Vennootschapsbelasting, innovatiebox

Type Beleidsregel
Publication 2017-12-02
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.

Dit besluit gaat in op de innovatiebox van artikel 12b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Gebleken is dat in de praktijk behoefte bestaat aan een nadere uitleg bij het gehanteerde uitvoeringskader voor de toepassing van de innovatiebox. Om hieraan tegemoet te komen, worden verschillende elementen van de innovatiebox in dit besluit relatief uitvoerig beschreven, nader toegelicht en waar nodig verder ingevuld.

1. Inleiding

Innovatie is een bron voor duurzame economische groei en levert een belangrijke bijdrage aan de versterking van het concurrentievermogen. De innovatiebox speelt daarbij een belangrijke rol, omdat de innovatiebox innovatieve bedrijven gericht aanzet tot het doen van meer onderzoek en ontwikkeling. Zonder voor te schrijven waar de focus op moet liggen, kan het bedrijfsleven zich richten op ontwikkelingen waar de markt behoefte aan heeft. Hiermee draagt de innovatiebox bij aan de innovatieve concurrentiekracht van Nederland, de Europese Unie en de EU-doelstellingen van de Europa 2020-strategie en Horizon 2020.

Dit besluit bevat een beschrijving van, een nadere toelichting op en waar nodig een verdere invulling van verschillende elementen voor de toepassing van de innovatiebox van artikel 12b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, zoals dit gold tot en met 31 december 2016. Omdat de innovatiebox van de artikelen 12b tot en met 12bg van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, zoals deze gelden vanaf 1 januari 2017, op wezenlijke onderdelen – zoals de toegangseisen, het te hanteren aggregatieniveau en de nexusbreuk – verschilt van de innovatiebox van artikel 12b (oud) van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, kan dit besluit daarop niet van overeenkomstige toepassing worden verklaard. Dit betekent overigens niet dat de uitgangspunten die ten grondslag liggen aan dit besluit, niet ook kunnen gelden voor de innovatiebox van de artikelen 12b tot en met 12bg van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, zoals deze gelden vanaf 1 januari 2017. Waar in dit besluit aan artikel 12b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt gerefereerd, wordt bedoeld artikel 12b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, zoals dit gold tot en met 31 december 2016.

In artikel 12b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is bepaald dat als de belastingplichtige daarvoor kiest, de voordelen uit hoofde van octrooi- en S&O-activa voor de toepassing van de innovatiebox in aanmerking komen. Het toerekenen van deze voordelen aan de innovatiebox moet worden onderscheiden van de toepassing van het arm’s-lengthbeginsel in gelieerde verhoudingen. Pas nadat de arm’s-lengthbeloning is bepaald, kan worden bepaald welk deel van deze beloning als een voordeel voor de toepassing van de innovatiebox in aanmerking komt. Dat laat echter onverlet, dat de gehanteerde toerekeningsmethode voor het bepalen van het innovatieboxvoordeel niet los kan worden gezien van artikel 8b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de daaruit voortvloeiende regelgeving.

De Coördinatiegroep Taxhavens en Concernfinanciering is verantwoordelijk voor de coördinatie en ondersteuning van de uitvoering van het ontwikkelde beleid bij de toepassing van o.a. de innovatiebox (besluit van 14 oktober 2010, nr. DGB2010/6307M). De Coördinatiegroep Taxhavens en Concernfinanciering verstrekt aan medewerkers van de Belastingdienst bindende adviezen over toepassing van de innovatiebox. Gevallen waarin een standpuntbepaling precedentwerking zou kunnen hebben, legt de inspecteur daarom voor aan de Coördinatiegroep Taxhavens en Concernfinanciering.

1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen

1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen

Bij gelieerde lichamen moet voorafgaand aan de toepassing van de innovatiebox eerst een arm’s-lengthbeloning worden bepaald voor de door de belastingplichtige uitgeoefende functies, de gebruikte activa en de daarmee gepaard gaande risico’s. Daarnaast moet de winst bij aanwezigheid van een vaste inrichting voorafgaand aan de toepassing van de innovatiebox arm’s-length worden gealloceerd. Hierbij wordt in het bijzonder gewezen op de toepassing van artikel 8b van de Wet Vpb, de artikelen 7 en 9 OMV, het OESO-commentaar op de artikelen 7 en 9 OMV, de OESO-richtlijnen, het besluit over verrekenprijzen (besluit van 14 november 2013, nr. IFZ2013/184M, m.n. onderdelen 6.4, 7 en 8) en het besluit over winstallocatie aan vaste inrichtingen (besluit van 15 januari 2011, nr. IFZ2010/457M). Pas nadat de arm’s-lengthbeloning is bepaald respectievelijk de winst arm’s-length is gealloceerd, kan voor de toepassing van de innovatiebox worden bepaald welk deel van deze beloning en deze gealloceerde winst als een voordeel uit hoofde van een octrooi- of S&O-activum is aan te merken (zie onderdeel 6.3 hierna).

3. Belastingplichtige (artikel 12b, eerste lid)

De innovatiebox is in principe van toepassing op alle vennootschapsbelastingplichtige ondernemingen. Hierdoor is de innovatiebox zowel van toepassing op binnenlandse belastingplichtigen, als op buitenlandse belastingplichtigen met een vaste inrichting in Nederland. Er wordt geen onderscheid gemaakt naar de grootte van de onderneming. Hierdoor maakt het voor de toepassing van de innovatiebox dus niet uit of een onderneming tot het MKB of het (multinationale) grootbedrijf wordt gerekend. Ook is de toepassing van de innovatiebox niet beperkt tot bepaalde sectoren en activiteiten of tot bepaalde regio’s.

4. Toegangscriteria innovatiebox (artikel 12b, eerste lid)

4. Toegangscriteria innovatiebox (artikel 12b, eerste lid)

In dit onderdeel worden de verschillende toegangscriteria voor de toepassing van de innovatiebox besproken. Als aan deze toegangscriteria is voldaan, komt het positieve saldo van de positieve en negatieve voordelen uit een octrooi- of S&O-activum voor toepassing van de innovatiebox in aanmerking. Nadat de drempel is ingelopen, worden deze voordelen slechts gedeeltelijk in de heffingsgrondslag betrokken.

4.1. Immaterieel activum

Uitgangspunt voor de toepassing van de innovatiebox is een immaterieel activum. Uit de parlementaire behandeling volgt echter geen eenduidige definitie van het begrip ‘immaterieel activum’. Uit de bedrijfseconomische en juridische literatuur zijn een aantal gemeenschappelijke elementen te ontlenen die voor het begrip ‘immaterieel activum’ van de innovatiebox houvast kunnen bieden. Hierbij kan worden gedacht aan elementen zoals o.a. separeerbaarheid, identificeerbaarheid, overdraagbaarheid en herhaalbaarheid. Wat wel en niet onder dit begrip valt, is uiteindelijk afhankelijk van de feiten en omstandigheden. Zo zullen geoctrooieerde kennis en toepassingen er veelal onder kunnen worden geschaard. Daarentegen zal kennis en ervaring als zodanig – hoewel knowhow een immaterieel actief kan vormen – doorgaans niet onder de reikwijdte van de toepassing van de innovatiebox vallen. Elke onderneming kan haar winst immers voor een (groot) deel aan de aanwezige kennis en ervaring toeschrijven. Op basis hiervan komen o.a. databases, sharepoints en slimme checklists normaal gesproken niet voor toepassing van de innovatiebox in aanmerking. Verder zijn merken, logo's en daarmee vergelijkbare vermogensbestanddelen expliciet uitgesloten voor de toepassing van de innovatiebox op basis van artikel 12b, vierde lid, van de Wet Vpb (zie onderdeel 11 hierna).

4.2. Voortgebracht

4.2. Voortgebracht

Voor de toepassing van de innovatiebox is alleen het bezit van een immaterieel activum niet voldoende. De belastingplichtige moet het immateriële activum ook zelf hebben voortgebracht. Voordelen uit hoofde van een niet zelf voortgebracht immaterieel activum komen dus niet voor toepassing van de innovatiebox in aanmerking. Zelf voortbrengen betekent dat de belastingplichtige het immateriële activum voor zijn rekening en risico heeft ontwikkeld. Daarvoor is nodig dat er voldoende belangrijke functies bij de belastingplichtige aanwezig zijn om het immateriële activum aan de belastingplichtige toe te kunnen rekenen. Van zelf voortbrengen is daarom sprake als de belastingplichtige beslissingsbevoegd en functioneel in staat is om de onderzoeks- en ontwikkelingswerkzaamheden aan te sturen. Activiteiten die hierbij een rol spelen zijn onder andere het vanuit een inhoudelijke expertise dragen van verantwoordelijkheid voor de zelf gemaakte keuzes tijdens het onderzoeks- en ontwikkelingsproces en de planning, de budgettering, het meten van prestaties, het belonen, het aanpassen/herdefiniëren van de werkterreinen, het vaststellen van de commercieel waardevolle gebieden en het beoordelen van de kans op (on)succesvol onderzoek. Een belastingplichtige die een immaterieel activum bezit, maar functioneel niet in staat is om de daarbij behorende onderzoeks- en ontwikkelingswerkzaamheden vanuit de eigen inhoudelijke expertise aan te sturen, komt dus niet voor de toepassing van de innovatiebox in aanmerking. Over het algemeen geldt dat hoe meer onderzoeks- en ontwikkelingswerkzaamheden belastingplichtige zelf uitvoert hoe eerder genoemde aansturing aannemelijk zal zijn.

Voor de toepassing van de innovatiebox is alleen het bezit van een immaterieel activum niet voldoende. De belastingplichtige moet het immateriële activum ook zelf hebben voortgebracht. Voordelen uit hoofde van een niet zelf voortgebracht immaterieel activum komen dus niet voor toepassing van de innovatiebox in aanmerking. Zelf voortbrengen betekent dat de belastingplichtige het immateriële activum voor zijn rekening en risico heeft ontwikkeld. Daarvoor is nodig dat er voldoende belangrijke functies bij de belastingplichtige aanwezig zijn om het immateriële activum aan de belastingplichtige toe te kunnen rekenen. Van zelf voortbrengen is daarom sprake als de belastingplichtige beslissingsbevoegd en functioneel in staat is om de onderzoeks- en ontwikkelingswerkzaamheden aan te sturen. Activiteiten die hierbij een rol spelen zijn onder andere het vanuit een inhoudelijke expertise dragen van verantwoordelijkheid voor de zelf gemaakte keuzes tijdens het onderzoeks- en ontwikkelingsproces en de planning, de budgettering, het meten van prestaties, het belonen, het aanpassen/herdefiniëren van de werkterreinen, het vaststellen van de commercieel waardevolle gebieden en het beoordelen van de kans op (on)succesvol onderzoek. Een belastingplichtige die een immaterieel activum bezit, maar functioneel niet in staat is om de daarbij behorende onderzoeks- en ontwikkelingswerkzaamheden vanuit de eigen inhoudelijke expertise aan te sturen, komt dus niet voor de toepassing van de innovatiebox in aanmerking. Over het algemeen geldt dat hoe meer onderzoeks- en ontwikkelingswerkzaamheden belastingplichtige zelf uitvoert hoe eerder genoemde aansturing aannemelijk zal zijn.

4.2.2. Uitbesteden

Als onderzoeks- en ontwikkelingswerkzaamheden worden uitbesteed, betekent dat niet dat er geen sprake kan zijn van een zelf voortgebracht immaterieel activum. Uitgangspunt blijft namelijk dat er bij de belastingplichtige voldoende belangrijke functies aanwezig moeten zijn om het immateriële activum aan hem toe te kunnen rekenen. Onderzoeks- en ontwikkelingswerkzaamheden kunnen dus worden uitbesteed zonder dat dit van invloed is op de toepassing van de innovatiebox, zolang de belastingplichtige het immateriële activum voor eigen rekening en risico ontwikkelt. Het maakt daarbij niet uit of de onderzoeks- en ontwikkelingswerkzaamheden binnen of buiten de groep worden uitbesteed.

Als onderzoeks- en ontwikkelingswerkzaamheden worden uitbesteed, betekent dat niet dat er geen sprake kan zijn van een zelf voortgebracht immaterieel activum. Uitgangspunt blijft namelijk dat er bij de belastingplichtige voldoende belangrijke functies aanwezig moeten zijn om het immateriële activum aan hem toe te kunnen rekenen. Onderzoeks- en ontwikkelingswerkzaamheden kunnen dus worden uitbesteed zonder dat dit van invloed is op de toepassing van de innovatiebox, zolang de belastingplichtige het immateriële activum voor eigen rekening en risico ontwikkelt. Het maakt daarbij niet uit of de onderzoeks- en ontwikkelingswerkzaamheden binnen of buiten de groep worden uitbesteed.

Naar mate er meer wordt uitbesteed, zal er ook meer aannemelijk moeten worden gemaakt – bijvoorbeeld op basis van documentatie – dat er daadwerkelijk voldoende belangrijke functies bij de belastingplichtige aanwezig zijn. Waar de grens ligt, is afhankelijk van de verrichte activiteiten en de overige specifieke feiten en omstandigheden van het geval.

Vaak worden onderzoeks- en ontwikkelingswerkzaamheden uitbesteed in de vorm van contract-R&D. Als de opdrachtnemer deze werkzaamheden voor rekening en risico van de opdrachtgever uitvoert, gaat het resultaat ervan de opdrachtgever aan. Een eventueel immaterieel activum dat uit deze onderzoeks- en ontwikkelingswerkzaamheden voortkomt, komt toe aan de opdrachtgever. De opdrachtnemer heeft dit immateriële activum dan dus niet voortgebracht in de zin van de innovatiebox en komt daarom niet voor toepassing van de innovatiebox in aanmerking.

Bij S&O-activa is aangesloten bij de S&O-verklaring uit de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Om voor een S&O-verklaring in aanmerking te komen, moet de belastingplichtige zelf S&O-werkzaamheden uitvoeren. Voor louter aansturende werkzaamheden – tijdens de parlementaire behandeling aangeduid als coördineren en regisseren – wordt geen S&O-verklaring afgegeven. Daarom zal de belastingplichtige moeten beschikken over daartoe gekwalificeerde onderzoeksmedewerkers.

Over de mate waarin bij S&O-activa sprake moet zijn van voldoende onderzoeks- en ontwikkelingsfuncties bij de belastingplichtige zelf, is tijdens de parlementaire behandeling van de innovatiebox het een en ander gezegd. Het betreft de uitleg van het criterium ‘voortvloeien uit’. Hieraan wordt in ieder geval voldaan als minder dan 50% van de onderzoeks- en ontwikkelingswerkzaamheden die hebben geleid tot het voortbrengen van het immateriële activum, door de belastingplichtige zijn uitbesteed. Als uitgangspunt voor de onderbouwing kunnen de bestede speur- en ontwikkelingsuren dienen.

Als echter 50% of meer van de onderzoek- en ontwikkelingswerkzaamheden wordt uitbesteed, kan de innovatiebox toch van toepassing zijn. Om te voldoen aan het criterium ‘voortvloeien uit’ is voor die gevallen tijdens de parlementaire behandeling aangegeven dat voor een meer kwalitatieve benadering kan worden gekozen. Als de S&O-werkzaamheden waarvoor een S&O-verklaring is afgegeven, zogenoemde coördinerende en regisserende elementen in zich dragen, kan – kwalitatief gezien – voldaan zijn aan de eis dat er voldoende belangrijke functies bij de belastingplichtige aanwezig zijn. Het moet echter wel gaan om reële gevallen. Daarom moet aannemelijk worden gemaakt dat er voldoende gewicht valt toe te kennen aan deze coördinerende en regisserende elementen. Als dat het geval is, kan meer dan 50% van de onderzoeks- en ontwikkelingswerkzaamheden worden uitbesteed. Louter regisserende en coördinerende werkzaamheden kunnen daarentegen dus niet leiden tot toepassing van de innovatiebox.

4.2.3. Verkrijgen en doorontwikkelen

Voordelen uit een niet zelf voortgebracht immaterieel activum komen niet in aanmerking voor toepassing van de innovatiebox. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als het immateriële activum wordt verkregen door koop of als kapitaalstorting. Hierbij maakt het niet uit of dit immateriële activum van binnen of buiten de groep is verkregen. Dit neemt niet weg dat een belastingplichtige dit immateriële activum kan doorontwikkelen. Het immateriële activum gaat dan als het ware op in het nieuw ontwikkelde immateriële activum. Als met het doorontwikkelen een nieuw, door de belastingplichtige zelf voortgebracht immaterieel activum ontstaat, kan de innovatiebox daarop van toepassing zijn. Wel moet er dan voor dit nieuwe immateriële activum een apart octrooi zijn verleend of moet dit immateriële activum zijn voortgevloeid uit nieuwe S&O-werkzaamheden waarvoor een S&O-verklaring is afgegeven. Of er sprake is van doorontwikkeling die voor de toepassing van de innovatiebox in aanmerking komt, wordt beoordeeld aan de hand van de feiten en omstandigheden van het geval. Een goed startpunt is het verleende octrooi of de afgegeven S&O-verklaring in verband met de doorontwikkeling. Overige factoren die daarbij een rol kunnen spelen zijn bijvoorbeeld in welke mate een nieuw onderzoeks- en ontwikkelingsproject wordt opgestart, de kosten die daarbij horen en de toegevoegde waarde van de resultaten van dit project. Hierbij zullen relatief kleine aanpassingen aan een verkregen immaterieel activum veelal niet tot een nieuw immaterieel activum leiden.

Voordelen uit een niet zelf voortgebracht immaterieel activum komen niet in aanmerking voor toepassing van de innovatiebox. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als het immateriële activum wordt verkregen door koop of als kapitaalstorting. Hierbij maakt het niet uit of dit immateriële activum van binnen of buiten de groep is verkregen. Dit neemt niet weg dat een belastingplichtige dit immateriële activum kan doorontwikkelen. Het immateriële activum gaat dan als het ware op in het nieuw ontwikkelde immateriële activum. Als met het doorontwikkelen een nieuw, door de belastingplichtige zelf voortgebracht immaterieel activum ontstaat, kan de innovatiebox daarop van toepassing zijn. Wel moet er dan voor dit nieuwe immateriële activum een apart octrooi zijn verleend of moet dit immateriële activum zijn voortgevloeid uit nieuwe S&O-werkzaamheden waarvoor een S&O-verklaring is afgegeven. Of er sprake is van doorontwikkeling die voor de toepassing van de innovatiebox in aanmerking komt, wordt beoordeeld aan de hand van de feiten en omstandigheden van het geval. Een goed startpunt is het verleende octrooi of de afgegeven S&O-verklaring in verband met de doorontwikkeling. Overige factoren die daarbij een rol kunnen spelen zijn bijvoorbeeld in welke mate een nieuw onderzoeks- en ontwikkelingsproject wordt opgestart, de kosten die daarbij horen en de toegevoegde waarde van de resultaten van dit project. Hierbij zullen relatief kleine aanpassingen aan een verkregen immaterieel activum veelal niet tot een nieuw immaterieel activum leiden.

4.3. Octrooi- en S&O-activa

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.