Aanwijzing opsporingsbevoegdheden

Type Beleidsregel
Publication 2026-05-01
Laatst bijgewerkt 2026-05-05
State In force
Source BWB
artikelen Not indexed
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden zal veelal plaatsvinden op een heimelijke wijze met toepassing van bepaalde (geavanceerde) opsporingstactieken -en technieken. Daarnaast kunnen ook burgers in dit kader medewerking verlenen aan de opsporing. Het voorgaande kan met zich meebrengen dat op grond van de in art. 187d lid 1 Sv genoemde belangen een uitzondering wordt gemaakt op het uitgangspunt van de interne openbaarheid. Bepaalde informatie kan worden afgeschermd indien:

Afscherming kan plaatsvinden door de informatie niet op te nemen in het strafdossier of door het niet beantwoorden van vragen door een getuige. Op grond van de artt. 187b en 187d Sv heeft de rechter-commissaris de mogelijkheid om bepaalde informatie af te schermen door te beletten dat door de getuige antwoord wordt gegeven op een aan hem gestelde vraag respectievelijk te beletten dat antwoorden op vragen betreffende een bepaald gegeven ter kennis komen van de officier van justitie, de verdachte en diens raadsman.

Behalve in situaties van getuigenverhoor zou art. 187d Sv ook van toepassing kunnen zijn op stukken of documenten en andere voorwerpen waaraan gegevens kunnen worden ontleend die zijn verkregen door toepassing van de bijzondere opsporingsbevoegdheden. De rechter-commissaris zou in dit kader onderzoek kunnen doen naar de wijze waarop het wel in het strafdossier aanwezige materiaal is verkregen. Dit onderzoek kan hij zodanig inrichten dat informatie waarvan de openbaarmaking een zwaarwegend opsporingsbelang schaadt, onvermeld blijft. Er zijn stukken en andere gegevensdragers die, op grond van de in het eerste lid van art. 187d Sv genoemde belangen, niet geopenbaard moeten worden. Hierbij moet bijvoorbeeld worden gedacht aan documenten behorende tot de CIE, interne verslagen van een infiltratiebegeleidingsteam of stukken van een observatieteam met betrekking tot medewerkende burgers die de gelegenheid hebben gegeven voor het plaatsen van camera’s.

Tijdens een lopend opsporingsonderzoek kan er informatie worden verkregen die aanleiding kan geven tot het opstarten van een nieuw (deel)onderzoek (het ‘doelonderzoek’), terwijl het onderzoek waaruit de informatie voortkomt (het ‘brononderzoek’) nog geruime tijd moet worden afgeschermd. In dat geval zal de zogenaamde afschermprocedure gevolgd moeten worden. Door middel van deze procedure is het mogelijk om enerzijds afscherming te bieden aan het brononderzoek, terwijl anderzijds (zonodig) voldoende startinformatie wordt verschaft om een nieuw (deel)onderzoek te kunnen opstarten. De afschermprocedure kan uitkomst bieden in het geval tijdens een onderzoek informatie wordt verkregen over verboden goederen, zoals harddrugs of vuurwapens. Op grond van art. 126ff Sv geldt ten aanzien van dergelijke goederen in beginsel een verplichting tot inbeslagname als er voldoende aanwijzingen bestaan over hun bergplaats. Een ander voorbeeld waarbij de afscherm-procedure kan worden toegepast betreft het geval waarin informatie is verkregen die op zichzelf niet noodzaakt tot onmiddellijk optreden, maar ter zake waarvan de politie (met name een ander onderzoeksteam) om andere redenen graag mee aan de slag wil. De afschermprocedure vindt op de volgende wijze plaats:

4.3. Internationale samenwerking

Aan een buitenlands rechtshulpverzoek tot toepassing van een bijzondere opsporingsbevoegdheid op Nederlands grondgebied kan alleen gevolg worden gegeven indien die bevoegdheid ook naar Nederlands recht kan worden uitgeoefend. De inwilliging van het verzoek mag niet in strijd komen met de Nederlandse wetsbepalingen, voorschriften en procedures (waaronder de in titel X van het Wetboek van Strafvordering opgenomen artikelen (artt. 552h-55q Sv)). Daarnaast is ook de regelgeving omtrent notificatie, bewaring en vernietiging van toepassing (artt. 126aa lid 2 en 126bb tot en met 126dd Sv).

Voor de vraag of uitvoering kan worden gegeven aan een in het kader van een buitenlands opsporingsonderzoek aan Nederland gedaan rechtshulpverzoek, dient niet het gehele buitenlandse opsporingsonderzoek – en dus ook het totale verloop daarvan – in die beoordeling te worden betrokken, doch uitsluitend de activiteiten die op Nederlands grondgebied in het kader van rechtshulp dienen te worden uitgevoerd.

Op grond van art. 552oa lid 1 Sv kunnen de in de artt. 126l/126s, 126m/126t, 126nd lid 6, 126ne/126ue lid 3, 126nf/126uf en 126ng/ug, 126zf, 126zg, 126zm, derde lid, 126zn en 126zo Sv opgenomen bijzondere opsporingsbevoegdheden uitsluitend worden toegepast indien een voor inwilliging vatbaar en op een verdrag gegrond rechtshulpverzoek van een buitenlandse rechterlijke autoriteit daartoe strekt. Bij de toepassing van deze bevoegdheden zal de officier van justitie, indien het toepasselijke wetsartikel dit voorschrijft, een machtiging moeten vorderen van de rechter-commissaris. De vordering van de officier van justitie aan de rechter-commissaris moet worden vergezeld van het rechtshulpverzoek en de overige gegevens die nodig zijn om te kunnen beoordelen of het verzoek kan worden ingewilligd.

Ten aanzien van de in de titels IVa, V, Va en Vc opgenomen bijzondere opsporingsbevoegdheden die niet in art. 552oa lid 1 Sv zijn opgenomen, geldt niet de eis dat het daartoe strekkende rechtshulpverzoek moet zijn gebaseerd op een verdrag.

Een verzoek om rechtshulp aan het buitenland waarin de toepassing wordt gevraagd van een bijzondere opsporingsbevoegdheid kan pas worden gedaan, nadat de voor de toepassing van deze bevoegdheid in Nederland geldende procedures en wettelijke voorschriften zijn gevolgd, zoals het verkrijgen van een machtiging van de rechter-commissaris in geval van het opnemen van telecommunicatie of, in geval van bijvoorbeeld infiltratie, de vereiste goedkeuring van het College na advies van de CTC. Aan het buitenland kan niet worden gevraagd om uitvoering te geven aan (bijzondere) opsporingsbevoegdheden die naar Nederlands recht niet zijn toegestaan.

Het rechtshulpverzoek zal via de (Landelijke) Internationale Rechtshulp Centra ((L)IRC’s) aan de bevoegde buitenlandse autoriteiten aangeboden moeten worden.

Een rechtshulpverzoek dat op het Europees Rechtshulpverdrag is gegrond, dient te worden verzonden via het Ministerie van Justitie (Afdeling Internationale Rechtshulp in Strafzaken). Een verzoek om rechtshulp aan een niet-verdragsland geschiedt uitsluitend via de zogenaamde diplomatieke weg, door tussenkomst van de Ministeries van Justitie (AIRS) en van Buitenlandse Zaken. De minister van Justitie is eindverantwoordelijk voor het verzoeken van rechtshulp aan een andere staat. Deze verantwoordelijkheid uit zich met name wanneer een verzoek wordt gedaan aan een land waarmee geen verdragsrelatie bestaat. AIRS beoordeelt – in samenspraak met het ministerie van Buitenlandse Zaken – of het mogelijk dan wel wenselijk is om aan een bepaald niet-verdragsland een rechtshulpverzoek te doen. Indien nodig kan met AIRS reeds op voorhand contact worden opgenomen opdat deze zo spoedig mogelijk kan vaststellen of kan worden ingestemd met het doen uitgaan van het rechtshulpverzoek.

In Nederland zijn, naast de Afdeling Internationale Rechtshulp in Strafzaken van het Ministerie van Justitie (AIRS) (zie hierna), zes IRC’s en één landelijk rechtshulpcentrum (LIRC). Het IRC is een samenwerkingsverband tussen OM en politie. Bij de IRC’s werken zowel medewerkers van politie als van justitie. De IRC’s zijn het aanspreekpunt voor politie en justitie met betrekking tot internationale rechtshulp en rechtshulpverzoeken. Uitgaande rechtshulpverzoeken dienen via het IRC te worden verzonden.

De IRC’s hebben als taak:

De AIRS is het onderdeel van het Ministerie van Justitie dat de Minister van Justitie adviseert in zaken betreffende internationale rechtshulp in strafzaken. Waar in verdragen inzake internationale rechtshulp het Ministerie van Justitie is aangewezen als Centrale Autoriteit, vervult AIRS die rol. Daarnaast faciliteert AIRS de Nederlandse justitiële autoriteiten, als expertisecentrum, bij de uitoefening van wettelijke en verdragsrechtelijke taken. Naast concrete dienstverlening houdt AIRS zich ook bezig met beleidsontwikkeling op het terrein van internationale rechtshulp in strafzaken.

Waar het toepasselijke rechtshulpverdrag daar om vraagt, dienen rechtshulpverzoeken via de Centrale Autoriteit (AIRS) te worden verzonden. In dat geval verstuurt het IRC de rechtshulpverzoeken aan AIRS, die voor verdere verzending zorg draagt. Dit geldt ook voor rechtshulpverzoeken die niet op een verdrag zijn gebaseerd.

Op grond van de artt. 126g, 126h, 126i en 126j Sv en het Samenwerkingsbesluit bijzondere opsporingsbevoegdheden (Stb. 1999, 549) kan de officier van justitie toestaan dat een buitenlandse opsporingsambtenaar in de openbare dienst van een vreemde staat wordt belast met de uitvoering van een bevel tot observatie, infiltratie, pseudokoop of pseudo-dienstverlening of het stelselmatige inwinnen van informatie, indien hij:

De officier van justitie die beslist over de inzet van een buitenlandse opsporingsambtenaar zal moeten oordelen of de buitenlandse opsporingsambtenaar beschikt over de nodige kennis en vaardigheden die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de bovengenoemde opsporingsbevoegdheden. De officier van justitie doet zich bij zijn oordeel omtrent de bij de buitenlandse opsporingsambtenaar aanwezige kennis en vaardigheden adviseren door het Team Nationale Coördinatie Politiële Infiltratie (TNCPI) van het KLPD. Daarnaast zullen de buitenlandse opsporingsambtenaren zich vooraf aan de volgende voorwaarden moeten verbinden:

Deze vijf voorwaarden zullen moeten worden opgenomen in het hiervoor genoemde bevel.

Hoofdstuk 5. Procedurele voorschriften

5.1. Centrale toetsingscommissie

De CTC, samengesteld uit leden van het openbaar ministerie en politie, is een intern adviesorgaan van het openbaar ministerie, dat het College adviseert omtrent de voorgenomen inzet van bepaalde bijzondere opsporingsbevoegdheden en methodieken.

De officier van justitie is verplicht om bij de navolgende opsporingsbevoegdheden, na advies van de CTC, toestemming te vragen van het College:

Buiten deze gevallen kan een officier van justitie ook vrijblijvend advies inwinnen van de CTC, waarbij de zaak in beginsel niet wordt voorgelegd aan het College.

Nadat het College het advies van de CTC heeft ontvangen, zal het College tot een oordeel komen. Het College zal de aanvragende hoofdofficier zo spoedig mogelijk schriftelijk in kennis stellen van haar beslissing, met de eventueel daarbij gestelde voorwaarden.

De behandelend officier van justitie bewaakt de voortgang, de termijnen en de voorwaarden conform de besluitvorming door het College.

Een door het College gestelde termijn behoeft niet gelijk te zijn aan de wettelijke termijn van het bevel van de officier van justitie van ten hoogste vier weken. Indien toestemming is gegeven voor een termijn die de geldigheidsduur van het bevel overstijgt, kan het bevel met inachtneming van die termijn en na machtiging van de rechter-commissaris worden verlengd.

Indien door het College bij een verleende toestemming een termijn is gesteld en het wenselijk is dat de inzet van de bevoegdheid wordt voortgezet, wordt het verloop van de zaak door de betrokken hoofdofficier van justitie tijdig voor afloop van de termijn opnieuw ter toetsing aan de CTC voorgelegd. De hoofdofficier van justitie zal hiertoe de stukken (bestaande uit een aanbiedingsbrief en een voortgangsrapportage) aan de CTC moeten zenden. De CTC zal vervolgens haar advies, door tussenkomst van de PG-portefeuillehouder, voorleggen aan het College.

In alle gevallen waarin door het College toestemming is verleend, wordt door de betrokken hoofdofficier van justitie, (uiterlijk) na afloop van de zaak in eerste aanleg, de CTC geïnformeerd over het resultaat van de toegepaste opsporingsmethode(n).

Ook in geval van dringende noodzakelijkheid zal de verantwoordelijke hoofdofficier van justitie de zaak ter goedkeuring moeten voorleggen aan het College. De hoofdofficier van justitie zal zich daartoe direct tot het secretariaat van de CTC moeten wenden, onder opgave van redenen waarom met spoed een beslissing is gewenst is.

De CTC toetst de zaak zo spoedig mogelijk en legt haar (mondeling) advies voor aan (een lid van) het College. In het advies motiveert de CTC het spoedeisend karakter van de beslissing en geeft aan binnen welke termijn een beslissing gewenst is. Hierop kan het College een (mondelinge) beslissing nemen.

5.2. Schriftelijke verantwoording

De in art. 126aa Sv opgenomen verplichting – om de processen-verbaal en andere voorwerpen waaraan gegevens kunnen worden ontleend die zijn verkregen door toepassing van de in de titels IVa tot en met IVc opgenomen bijzondere opsporingsbevoegdheden bij de processtukken te voegen – geldt alleen voor de processen-verbaal en andere voorwerpen die gegevens bevatten die voor het onderzoek in de zaak van betekenis zijn. Gegevens zijn voor het onderzoek in de zaak van betekenis indien de gegevens relevant zijn voor de beantwoording van de vragen ex artt. 348–350 Sv. Dit betekent dat ook processen-verbaal die ontlastend materiaal opleveren voor de verdachte bij de processtukken moeten worden gevoegd.

De officier van justitie zal het strafdossier op een dusdanige wijze moeten samenstellen dat de rechtbank en de verdediging in staat zijn om het totale verloop van het onderzoek naar behoren te kunnen controleren. Daarnaast zal de rechtbank de rechtmatigheid van de bewijsverkrijging moeten kunnen beoordelen en of de beginselen van behoorlijke procesorde in acht zijn genomen bij de uitvoering van de opsporingshandelingen. Ook zal de rechtbank zich een oordeel moeten kunnen vormen omtrent de kwaliteit van het bewijs. Verder moet informatie die essentieel is geweest voor de start en de richting van het onderzoek (met het oog op de verantwoording van dat onderzoek) voldoende duidelijk in de processtukken zijn gerelateerd.

Wat betreft de wijze van verantwoording van de toepassing van bijzondere opsporingsbevoegdheden in het strafdossier gelden de voorschriften van art. 126aa leden 1 en 4 Sv.

Op grond van het vierde lid van art 126aa Sv geldt dat de toepassing van een bijzondere opsporingsbevoegdheid – ongeacht het resultaat van de toepassing van de bevoegdheid – gemeld dient te worden in een proces-verbaal dat deel uitmaakt van het strafdossier.

Heeft de toepassing een voor het bewijs relevant resultaat opgeleverd (in belastende of onbelastende zin) of overigens een voor enige door de rechter te nemen beslissing relevant resultaat opgeleverd dan wordt een proces-verbaal waarin de resultaten van de toepassing zijn uitgewerkt aan het strafdossier toegevoegd.

De officier van justitie mag bij het samenstellen van het strafdossier rekening houden met bijzondere belangen, zoals de bescherming van de veiligheid van mensen en de afscherming van methodieken en middelen. Deze belangen kunnen een minder gedetailleerde verantwoording rechtvaardigen. Dit mag er echter niet toe leiden dat de rechtbank aan de hand van het samengestelde strafdossier niet meer kan beoordelen of de opsporing overeenkomstig de relevante rechtsregels heeft plaatsgevonden.

5.3. Gegevensbeheer

In art. 126cc lid 1 Sv is bepaald dat de officier van justitie verplicht is om de processen-verbaal en andere voorwerpen waaraan gegevens kunnen worden ontleend die zijn verkregen door

voor zover die niet bij de processtukken zijn gevoegd, te bewaren en ter beschikking te houden voor onderzoek, zolang de zaak niet geëindigd is. In het Besluit bewaren en vernietigen niet-gevoegde stukken (Stb. 1999, 548) zijn voorschriften opgenomen omtrent de wijze waarop de voornoemde processen-verbaal en andere voorwerpen moeten worden geregistreerd, bewaard en vernietigd. Deze voorschriften gelden niet alleen voor de originelen, maar ook voor de kopieën.

Op grond van art. 126cc lid 2 Sv zal de officier van justitie schriftelijk de vernietiging moeten bevelen van de processen-verbaal en andere voorwerpen nadat de zaak twee maanden is geëindigd en aan alle notificatieverplichtingen ex art. 126bb Sv is voldaan.

Een zaak is in elk geval geëindigd indien er een onherroepelijke uitspraak is gedaan door een rechter. Voorts geldt een zaak als geëindigd indien zij onvoorwaardelijk is geseponeerd en tegen deze beslissing geen beklag ex art. 12 Sv meer openstaat. Daarnaast geldt een zaak ook als geëindigd indien een voorbereidend onderzoek naar redelijke verwachting niet tot een zaak zal leiden (art. 126cc lid 3 Sv). Indien na de vervolging in de hoofdzaak een ontnemingsprocedure wordt opgestart, zal de vernietingstermijn van art. 126cc lid 2 Sv pas ingaan nadat de ontnemingszaak is geëindigd.

De opsporingsambtenaar zal een proces-verbaal moeten opmaken van de vernietiging van de processen-verbaal en andere voorwerpen en dit proces-verbaal moeten toezenden aan de officier van justitie die hiervan een registratie bijhoudt, zodat inzichtelijk is welke stukken, op basis van welk bevel, op welk tijdstip zijn vernietigd.

De gegevens die zijn verkregen door de toepassing van de in art. 126cc lid 1 Sv omschreven opsporingsbevoegdheden kunnen ook worden bewaard en gebruikt in een ander strafrechtelijk onderzoek. Deze gegevens kunnen echter niet worden bewaard voor een – nog niet te concretiseren – toekomstig strafrechtelijk onderzoek, behoudens het geval dat de gegevens door de CIE worden verwerkt of in geval van de zogenaamde themaverwerking in de zin van art. 10 Wpg. Dan gelden de verwerkingstermijnen van de Wpg.

Indien de behandelend officier van justitie bepaalt dat de processen-verbaal en andere voorwerpen mogen worden gebruikt in een ander strafrechtelijk onderzoek dan blijven deze processen-verbaal en andere voorwerpen bewaard onder de verantwoordelijkheid van de officier van justitie die de leiding heeft over het ‘nieuwe’ strafrechtelijke onderzoek. Deze officier van justitie zal er dan ook voor moeten zorgen dat de gegevens worden vernietigd in het geval dit strafrechtelijke onderzoek is geëindigd. In dit geval geldt dan ook weer de termijn van art. 126cc lid 2 Sv.

Of de in processen-verbaal en andere voorwerpen opgenomen gegevens daadwerkelijk kunnen worden verwerkt door de CIE is een verantwoordelijkheid van de verantwoordelijke en het openbaar ministerie. Indien in de praktijk verschil van inzicht bestaat over het al dan niet verwerken van bepaalde gegevens komt aan beide partijen een vetorecht toe.

Indien de behandelend officier van justitie bepaalt dat de processen-verbaal en andere voorwerpen mogen worden verwerkt door de CIE dan worden deze processen-verbaal en andere voorwerpen verwerkt onder gezag van de CIE-officier van justitie. De verantwoordelijke moet de termijn bewaken waarop de Wpg opslag van artikel 10 lid 1 onder 1 en b-verwerkingen niet meer toelaat. De officier van justitie ziet hierop toe. In dat geval zal de CIE-officier van justitie zo spoedig mogelijk daarna de vernietiging moeten bevelen van de desbetreffende processen-verbaal en andere voorwerpen.

5.4. Notificatie

Op grond van art. 126bb lid 1 Sv doet de officier van justitie aan een betrokkene tegen wie een in de titels IVa tot en met Vc genoemde bijzondere opsporingsbevoegdheid is toegepast schriftelijk mededeling van de uitoefening hiervan.

De schriftelijke mededeling aan een betrokkene wordt gedaan zodra ‘het belang van het onderzoek’ dat toelaat. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat de mededeling wordt uitgesteld indien te vrezen valt dat de voortgang van het opsporingsonderzoek zal worden belemmerd door de mededeling. Het ‘belang van het onderzoek’ kan ook zijn gelegen in een ander opsporingsonderzoek (bijvoorbeeld een buitenlands opsporingsonderzoek en/of een parallelonderzoek). Een andere reden om (vooralsnog) niet aan de mededelingsplicht te voldoen, is gelegen in het beschermen van de veiligheid van een betrokkene.

De mededelings- of notificatieplicht (hierna: notificatieplicht) kan op grond van de hiervoor genoemde redenen worden uitgesteld tot en met het onderzoek ter terechtzitting, in eerste aanleg of in hoger beroep. Na beëindiging van het hoger beroep zal alsnog genotificeerd moeten worden door de behandelend officier van justitie op wiens bevel de opsporingsbevoegdheid is toegepast.

De notificatieplicht kan in het geheel achterwege blijven indien:

In art. 126bb lid 2 Sv is bepaald wie als betrokkenen moeten worden aangemerkt. Dat zijn:

De notificatieplicht is ook van toepassing indien bijzondere opsporingsbevoegdheden worden toegepast naar aanleiding van een buitenlands rechtshulpverzoek. Aan de autoriteit die het rechtshulpverzoek heeft gedaan, wordt verzocht om tot notificatie over te gaan zodra het buitenlandse opsporingsonderzoek dat toelaat. Op basis van het vertrouwensbeginsel kan hiermee worden volstaan en hoeft geen notificatie door het Nederlandse OM meer plaats te vinden.

Nadat de toepassing van een bijzondere opsporingsbevoegdheid is beëindigd, zal er een notificatieblad opgesteld moeten worden waarin de NAW-gegevens van de te notificeren persoon, de zaakgegevens, het parketnummer en/of het tijdelijke registernummer worden geregistreerd.

Bij beëindiging van het onderzoek komt de officier van justitie per toegepaste opsporingsbevoegdheid tot het oordeel dat:

Onder het zojuist genoemde onderzoeksbelang wordt tevens begrepen het belang van het onderzoek in andere zaken waarin nog niet gedagvaard is.

Indien door de behandelend officier van justitie wordt besloten dat tot notificatie kan worden overgegaan, dan zullen de gegevens verwerkt moeten worden in een standaard notificatiebrief.

In het geval de behandelend officier van justitie beslist dat de notificatie uitgesteld dient te worden, dan zal hij een termijn voor de herbeoordeling van de notificatie moeten vaststellen. Indien er sprake is van een verdenking van een strafbaar feit dat wordt bedreigd met een gevangenisstraf van 8 jaar of meer, dan zal een termijn van 6 maanden worden vastgesteld. In het geval er sprake is van een verdenking van een strafbaar feit dat wordt bedreigd met een maximale gevangenisstraf van minder dan 8 jaar, dan zal een termijn van 3 maanden worden vastgesteld. De behandelend officier van justitie zal op het notificatieblad moeten aangeven waarom hij heeft besloten om de beslissing tot notificatie uit te stellen.

Nadat de termijn van 3 of 6 maanden is verstreken, zal het notificatieblad opnieuw voor een verdere beoordeling en afhandeling worden voorgelegd aan de behandelend officier van justitie. Indien de behandelend officier van justitie nogmaals besluit om niet tot notificatie over te gaan, zal de procedure herhaald moeten worden.

De voorgaande procedure herhaalt zich totdat er daadwerkelijk kan worden genotificeerd. Echter, in het geval er vijf jaar zijn verstreken na de eerste beoordeling door de behandelend officier van justitie kan de notificatie achterwege blijven indien nog steeds kan worden geoordeeld dat er sprake is van onderzoeksbelang en/of veiligheidsrisico’s.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)