Aanwijzing opsporingsbevoegdheden

Type Beleidsregel
Publication 2014-09-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Hoofdstuk 1. Algemeen

1.1. Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden

Op 1 februari 2000 is de Wet Bijzondere opsporingsbevoegdheden (hierna: Wet BOB) in werking getreden. Deze wet introduceerde in Boek I van het Wetboek van Strafvordering een regeling voor nieuwe opsporingsbevoegdheden en daarmee samenhangende procedures. Deze wet was een uitvloeisel van het onderzoek dat door de Parlementaire Enquêtecommissie Opsporingsmethoden (PEC) is verricht naar de praktijk van de opsporing en de door deze commissie gedane normeringvoorstellen.

Deze Wet BOB bevat:

Met deze wet kregen opsporingsmethoden die risicovol zijn voor de integriteit en de beheersbaarheid van de opsporing, dan wel die naar huidig inzicht een meer dan beperkte inbreuk kunnen maken op grondrechten van burgers, een specifieke basis in het Wetboek van Strafvordering.

De bijzondere opsporingsbevoegdheden zijn opgenomen in de titels IVa en V. Inhoudelijk gezien komt de omschrijving van de in deze titels opgenomen opsporingsbevoegdheden nagenoeg overeen en gelden vrijwel ook dezelfde procedurele voorschriften.1Uitzonderingen hierop zijn de artt. 126l/126s Sv en artt. 126m/126t Sv. In de artt. 126l en 126m Sv geldt niet het vereiste dat verdachte aan het gesprek moet deelnemen, terwijl in de artt. 126s en 126t Sv het vereiste is opgenomen dat uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden voortvloeit dat de betrokkene bij het georganiseerd verband wel aan de gesprekken deelneemt die opgenomen zullen worden. Alleen het verdenkingscriterium op basis waarvan de in de titels IVa en V opgenomen bevoegdheden kunnen worden toegepast, verschilt. In titel IVa is voor alle bevoegdheden als verdenkingscriterium opgenomen: een op feiten of omstandigheden gebaseerd redelijk vermoeden dat een strafbaar feit is begaan, terwijl in titel V als verdenkingscriterium is opgenomen: een op feiten of omstandigheden gebaseerd redelijk vermoeden dat in georganiseerd verband misdrijven worden beraamd of gepleegd als omschreven in art. 67 lid 1 Sv, die gezien hun aard of samenhang met andere misdrijven die in dat georganiseerd verband worden beraamd of gepleegd een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren.

Het criterium van de betrokkenheid bij het georganiseerde verband moet worden onderscheiden van de criteria die gelden voor de deelneming aan een criminele organisatie (art. 140 Sr). Voor strafbaarheid van deelneming aan een criminele organisatie is vereist dat deelgenomen is aan een organisatie die als oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Voor het begrip organisatie wordt beslissend geacht dat sprake is van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van meerdere personen.

Blijkens de wetsgeschiedenis mogen de bijzondere opsporingsbevoegdheden niet worden toegepast met de uitsluitende bedoeling om de informatiepositie van de politie te verbeteren. De inzet van de opsporingsbevoegdheden moet een strafvorderlijk doel dienen.

Sinds de inwerkingtreding van de Wet BOB zijn op het gebied van de opsporingsbevoegdheden diverse nieuwe wetten in werking getreden, zoals de Wet Bevoegdheden vorderen gegevens (Stb. 2005, 390), de Wet Computercriminaliteit II (Stb. 2006, 300) en de Wet verruiming mogelijkheden opsporing en vervolging van terroristische misdrijven (Stb. 2006, 731) en zijn thans de bijzondere opsporingsbevoegdheden opgenomen in de titels IVa tot en met VC van Boek I van het Wetboek van Strafvordering.

Het openbaar ministerie heeft op grond van art. 148 Sv het gezag en de verantwoordelijkheid over de opsporing. Deze lijn is in de Wet BOB consequent doorgetrokken en versterkt. Dit betekent dat bijzondere opsporingsbevoegdheden uitsluitend kunnen worden toegepast op bevel of vordering van de officier van justitie of een opsporingsambtenaar (i.g.v. de toepassing van de artt. 126na en 126nc Sv). Bij zeer ingrijpende opsporingsbevoegdheden is bovendien een machtiging van de rechter-commissaris vereist.

Om te bewerkstelligen dat in de praktijk van de opsporing en de vervolging op uniforme wijze uitvoering wordt gegeven aan het bepaalde in de Wet BOB en andere daarmee samenhangende wetten heeft het College van procureurs-generaal (hierna: het College) het Handboek voor de opsporingspraktijk laten uitgeven.

In de tekst van het Handboek werd de Aanwijzing opsporingsbevoegdheden – waarin de voor de (bijzondere) opsporingsbevoegdheden geldende beleidsregels zijn beschreven – verwerkt. Hierdoor kreeg de tekst van het Handboek, met uitzondering van de in het Handboek opgenomen wetteksten, overige regelgeving, jurisprudentie en voorbeelden, de status van aanwijzing.

Inmiddels is de onderhavige nieuwe Aanwijzing opsporingsbevoegdheden opgesteld (inwerkingtreding per 1 maart 2011) die is losgekoppeld van het Handboek. Het Handboek heeft hierdoor geen zelfstandige normatieve werking meer, maar slechts nog een toelichtend karakter. In het Handboek is informatie opgenomen die, hoewel niet dwingend voorgeschreven, van belang is voor de toepassing van bijzondere opsporingsbevoegdheden in de praktijk. Te denken valt bijvoorbeeld aan jurisprudentie, voorbeelden, nadere omschrijvingen van definities en begrippen en procedurebeschrijvingen.

Hoofdstuk 2. Bijzondere opsporingsbevoegdheden

2.1. Betreden besloten plaatsen

De in de artt. 126k/126r Sv geregelde bevoegdheid om besloten plaatsen te betreden is een zelfstandige bijzondere bevoegdheid die moet worden onderscheiden van de in de artt. 126g/126o Sv (stelselmatige observatie) en 126l/126s Sv (opnemen van vertrouwelijke communicatie) geregelde betredingsbevoegdheden. In deze laatste gevallen gaat het namelijk om afgeleide bevoegdheden die de toepassing van een bijzondere opsporingsbevoegdheid mogelijk maken.

In de artt. 126k/126r Sv wordt een limitatieve opsomming gegeven van de opsporingsactiviteiten die op een besloten plaats (niet zijnde een woning) kunnen worden uitgeoefend. Het gaat om het opnemen van die plaats, het aldaar veiligstellen van sporen of het plaatsen van een technisch hulpmiddel teneinde de aanwezigheid of verplaatsing van een goed vast te kunnen stellen.

Indien opsporingsambtenaren in het kader van de uitvoering van een bevel ex artt. 126k/126r Sv in een besloten plaats worden geconfronteerd met voorwerpen waarvan het aanwezig hebben of voorhanden hebben volgens de wet verboden is vanwege schadelijkheid voor de volksgezondheid (bijvoorbeeld drugs) of gevaar voor de veiligheid (bijvoorbeeld vuurwapens) bestaat in beginsel een verplichting tot onmiddellijke inbeslagneming (art. 126ff Sv). In dit geval zal in overleg met de officier van justitie bepaald moeten worden of tot inbeslagneming kan worden overgegaan of dat de inbeslagneming kan worden uitgesteld (zie hieromtrent het paragraaf 4.1 uitgestelde inbeslagneming en het verbod op doorlaten).

In het bevel moeten de feiten en omstandigheden vermeld worden waaruit blijkt dat is voldaan aan de voorwaarden, zoals bedoeld in de artt. 126k/126r lid 1 Sv. Daarnaast zal in het bevel de plaats waarop het bevel betrekking heeft, de wijze waarop aan het bevel uitvoering wordt gegeven en het tijdstip waarop, of de periode waarbinnen aan het bevel uitvoering wordt gegeven, vermeld moeten worden. In het aanvraagproces-verbaal van politie zal reeds zijn ingegaan op voornoemde vereisten, zodat in het bevel van de officier van justitie hiernaar kan worden verwezen. Daarnaast zal in het bevel ook moeten worden aangegeven, voor zover dat van toepassing is, dat zich in een besloten plaats andere besloten ruimten bevinden alwaar moet worden binnengetreden (zoals bijvoorbeeld een container, een afzonderlijke kantoorruimte of een besloten opbergplaats).

Indien technische hulpmiddelen geplaatst moeten worden in een besloten plaats teneinde de aanwezigheid of verplaatsing van een goed vast te kunnen stellen, dan zal dit in het bevel opgenomen moeten worden.

Hoewel de wet niets vermeldt over het verwijderen van technische hulpmiddelen, is het betreden van een besloten plaats, niet zijnde een woning, ter uitvoering van een bevel opnemen van vertrouwelijke communicatie zowel toegestaan om een technisch hulpmiddel te plaatsen als te verwijderen. De bevoegdheid tot het plaatsen van een technisch hulpmiddel omvat namelijk ook de bevoegdheid tot het verwijderen van het hulpmiddel. Ook in het geval de geldigheidsduur van een bevel reeds is verstreken, is het toegestaan dat een besloten plaats wordt betreden om een technisch hulpmiddel (dat nog niet is verwijderd) alsnog te verwijderen.

2.2. Observatie

Er is sprake van stelselmatige observatie in de zin van de artt. 126g/126o Sv indien het observeren van een persoon tot gevolg kan hebben dat er een min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van iemands leven wordt verkregen. Een aantal elementen is hierbij van belang: de duur, de plaats, de intensiteit of de frequentie van de observatie en het gebruik van een technisch hulpmiddel dat meer biedt dan alleen versterking van de zintuigen. Elk voor zich, maar met name in combinatie, zijn deze elementen bepalend voor de beantwoording van de vraag of in een bepaald geval een min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van iemands leven wordt verkregen. Het gaat in het geval van stelselmatige observatie dus om de meer ingrijpende vormen van observatie die een verdergaande inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van de geobserveerde. De officier van justitie zal dan ook vooraf moeten bepalen tot welk resultaat de voorgenomen observaties zouden kunnen leiden. Indien te verwachten valt dat er een min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van iemands leven wordt verkregen, zal de officier van justitie op grond van de artt. 126g/126o Sv een bevel stelselmatige observatie moeten verstrekken.

In het kader van stelselmatige observatie mag slechts gebruik gemaakt worden van een technisch hulpmiddel dat voldoet aan de kwaliteitseisen die zijn uitgewerkt in het Besluit technische hulpmiddelen strafvordering (Stb. 2006, 524 en – dit Besluit is nadien gewijzigd – Stb. 2007, 121). Indien het belang van het onderzoek dat dringend vordert, kan de officier van justitie zonodig bepalen dat in het kader van de uitvoering van een bevel stelselmatige observatie een bepaald technisch hulpmiddel wordt ingezet, terwijl dat technisch hulpmiddel niet is gekeurd of de keuring daarvan is vervallen (art. 17 Besluit technische hulpmiddelen strafvordering).

Het plaatsen van een camera (met zicht) in een woning is niet toegestaan. De wetgever heeft deze vorm van stelselmatige observatie een te forse inbreuk op de privacy gevonden.

Zie wat betreft het betreden van een besloten plaats, niet zijnde een woning, in verband met het plaatsen dan wel verwijderen van technische hulpmiddelen ter uitvoering van een bevel stelselmatige observatie, paragraaf 2.1 Betreden besloten plaatsen, onder Procedure, 3e alinea.

Een bevel van de officier van justitie tot stelselmatige observatie kan aan iedere opsporingsambtenaar worden verstrekt. Gezien het mogelijke afbreukrisico dat de uitvoering van deze bevoegdheid met zich mee kan brengen, verdient het aanbeveling om de leden van een observatieteam te belasten met de uitvoering van een bevel stelselmatige observatie. Het betreden van een besloten plaats (niet zijnde een woning) teneinde aldaar een technisch hulpmiddel te plaatsen ter uitvoering van een bevel stelselmatige observatie – in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in art. 67, eerste lid, Sv dat een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, (art. 126g lid 2/126o leden 1 en 2 Sv) –, mag uitsluitend worden verricht door daartoe door de korpsbeheerder (of diensthoofd indien het een bijzondere opsporingsdienst of de Koninklijke Marechaussee (hierna: KMar) betreft) aangewezen en ter zake deskundige opsporingsambtenaren.

In het bevel stelselmatige observatie moeten de feiten en omstandigheden worden vermeld waaruit blijkt dat is voldaan aan de voorwaarden, zoals bedoeld in de artt. 126g/126o lid 1 Sv (of lid 2 in geval van het betreden van een besloten plaats). Daarnaast zal in het bevel de wijze moeten worden vermeld waarop aan het bevel uitvoering wordt gegeven. Omdat deze vereisten reeds in het aanvraagproces-verbaal van een opsporingsambtenaar zijn beschreven, kan in het bevel worden volstaan met een verwijzing naar dit proces-verbaal. Voorts dient in het bevel expliciet vermeld te worden – voor zover van toepassing – dat er gebruik wordt gemaakt van een naar zijn soort duidelijk omschreven technisch hulpmiddel (zoals een foto- en videocamera, een vaste cameraopstelling of een peilbaken) of dat een besloten plaats wordt betreden teneinde aldaar een technisch hulpmiddel te plaatsen. Het gebruik van enkel zintuigversterkende technische hulpmiddelen behoeft niet in het bevel stelselmatige observatie vermeld te worden.

Indien een officier van justitie tot het oordeel komt dat een voorgenomen observatieactie (waarbij een technisch hulpmiddel zal worden ingezet) geen stelselmatige observatie oplevert, dan zal het resultaat van de door de officier van justitie gemaakte afweging vermeld moeten worden in het proces-verbaal van de opsporingsambtenaar.

2.3. Vorderen van gegevens (tele)communicatie

De aanbieders van een openbaar telecommunicatienetwerk of -dienst hebben op grond van de Telecommunicatiewet de verplichting om medewerking te verlenen aan een vordering op grond van een in dit hoofdstuk te bespreken opsporingsbevoegdheid. Deze plicht tot medewerking geldt slechts ten aanzien van gegevens die de aanbieder bij zijn normale bedrijfsuitoefening ter beschikking heeft of krijgt. Uitzondering hierop is de in art. 13.4 lid 2 Telecommunicatiewet geregelde specifieke bewaarplicht van gegevens die nodig zijn voor het doen van een bestandsanalyse (artt. 126na/126ua lid 2 Sv). Deze gegevens moeten namelijk drie maanden door de aanbieder worden bewaard vanaf het tijdstip waarop deze gegevens voor de eerste maal zijn verwerkt.

In de Telecommunicatiewet is geen verplichting tot medewerking opgenomen voor aanbieders van geheel of gedeeltelijk besloten communicatienetwerken en -diensten alsmede degenen die in de uitoefening van een beroep of bedrijf gegevens verwerken of opslaan ten behoeve van een communicatiedienst of diens gebruikers. Deze aanbieders dienen echter wel te voldoen aan een vordering die bevoegd is gegeven op basis van een in het Wetboek van Strafvordering toegekende bevoegdheid (niet-naleving daarvan is strafbaar op grond van art. 184 Sr). Indien er geen verkeersgegevens of gebruikersgegevens door desbetreffende aanbieder kunnen worden gegenereerd of indien de aanbieder daartoe geen toegang heeft, kan de vordering niet gegeven (en in ieder geval niet opgevolgd) worden.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.