegevens geeft geen bevoegdheid om van een aanbieder van een communicatiedienst te vorderen om heel in het algemeen gegevens voor een bepaalde termijn vast te leggen. Een vordering kan namelijk slechts in een bepaald geval (indien het onderzoek dit dringend vordert) en ten aanzien van gespecificeerde gegevens worden gedaan.

In de artt. 126n/126u (verkeersgegevens) en 126na/126ua Sv (gebruikersgegevens) is het doen van een mondelinge vordering niet geregeld. In de regel zal een vordering dan ook schriftelijk moeten worden gedaan. Naar analogie van de voorschriften die gelden voor het doen van een mondelinge vordering op grond van de artt. 126nc/126uc-126ng/126ug Sv, mag de vordering mondeling worden gedaan, mits deze vordering schriftelijk wordt bevestigd binnen de daarvoor geldende termijn.

De bevraging en verstrekking van gebruikersgegevens verloopt op elektronische wijze via het systeem van het Centraal Informatiepunt voor Onderzoek aan Telecommunicatie (hierna: CIOT). Elk regiokorps beschikt hiertoe over een speciale computer waar slechts geautoriseerde opsporingsambtenaren toegang hebben tot het CIOT-systeem. Met behulp van dit systeem kunnen op volautomatische wijze de maximaal 24 uur oude bestanden van de aanbieders worden bevraagd.

De vordering wordt verstrekt aan een opsporingsambtenaar die geautoriseerd is om op elektronische wijze een bevraging te doen in het CIOT-systeem.

In de schriftelijke vordering bestandsanalyse van de officier van justitie worden tenminste twee tijdstippen waarop en locaties waar de gebruiker kennelijk gebruik heeft gemaakt van telecommunicatie vermeld (art. 5 lid 2 Besluit bijzondere vergaring nummergegevens telecommunicatie). In de vordering worden de gegevens omtrent de tijdstippen met een marge van + en – 5 minuten vermeld.

Een vordering bestandsanalyse wordt binnen kantooruren en op werkdagen verzonden naar alle aanbieders van een openbaar mobiel communicatienetwerk of -dienst. Binnen twee uur nadat de vordering tot bestandsanalyse (en telefonische attendering) is verzonden, zal de aanbieder aangegeven of (en binnen welke tijd) hij aan deze vordering gevolg kan geven. De behandelend officier van justitie zal vervolgens moeten besluiten of de resultaten van de bestandsanalyse afgewacht kunnen worden of dat hij zich rechtstreeks wendt tot de Dienst Specialistische Recherchetoepassingen (hierna: DSRT) van het Korps Landelijke Politiediensten (hierna: KLPD) voor de inzet van de IMSI-catcher.

De officier van justitie kan slechts daartoe aangewezen opsporingsambtenaren van de DSRT van het KLPD schriftelijk bevelen om met behulp van de IMSI-catcher het nummer te achterhalen waarmee de gebruiker van een communicatiedienst kan worden geïdentificeerd.

Indien een officier van justitie wil overgaan tot de inzet van de IMSI-catcher ten behoeve van het vergaren van nummergegevens, dan zal hij, door tussenkomst van het regiokorps van politie, contact moeten opnemen met de DSRT. In het geval de vraag groter is dan de capaciteit van de DSRT zal de officier van justitie telecommunicatie van het Landelijk Parket de aanvragen voor inzet van de IMSI-catcher prioriteren aan de hand van de informatie die bij de DSRT aanwezig is.

Indien er met behulp van de IMSI-catcher gegevens zijn verkregen die niet gebruikt worden om toepassing mogelijk te maken van de bevoegdheden tot het opnemen van telecommunicatie (artt. 126m/126t Sv) of het vorderen van verkeersgegevens (artt. 126n/126u Sv), dan dienen deze gegevens vernietigd te worden.

Door de aangewezen opsporingsambtenaren van de DSRT wordt op grond van art. 4 van het Besluit bijzondere vergaring nummergegevens telecommunicatie een proces-verbaal opgemaakt van de inzet van de IMSI-catcher. In dit proces-verbaal worden onder meer vermeld de data en de tijdstippen waarop en de plaatsen waar de IMSI-catcher is gebruikt en de gegevens die door de inzet van dit apparaat zijn verkregen.

2.4. Opnemen van (tele)communicatie

Indien een bevel opnemen van (tele)communicatie betrekking heeft op telecommunicatie die plaatsvindt via een openbaar telecommunicatienetwerk of met gebruikmaking van een openbare telecommunicatiedienst in de zin van de Telecommunicatiewet, dan geldt als uitgangspunt dat het bevel ten uitvoer wordt gelegd met medewerking van de aanbieder. In het geval de aanbieder geen medewerking kan verlenen of in het geval het belang van de strafvordering zich daartegen verzet, dan kan het opnemen van telecommunicatie ook plaatsvinden zonder medewerking en medeweten van de betreffende aanbieder.

Indien een bevel opnemen van (tele)communicatie betrekking heeft op communicatie die plaatsvindt via een geheel of gedeeltelijk besloten communicatienetwerk of -dienst, dan wordt de aanbieder in de gelegenheid gesteld om vrijwillig zijn medewerking te verlenen aan de tenuitvoerlegging van het bevel. In het geval de aanbieder geen medewerking kan verlenen of in het geval het belang van de strafvordering zich daartegen verzet, dan kan het opnemen van communicatie ook plaatsvinden zonder medewerking en medeweten van de betreffende aanbieder.

In het geval (tele)communicatie buiten medeweten of medewerking van de aanbieder van een communicatiedienst wordt opgenomen, zal het daartoe te gebruiken technische hulpmiddel moeten voldoen aan de eisen die zijn gesteld in het Besluit technische hulpmiddelen strafvordering (Stb. 2006, 524 en – dit Besluit is nadien gewijzigd – Stb. 2007, 121).

Alvorens van de rechter-commissaris wordt gevorderd om een machtiging bevel opnemen van (tele)communicatie af te geven, zal (bijvoorbeeld door middel van een bevraging van het CIOT-systeem) moeten worden nagegaan of het betreffende (aansluit)nummer nog steeds in gebruik is.

Nadat de officier van justitie een machtiging van de rechter-commissaris heeft ontvangen, stelt hij zowel een schriftelijk bevel opnemen van (tele)communicatie op als een vordering medewerking aan een bevel opnemen van (tele)communicatie. Het bevel is gericht tot de opsporingsambtenaar, terwijl de vordering medewerking bestemd is voor de aanbieder. In de vordering medewerking wordt slechts het af te tappen telefoonnummer vermeld omdat het niet noodzakelijk en wenselijk is dat een aanbieder van een communicatiedienst op de hoogte raakt van andere gegevens dan het af te tappen telefoonnummer.

In een bevel opnemen van (tele)communicatie zal het misdrijf en de naam of een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de verdachte vermeld moeten worden. In geval van art. 126t Sv zal een omschrijving gegeven moeten worden van het georganiseerd verband in plaats van de naam of aanduiding van de verdachte. Daarnaast zal in het bevel zo mogelijk het nummer of een andere aanduiding waarmee de individuele gebruiker van de communicatiedienst wordt geïdentificeerd alsmede, voor zover bekend, de naam en het adres van de gebruiker vermeld moeten worden. In het bevel kan slechts één te tappen nummer worden opgenomen. Dit geldt niet in het geval er sprake is van een ISDN-lijn waarbij er sprake is van een hoofdnummer en onderliggende nummers.

In het bevel opnemen van (tele)communicatie en de vordering medewerking dient de naam van de officier van justitie vermeld te worden die het bevel en de vordering, al dan niet namens de zaaksofficier van justitie, heeft getekend.

In geval van dringende noodzaak kan de officier van justitie een mondelinge vordering doen aan de rechter-commissaris. De officier van justitie zal hierop – ter bevestiging van de mondeling gedane vordering – een schriftelijke vordering moeten indienen bij de rechter-commissaris. Het mondelinge bevel van de officier van justitie zal binnen drie dagen op schrift moeten worden gesteld en worden verstrekt aan de betreffende aanbieder. Bij het vaststellen van de dag waarop het mondeling afgegeven bevel schriftelijk bevestigd moet worden, geldt als uitgangspunt dat de dag van afgifte van het mondelinge bevel niet meetelt en dat daarna in werkdagen geteld moet worden.

De officier van justitie zal er op moeten toezien dat de datum van de mondelinge machtiging van de rechter-commissaris op een juiste wijze is opgenomen in de door hem verstrekte schriftelijke machtiging. Deze datum moet overeenstemmen met de datum waarop de tap daadwerkelijk is gaan lopen.

Op grond van de artt. 126m/126t lid 8 jo 126l/126s lid 8 Sv zal de opsporingsambtenaar die belast is met het uitluisteren of uitlezen (in geval van een IP/e-mailtap) van de op te nemen (tele)communicatie binnen drie dagen proces-verbaal op moeten maken. Dit voorschrift heeft geen verdere strekking dan dat binnen genoemde termijn in een proces-verbaal wordt gerelateerd dàt is afgetapt en opgenomen, in welke zaak dit is gebeurd en welke persoon het betreft. Dit betekent dus niet dat de opgenomen (tele)communicatie binnen deze drie dagen ook daadwerkelijk door de opsporingsambtenaar moet zijn uitgewerkt in een proces-verbaal.

Op grond van een bevel tot het opnemen van (tele)communicatie kunnen alleen de e-mailberichten van een gebruiker van een communicatiedienst bekeken worden die betrekking hebben op een toekomstige periode. In geval van e-mailberichten die reeds zijn opgeslagen in een e-mailbox van een gebruiker, dan gaat het echter om ‘historische’ gegevens die betrekking hebben op de inhoud van communicatie. Om deze gegevens te kunnen verkrijgen, zal gebruik gemaakt moeten worden van de bevoegdheid tot het vorderen van in een geautomatiseerd werk opgeslagen gegevens van een aanbieder van een communicatiedienst (artt. 126ng/126ug lid 2 Sv). Zie hieromtrent paragraaf 2.3 Vorderen van gegevens (tele)communicatie.

De in artt. 126m/126t Sv opgenomen bevoegdheid om, zonder medeweten van een aanbieder, (tele)communicatie op te nemen die plaatsvindt via een geheel of gedeeltelijk besloten communicatie-netwerk of -dienst vertoont (enige) overeenkomsten met de bevoegdheid tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie (artt. 126l/126s Sv). Omdat de bevoegdheid tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie meer ingrijpend en risicovol is dan de bevoegdheid tot het opnemen van telecommunicatie, geldt als uitgangspunt dat de bevoegdheid tot het opnemen van telecommunicatie wordt toegepast indien kan worden volstaan met de inzet van deze bevoegdheid.

De EU-rechtshulpovereenkomst heeft de mogelijkheden tot aftappen van telecommunicatie op veel punten vereenvoudigd. Er zijn specifieke procedures tot stand gebracht om de gewenste telecommunicatie op te nemen, ook al bevindt de af te tappen persoon zich op het grondgebied van een andere lidstaat.

Wanneer wordt gevraagd een telefoonnummer te tappen in een andere lidstaat zal dit in beginsel worden gedaan door het direct doorgeleiden van telecommunicatie van het ene naar het andere land (art. 18 EU-rechtshulpovereenkomst). De aangezochte lidstaat heeft slechts beperkte mogelijkheden om tapverzoeken te weigeren.

In art. 20 van de EU-rechtshulpovereenkomst is bepaald dat, wanneer het mogelijk is een persoon in een andere lidstaat van de EU af te tappen zonder technische bijstand van die lidstaat, die lidstaat toestemming moet geven nadat deze lidstaat in kennis is gesteld van het aftappen.

Situaties waarin deze methode van aftappen kan voorkomen zijn:

In het laatste geval wordt een deel van de telecommunicatie die in het buitenland wordt gevoerd door een houder van een Nederlandse GSM-aansluiting via het Nederlandse netwerk afgehandeld. Is met betrekking tot die gebruiker al een tapbevel in Nederland afgegeven, dan zullen ook de door hem in het buitenland gevoerde gesprekken die via het Nederlandse netwerk worden afgehandeld automatisch worden afgetapt en opgenomen.

Het tijdstip waarop de andere lidstaat waar de afgetapte persoon verblijft in kennis moet worden gesteld, is afhankelijk van het moment waarop duidelijk is waar die persoon zich bevindt. Indien voorafgaand aan het tappen bekend is dat de persoon zich in een andere lidstaat bevindt, dan dient die lidstaat vooraf ingelicht te worden. Wordt pas tijdens of na het tappen bekend dat de persoon zich in een andere lidstaat bevindt, dan dient kennisgeving onmiddellijk nadat dit bekend is geworden, te worden gedaan. De verblijfplaats kan bekend worden door verkeersgegevens of door de inhoud van de gevoerde communicatie.

Kennisgeving geschiedt door de voor het bevel tot aftappen verantwoordelijke officier van justitie door tussenkomst van het verantwoordelijke IRC via het bureau SIRENE van de dienst IPOL van het KLPD aan de daartoe aangewezen contactpunten van de lidstaten. Genoemde officier van justitie bewaakt de procedure met betrekking tot de beantwoording van de kennisgeving door de betrokken lidstaat.

Zolang door de in kennis gestelde lidstaat geen beslissing is genomen, mag het tappen worden voortgezet. Het uitgangspunt is dat een dergelijke beslissing uiterlijk binnen 96 uur na de kennisgeving moet worden genomen. In de kennisgeving wordt opgenomen dat indien niet binnen 96 uur een reactie op de kennisgeving is ontvangen, de Nederlandse opsporingsautoriteiten ervan uitgaan dat impliciet toestemming door de betreffende lidstaat is gegeven om de afgetapte communicatie te mogen gebruiken in het Nederlandse opsporingsonderzoek.

De afgetapte gegevens mogen niet worden gebruikt voordat er toestemming is van de lidstaat of wanneer de 96 uur na de kennisgeving is verstreken en er geen reactie is geweest. Dit is alleen anders wanneer betrokken lidstaten hierover afspraken hebben gemaakt of het gebruik noodzakelijk is ter voorkoming van een onmiddellijke en ernstige bedreiging van de openbare veiligheid.

Art. 552oc Sv legt vast hoe een kennisgeving uit het buitenland door de Nederlandse autoriteiten moet worden behandeld. Het bureau SIRENE van de dienst IPOL van het KLPD is aangewezen als nationaal contactpunt voor het ontvangen van kennisgevingen uit de andere lidstaten. Het Bureau zendt elke melding uit het buitenland onverwijld door naar de officier van justitie bij het Landelijk Parket, die verantwoordelijk is voor de behandeling en beantwoording van de melding. Nederland is verplicht om de gegevens uit het buitenland vertrouwelijk te behandelen.

Kenmerkend voor satellietcommunicatie is dat de communicatie verloopt via een grondstation. Deze grondstations zijn slechts in een aantal EU-landen gestationeerd. Hierdoor kan het voorkomen dat het voor een lidstaat technisch niet mogelijk is telecommunicatie te onderscheppen, ook al bevindt de af te tappen persoon zich in de eigen staat. Om te zorgen dat in dergelijke gevallen aftappen mogelijk en gemakkelijk blijft, is in art. 19 van de overeenkomst de mogelijkheid geschapen om af te tappen door tussenkomst van een zogenaamde dienstenverstrekker. Art. 19 lid 1 verplicht de lidstaten waar zich een grondstation bevindt zorg te dragen voor een juridisch basis voor het aftappen door dienstenverstrekkers in andere lidstaten. Op grond van art. 19 lid 2 kan de ‘verzoekende’ lidstaat, zonder tussenkomst van de justitiële autoriteiten van het land waar het grondstation zich bevindt, een bevel aan de dienstenverstrekker op het eigen grondgebied richten. Dit is echter slechts mogelijk indien de af te tappen persoon zich op het grondgebied van de ‘verzoekende’ staat bevindt. De dienstenverstrekker verstrekt vervolgens de telecommunicatie die plaatsvindt op of vanaf het grondgebied van de ‘verzoekende’ lidstaat. De dienstenverstrekker verkrijgt deze informatie van het grondstation, zonder tussenkomst van de (justitiële) autoriteiten van de lidstaat alwaar het grondstation zich bevindt. Art. 19 lid 4 maakt het tevens mogelijk dat een ‘regulier’ verzoek tot aftappen op basis van art. 18 kan worden gedaan. Dit is met name van belang, indien de ‘verzoekende’ staat geen dienstenverstrekker op het eigen grondgebied heeft, dan wel indien de verwachting bestaat dat de te tappen persoon zich zal verplaatsen van de ene naar de andere lidstaat. Wanneer een te tappen persoon gebruik maakt van satellietcommunicatie en zich verplaatst van lidstaat naar lidstaat, stelt een verzoek aan de lidstaat waar het grondstation zich bevindt zeker dat alle telecommunicatie wordt verkregen. Het derde lid van art. 19 maakt het tenslotte mogelijk dat ook een verzoek aan een dienstenverstrekker kan worden gericht in het kader van een rechtshulpverzoek conform 18 lid 2 onder b.

De persoon bevindt zich op het grondgebied van de ‘verzoekende’ staat, maar deze staat kan niet tappen zonder (technische) hulp van een andere staat.

Indien Nederland technische bijstand nodig heeft om de communicatie te tappen, dient een rechtshulpverzoek worden verstuurd met een verzoek om technische bijstand. De aangezochte staat dient hieraan (18 lid 2 sub a) te voldoen zonder inhoudelijke toetsing. Dit is bijvoorbeeld het geval indien er sprake is van satellietcommunicatie en het grondstation zich in een andere staat bevindt.

Indien technische bijstand nodig is voor het tappen van satellietcommunicatie, kan in voorkomende gevallen Nederland in plaats van een rechtshulpverzoek echter ook via een bevel aan een dienstenverstrekker op het eigen grondgebied, de gewenste telecommunicatie laten tappen en/of informatie opvragen. Een rechtshulpverzoek aan de lidstaat waar het grondstation zich bevindt, is dan niet nodig (art. 19 lid 2). Het staat lidstaten volgens art. 19 lid 4 vrij al dan niet van dit alternatief gebruik te maken.

Nederland dient aan verzoeken om technische van andere lidstaten te voldoen zonder inhoudelijke toetsing van die verzoeken. Ook zal Nederland moeten toestaan dat een andere lidstaat rechtstreeks een bevel geeft aan een dienstverstrekker indien een grondstation zich op Nederlands grondgebied bevindt.

De persoon bevindt zich op het grondgebied van een andere lidstaat en tappen is niet mogelijk zonder (technische) hulp van een derde lidstaat.

Het kan ook voorkomen dat de in Nederland af te tappen persoon zich bevindt in de ene lidstaat (B) en dat technische bijstand nodig is van een andere lidstaat (C). In dat geval dient Nederland een rechtshulpverzoek te doen aan lidstaat C (art. 18 lid 2 sub c), nadat voorafgaand toestemming is verkregen van lidstaat B (art. 20 lid 2a en lid 4a subonderdeel i). De mogelijkheid om telecommunicatie op te vragen via een dienstenverstrekker doet zich hier niet voor omdat de af te tappen persoon zich niet op het grondgebied van Nederland bevindt.

Indien Nederland technische bijstand dient te leveren als boven bedoeld, zal het belanghebbende land een rechtshulpverzoek aan Nederland moeten doen, ook al bevindt de af te tappen persoon zich in een andere lidstaat. Nederland dient aan een dergelijk verzoek te voldoen, maar dient wel te controleren of die andere lidstaat toestemming heeft gegeven.

Voor alle inkomende en uitgaande verzoeken zoals hierboven bedoeld is het bureau SIRENE van de dienst IPOL van het KLPD aangewezen als nationaal contactpunt. De daartoe aangewezen officier van justitie bij het landelijk Parket beslist over de inkomende verzoeken vanuit het buitenland, tenzij bekend is in welk arrondissement de uitvoering van een verzoek moet plaatsvinden. In die geval zend genoemde officier het verzoek door aan het IRC waaronder het betreffende arrondissement valt en wordt de beslissing genomen door de IRC-officier van justitie of de officier van justitie in het betreffende arrondissement.

2.5. Opnemen van vertrouwelijke communicatie

Onder vertrouwelijke communicatie in de zin van de artt. 126l/126s Sv moet worden verstaan de uitwisseling van informatie tussen twee of meer personen die in beslotenheid plaatsvindt. Vertrouwelijke communicatie kan op zeer verschillende wijzen plaatsvinden. Op grond van de artt. 126l/126s Sv kan bijvoorbeeld een in beslotenheid gevoerd gesprek, een niet openbaar e-mailbericht of niet voor het publiek bestemd radioverkeer worden opgenomen.

Van vertrouwelijke communicatie in de zin van artt. 126l/126s Sv is géén sprake indien een gesprek in de openbaarheid plaatsvindt en zonder technisch hulpmiddel kan worden afgeluisterd. Daarnaast is er ook geen sprake van vertrouwelijke communicatie indien een persoon hardop in zichzelf praat of in het geval gegevens voor eigen gebruik in een computer worden ingevoerd. In deze laatste gevallen vindt er namelijk geen interactie plaats tussen twee of meer partijen, en is de in de artt. 126l/126s Sv opgenomen bevoegdheid niet toepasbaar.

Ter uitvoering van een bevel opnemen van vertrouwelijke communicatie is het slechts toegestaan om gebruik te maken van een technisch hulpmiddel indien dit voldoet aan de technische en procedurele eisen die zijn opgenomen in het Besluit technische hulpmiddelen strafvordering (Stb. 2006, 524 en – dit Besluit is nadien gewijzigd – Stb. 2007, 121).

Zie wat betreft het betreden van een besloten plaats, niet zijnde een woning, in verband met het plaatsen dan wel verwijderen van technische hulpmiddelen ter uitvoering van een bevel opnemen van vertrouwelijke communicatie, paragraaf 2.1 Betreden besloten plaatsen, onder Procedure, 3e alinea.

Toepassing van de bevoegdheid tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie in de zin van artt. 126l/126s Sv is slechts aan de orde indien er met behulp van een technisch hulpmiddel gegevens, zoals mondelinge gesprekken, worden geregistreerd die onderdeel uitmaken van communicatie. Indien in de openbaarheid een vertrouwelijk gesprek wordt gevoerd dat zonder de inzet van een technisch hulpmiddel door een opsporingsambtenaar kan worden afgeluisterd, is er geen sprake van het opnemen van vertrouwelijke communicatie, en is het toegestaan om dit gesprek mee te luisteren zonder de toepassing van de in de artt. 126l/126s Sv opgenomen bevoegdheid.

Het is toegestaan om tijdens het opnemen van de communicatie ‘live’ mee te luisteren indien er zekerheid bestaat dat de communicatie ook daadwerkelijk met het technische hulpmiddel wordt opgenomen zodat achteraf kan worden vastgesteld wat is afgeluisterd en onderschept.

In art. 126ee Sv is bepaald dat ter uitvoering van een bevel opnemen van vertrouwelijke communicatie slechts gebruik gemaakt mag worden van een technisch hulpmiddel dat voldoet aan de technische en procedurele eisen die bij algemene maatregel van bestuur worden gesteld. Het gaat hier om het Besluit technische hulpmiddelen strafvordering (Stb. 2006, 524 en – dit Besluit is nadien gewijzigd – Stb. 2007, 121).

Indien de kwaliteit van de opgenomen communicatie van een dermate slechte kwaliteit is dat het niet of slechts beperkt bruikbaar is, kan de verstaanbaarheid van de inhoud van het gesprek worden verbeterd met behulp van een technische bewerking. In art. 15 van het Besluit technische hulpmiddelen strafvordering is bepaald dat een technische bewerking alleen mag plaatsvinden op een kopie van de oorspronkelijk geregistreerde communicatie.

Een bevel opnemen van vertrouwelijke communicatie kan slechts door de officier van justitie worden afgegeven, nadat hij op zijn vordering een schriftelijke machtiging heeft gekregen van de rechter-commissaris. Als uitgangspunt geldt echter dat de officier van justitie eerst toestemming dient te verkrijgen binnen de OM-lijn alvorens hij een vordering kan doen aan de rechter-commissaris. Indien er vertrouwelijke communicatie moet worden opgenomen in een besloten plaats dan zal de hoofdofficier van justitie van het betrokken parket hiervoor toestemming moeten geven. In geval van woningen zal het College, na advies van de Centrale Toetsingscommissie (hierna: CTC), toestemming moeten geven. Zie hieromtrent paragraaf 5.1 Centrale Toetsingscommissie (CTC).

Indien bij de toepassing van deze bevoegdheid de facilitaire ondersteuning van de DSRT noodzakelijk wordt geacht, dan zal ook de officier van justitie van het Landelijk Parket die is belast met het gezag over de DSRT bij de interne besluitvorming moeten worden betrokken.

Ook in het geval de officier van justitie voornemens is bij de rechter-commissaris een vordering te doen ter verlenging van een bevel tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie, dan zal hij opnieuw eerst binnen de OM-lijn hiervoor toestemming moeten krijgen.

Nadat de officier van justitie een machtiging van de rechter-commissaris heeft ontvangen, stelt hij een schriftelijk bevel opnemen van vertrouwelijke communicatie op. In dit bevel zal het misdrijf en de naam of een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de verdachte vermeld moeten worden. In geval van art. 126s Sv zal een omschrijving gegeven moeten worden van het georganiseerd verband in plaats van de naam of aanduiding van de verdachte. Daarnaast moet in het bevel tenminste één van de personen worden genoemd die aan de communicatie deel zal nemen. Indien het bevel betrekking heeft op een situatie waarbij een technisch hulpmiddel wordt geplaatst in een besloten plaats of een vervoermiddel dan kan in dit geval ook worden volstaan met een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van die plaats of dat vervoermiddel. Tot slot zal in het bevel de wijze vermeld moeten worden waarop aan het bevel uitvoering zal worden gegeven.

In het bevel opnemen van vertrouwelijke communicatie dient voorts de naam van de officier van justitie vermeld te worden die het bevel, al dan niet namens de zaaksofficier van justitie, heeft getekend.

Indien ter uitvoering van een bevel opnemen van vertrouwelijke communicatie een woning moet worden betreden, dan zal de officier van justitie, alvorens hij van de rechter-commissaris een machtiging vordert, eerst toestemming moeten verkrijgen van het College Het College beslist, na advies van de CTC, over de toepassing van de bevoegdheid. Zie hieromtrent paragraaf 5.1 Centrale Toetsingscommissie (CTC).

De toestemming van het College is aan een termijn gebonden. Deze termijn behoeft niet gelijk te zijn aan de wettelijke geldigheidsduur van het bevel van de officier van justitie van ten hoogste vier weken. Indien toestemming is gegeven voor een termijn die de geldigheidsduur van het bevel overstijgt, kan het bevel met inachtneming van die termijn en na machtiging van de rechter-commissaris worden verlengd. Zie hieromtrent paragraaf 5.1 Centrale Toetsingscommissie (CTC).

In geval van dringende noodzaak behoort een spoedprocedure, met inachtneming van de duur van het haalbaarheidsonderzoek en de capacitaire beschikbaarheid van mensen en middelen, tot de mogelijkheden. De behandelend officier van justitie bepaalt of er sprake is van een dringende noodzaak.

Een officier van justitie kan mondeling een bevel opnemen van vertrouwelijke communicatie afgeven, nadat hij binnen de OM-lijn (zie hiervoor) toestemming heeft verkregen en hij op zijn vordering een mondelinge machtiging heeft gekregen van de rechter-commissaris. Uitzondering hierop betreft de situatie waarbij ter uitvoering van een bevel een woning moet worden betreden. In zo’n geval kan zowel het bevel van de officier van justitie als de machtiging van de rechter-commissaris (ook in geval van dringende noodzaak) uitsluitend schriftelijk worden gegeven.

De officier van justitie zal ter bevestiging van de mondeling gedane vordering een schriftelijke vordering moeten indienen bij de rechter-commissaris. Het mondelinge bevel van de officier van justitie zal, nadat de rechter-commissaris een schriftelijke machtiging heeft afgegeven, binnen drie dagen op schrift moeten worden gesteld en worden verstrekt aan de DSRT. Bij het vaststellen van de dag waarop het mondeling afgegeven bevel schriftelijk bevestigd moet worden, geldt als uitgangspunt dat de dag van afgifte van het mondelinge bevel niet meetelt en dat daarna in werkdagen geteld moet worden.

De officier van justitie zal erop moeten toezien dat de datum van de mondelinge machtiging van de rechter-commissaris op een juiste wijze is opgenomen in de door hem verstrekte schriftelijke machtiging. Deze datum moet overeenstemmen met de datum waarop het opnemen van vertrouwelijke communicatie daadwerkelijk is gaan lopen.

In lid 1 van de artt. 126l/126s Sv is bepaald dat vertrouwelijke communicatie alleen kan worden opgenomen door opsporingsambtenaren als bedoeld in art. 141, onderdelen b en (per 1 juli 2009 (Stb. 2009, 263) c Sv. Dit betekent dat opsporingsambtenaren van politie en (aangewezen) militairen van de KMar kunnen worden belast met de uitvoering van een bevel tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie. Hoewel de opsporingsambtenaren van de bijzondere opsporingsdiensten op grond van de artt. 126l/126s Sv niet bevoegd zijn om vertrouwelijke communicatie op te nemen, zijn deze opsporingsambtenaren wel bevoegd om eenmaal opgenomen communicatie uit te werken en te analyseren.

M.i.v. 1 januari 2007 is het Besluit technische hulpmiddelen strafvordering (Stb. 2006, 524 en – dit Besluit is nadien gewijzigd – Stb. 2007, 121) van kracht. Gevolg hiervan is onder meer dat de exclusieve bevoegdheid van het KLPD, in het bijzonder de DSRT voor zowel opslag van technische hulpmiddelen als voor de plaatsing in besloten plaatsen, d.w.z. betreden zonder toestemming van de rechthebbende, is verlaten. Ingevolge art. 7 van dit Besluit gelden er verschillende deskundigheidseisen. Bepalend is nu of een opsporingsambtenaar over de vereiste certificering beschikt: voor de betreding en plaatsing in bijv. een auto geldt een andere certificering dan voor een woning (zie art. 7 lid 2 van het Besluit). In de praktijk is de expertise en daarbij behorende certificering voor het betreden van woningen en andere besloten plaatsen (niet zijnde voertuigen) (voorlopig) alleen bij de DSRT aanwezig.

Op grond van de artt. 126m/126t lid 8 jo 126l/126s lid 8 Sv zal de opsporingsambtenaar die belast is met het uitluisteren of uitlezen van de opgenomen vertrouwelijke communicatie binnen drie dagen proces-verbaal op moeten maken. Dit voorschrift heeft geen verdere strekking dan dat binnen genoemde termijn in een proces-verbaal wordt gerelateerd dàt vertrouwelijke communicatie is afgetapt en opgenomen, in welke zaak dit is gebeurd en welke persoon het betreft. Dit betekent dus niet dat de opgenomen vertrouwelijke communicatie binnen deze drie dagen ook daadwerkelijk door de opsporingsambtenaar moet zijn uitgewerkt in een proces-verbaal.

2.6. Stelselmatige informatie-inwinning door een opsporingsambtenaar

Er is sprake van stelselmatige informatie-inwinning door een opsporingsambtenaar indien door het inwinnen van informatie een min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van iemands leven wordt verkregen.

Er is geen bevel vereist voor het heimelijk inwinnen van informatie dat het karakter van stelselmatigheid mist en waarbij dus niet een min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van iemands leven wordt verkregen. Volgens vaste rechtspraak kan dergelijk politieoptreden plaatsvinden op grond van art. 2 Politiewet en/of de artt. 141/142 Sv en/of art. 3 Wet op de bijzondere opsporingsdiensten. Deze algemene taakstellende artikelen leveren namelijk een voldoende wettelijke basis op voor die vormen van informatie-inwinning die geen, dan wel slechts een beperkte, inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van de persoon over wie informatie wordt ingewonnen. Omdat de mate van misleiding van de betrokken perso(o)n(en) risico’s ten aanzien van de integriteit in de opsporing met zich mee kunnen brengen, kan het in sommige gevallen waarbij er, gelet op de aard van de te verkrijgen informatie, geen sprake is van stelselmatige informatie-inwinning toch gewenst zijn om een bevel af te geven.

De opsporingsambtenaar die uitvoering geeft aan een bevel stelselmatige informatie-inwinning mag zich in die hoedanigheid niet schuldig maken aan of betrokken zijn bij het plegen van strafbare feiten. De opsporingsambtenaar die stelselmatig informatie inwint kan echter in een situatie belanden waarin hij noodgedwongen, bijvoorbeeld in het kader van de instandhouding en opbouw van zijn dekmantel, een strafbaar feit moet plegen. Indien het in dit geval niet mogelijk is dat door de officier van justitie mondeling een bevel pseudokoop of -dienstverlening wordt verleend, is de opsporingsambtenaar in beginsel als verdachte strafrechtelijk aansprakelijk. Hij kan immers geen beroep doen op art. 43 Sr. De officier van justitie zal dan achteraf moeten beoordelen of het verrichten van de strafbare handelingen aanvaardbaar of onontkoombaar was in het licht van de uit te voeren undercoveroperatie. Mocht dit inderdaad het geval zijn geweest, dan kan de officier van justitie besluiten om niet tot vervolging over te gaan.

Indien er twijfel bestaat of de in een bepaald onderzoek voorgenomen of aangevangen informatie-inwinning aangemerkt dient te worden als infiltratie, moet voor wat betreft het toetsingstraject worden gekozen voor het infiltratieregime. Dit heeft met name als consequentie dat in de goedkeuringsprocedure, via de CTC, het College moet worden betrokken.

In het bevel moeten ondermeer de feiten en omstandigheden worden vermeld waaruit blijkt dat is voldaan aan de voorwaarden, zoals bedoeld in de artt. 126j/126qa lid 1 Sv. Ook zal in het bevel de wijze waarop aan het bevel uitvoering wordt gegeven, moeten worden vermeld. Omdat deze vereisten reeds in het aanvraagproces-verbaal van een opsporingsambtenaar zijn beschreven, kan in het bevel worden volstaan met een verwijzing naar dit proces-verbaal.

Ten aanzien van de beschrijving van de wijze waarop aan het bevel uitvoering wordt gegeven, kan worden gedacht aan het vermelden van de locaties waar de opsporingsambtenaar informatie zal verzamelen, de personen met wie de opsporingsambtenaar in contact zal treden of de inzet van de unit Werken onder Dekmantel (hierna: unit WOD). Gezien het mogelijke afbreukrisico die de uitvoering van deze bevoegdheid met zich mee kan brengen, is vakkundigheid gewenst. In de praktijk worden dan ook veelal opsporingsambtenaren van de unit WOD te worden belast met de uitvoering van een bevel ex artt. 126j/126qa Sv.

Een bevel stelselmatig inwinnen van informatie kan zowel worden gegeven aan opsporingsambtenaren van politie (art. 141 onderdeel b Sv) als aan opsporingsambtenaren van de KMar of de bijzondere opsporingsambtenaren (art. 141, onderdeel c of art. 142 Sv). Deze opsporingsambtenaren kunnen lid zijn van de unit WOD.

Bij voorkeur wordt een bevel stelselmatig inwinnen van informatie uitgevoerd door een functionaris van de unit WOD. Een opsporingsambtenaar die geen lid is van de unit WOD kan alleen worden belast met de uitvoering van een bevel stelselmatige informatie-inwinning indien hij beschikt over de specifieke kennis en vaardigheden die nodig zijn voor de uitvoering van deze bevoegdheid. Voor de opsporingsambtenaren van de KMar of de bijzondere opsporingsdiensten geldt daarnaast de in de artt. 2 en 3 van het Samenwerkingsbesluit bijzondere opsporingsbevoegdheden (Stb. 1999, 549) genoemde voorwaarden. Deze voorwaarden hebben betrekking op de opleiding en samenwerking met opsporingsambtenSamenwerkingsbesluit bijzondere opsporingsbevoegdhedenaren van politie als bedoeld in art. 141 sub b Sv.

In het geval een opsporingsambtenaar die geen lid is van de unit WOD wordt belast met de uitvoering van een bevel stelselmatige informatie-inwinning, dan moet deze opsporingsambtenaar gedurende de uitvoering van het bevel worden begeleid door een begeleider van de unit WOD.

Indien te verwachten valt dat de opsporingsambtenaar die stelselmatig informatie inwint gedurende enige (soms langere) tijd met een aangenomen (valse) identiteit frequent in de omgeving van de verdachte verkeert, is het in beginsel geboden (in verband met mogelijke afbreukrisico’s) om leden van de unit WOD met de uitvoering van een bevel te belasten. De officier van justitie beslist hierover. De inzet van de unit WOD zal in ieder geval geboden zijn wanneer het er naar uitziet dat (na verloop van tijd) het stelselmatig inwinnen van informatie zal overgaan in een infiltratieactie. Zie hieromtrent de Regeling infiltratieteams (Stcrt. 2000, nr. 7).

De opsporingsambtenaar die is belast met de uitvoering van een bevel stelselmatig inwinnen van informatie zal de door hem uitgevoerde opsporingsactiviteiten en de door hem geconstateerde bevindingen moeten vastleggen in een verslag of journaal. Dit is een intern werkdocument van de politie dat niet bij de processtukken hoeft te worden gevoegd. Daarnaast zal de opsporingsambtenaar een proces-verbaal moeten opmaken waarin de voor de zaak relevante gegevens (zowel in ontlastende als belastende zin) staan gerelateerd. Dit proces-verbaal moet wel bij de processtukken worden gevoegd.

De bevoegdheid tot het stelselmatig inwinnen van informatie onderscheidt zich van de bevoegdheid tot stelselmatige observatie doordat de opsporingsambtenaar zich niet beperkt tot het stelselmatig volgen of het waarnemen van het gedrag van een persoon, maar actief interfereert in het leven van de verdachte of de betrokkene van een georganiseerd verband.

Een opsporingsambtenaar die stelselmatig informatie inwint, zal zich op een zodanige wijze in de directe omgeving van de verdachte of de betrokkene ophouden dat hij daardoor met personen contacten onderhoudt uit die directe omgeving. Terwijl een opsporingsambtenaar die stelselmatig observeert slechts heimelijk het gedrag van die personen waarneemt.

De bevoegdheid tot infiltratie onderscheidt zich van de bevoegdheid tot het stelselmatig inwinnen van informatie doordat de opsporingsambtenaar in het laatste geval niet bevoegd is om strafbare feiten te plegen. De opsporingsambtenaar die uitvoering geeft aan een bevel stelselmatig inwinnen van informatie zal zich beperken tot het inwinnen van informatie over een verdachte of een persoon waarvan het vermoeden bestaat dat hij betrokken is bij een georganiseerd verband. In dit kader is het toegestaan dat de opsporingsambtenaar contacten onderhoudt met andere personen dan de verdachte of een persoon die betrokken is bij een georganiseerd verband, maar hij zal in dit geval niet meewerken of deelnemen aan een criminele groepering, zoals in geval van infiltratie.

De bevoegdheid tot infiltratie op grond van art. 126h Sv kan slechts worden toegepast in het geval er sprake is van een groep van personen waarbinnen misdrijven worden beraamd of gepleegd. Deze voorwaarde geldt niet bij de toepassing van de bevoegdheid tot het stelselmatig inwinnen van informatie op grond van art. 126j Sv. Daarnaast kan de bevoegdheid tot het stelselmatig inwinnen van informatie worden toegepast in het belang van het onderzoek. Het onderzoek hoeft het niet dringend te vorderen, zoals in geval van infiltratie.

Tot slot is bij de uitvoering van een bevel stelselmatig inwinnen van informatie de inzet van een infiltratieteam niet verplicht, maar wel gewenst in verband met het afbreukrisico en de veiligheid van de in te zetten opsporingsambtenaren.

De bevoegdheid tot het stelselmatig inwinnen van informatie onderscheidt zich van de bevoegdheid tot pseudo-koop of -dienstverlening doordat de opsporingsambtenaar in geval van pseudo-koop of -dienstverlening bevoegd is om strafbare feiten te plegen. Dit is niet toegestaan bij het stelselmatig inwinnen van informatie. De bevoegdheid tot het stelselmatig inwinnen van informatie wordt toegepast met de bedoeling om informatie in te winnen over de verdachte waardoor een min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van diens leven wordt verkregen, terwijl de bevoegdheid tot pseudo-koop of -dienstverlening veelal zal worden toegepast ter verkrijging van het bewijs van het aanwezig hebben en/of het afleveren van verboden voorwerpen.

De bevoegdheid tot pseudo-koop of -dienstverlening ex art. 126i Sv kan slechts worden toegepast ten aanzien van een verdachte. De bevoegdheid tot het stelselmatig inwinnen van informatie kan daarentegen ook worden toegepast ten aanzien van andere personen dan de verdachte (zoals personen die contacten onderhouden met de verdachte). Door het onderhouden van contacten met deze personen kan er namelijk ook informatie worden ingewonnen over de verdachte.

2.7. Stelselmatige informatie-inwinning door een burger

Een overeenkomst tot stelselmatige informatie-inwinning door een burger kan zowel worden gesloten met een door de CIE gerunde informant als met een ‘normale’ burger. In het eerste geval zal de informant worden begeleid door de CIE (‘runnen’). Om de veiligheid van de informant te beschermen zal zijn identiteit worden afgeschermd. Het belang van afscherming brengt met zich mee dat de verkregen informatie alleen als sturingsinformatie in het opsporingsonderzoek kan worden gebruikt. Daartoe wordt een CIE-proces-verbaal uitgegeven. In het tweede geval zal de burger worden ingezet en begeleid door het tactisch onderzoeksteam, waarbij in beginsel gebruik dient te worden gemaakt van de diensten van de unit WOD. Ook langs deze weg kan sturingsinformatie verzameld worden. Als het doel van de inzet van de informant echter is om bewijs te verzamelen jegens personen, dan moet ernstig rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat de burger als getuige ter terechtzitting zal worden opgeroepen. Het is immers bepaald niet uitgesloten dat de rechter, al dan niet op aandringen van de verdediging, de getuige nader wil horen, ter toetsing van het bewijs. Daarom dient de burger te worden voorbereid op die mogelijkheid en zich in dat geval vooraf bereid te verklaren, te zijner tijd als getuige op te treden. Het is dan ook essentieel in een vroeg stadium onder ogen te zien of de informatie van de burger een sturingsfunctie heeft of als de ingewonnen informatie dat mogelijk maakt (ook) een bewijsfunctie’.

Het werken met ‘gewone’ informanten (die door de CIE worden gerund) behoeft geen expliciete wettelijke basis, zo lang er geen sprake is van stelselmatige informatie-inwinning. Het optreden van die informant kan worden gebaseerd op art. 2 Politiewet 1993 en/of artt. 141 en 142 Sv en/of art. 3 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)