Regeling van de Minister van Economische Zaken van 10 oktober 2014, nr. WJZ / 14152482, houdende regels over producentenorganisaties, unies van producentenorganisaties en brancheorganisaties (Regeling producenten- en brancheorganisaties)

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-01-21
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op de artikelen 152, eerste, derde en vierde lid, 154, vierde lid, 156, 157, eerste en derde lid, 158, eerste lid, 161, eerste en derde lid, 163, eerste en derde lid, 164, eerste, vijfde en zesde lid, en 165 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PbEU 2013, L 347) en de artikelen 13, tweede lid, onder b, en 19, eerste lid, van de Landbouwwet;

Besluit:

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 1:1

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 1:2

Deze regeling is, met uitzondering van paragraaf 5, niet van toepassing op producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties in de sector groenten en fruit.

Artikel 1:3

Een deelnemer in het kapitaal van een producentenorganisatie, van een unie van producentenorganisaties of van een brancheorganisatie geldt voor de toepassing van deze regeling tevens als een lid van die organisatie.

§ 2. Producentenorganisaties

Artikel 2:1

De minister is bevoegd tot het verlenen van een erkenning overeenkomstig de artikelen 152, eerste lid, of 161, eerste lid, van verordening 1308/2103 voor één of meerdere sectoren, bedoeld in artikel 1, tweede lid, van die verordening en een erkenning als bedoeld in artikel 4 van verordening 2016/232.

Artikel 2:2

Het minimum ledental als bedoeld in de artikelen 154, eerste lid, onderdeel b, en 161, eerste lid, onderdeel b, van verordening 1308/2013 bedraagt 15 per sector, bedoeld in artikel 1, tweede lid, van die verordening, waarvoor erkenning wordt gevraagd.

Artikel 2:3

Een producentenorganisatie die verzoekt om erkenning verstrekt bij dat verzoek de volgende informatie:

§ 3. Unie van producentenorganisaties

Artikel 3:1

De minister is bevoegd tot het verlenen van een erkenning overeenkomstig artikel 156 van verordening 1308/2013 en een erkenning als bedoeld in artikel 4 van verordening 2016/232.

Artikel 3:2
1.

Een unie van producentenorganisaties die verzoekt om erkenning verstrekt bij dat verzoek de volgende informatie:

§ 4. Brancheorganisatie

Artikel 4:1

De minister is bevoegd tot het verlenen van een erkenning overeenkomstig de artikelen 157, eerste lid, of 163, eerste lid, van verordening 1308/2013 voor één of meerdere sectoren, bedoeld in artikel 1, tweede lid, van die verordening en een erkenning als bedoeld in artikel 4 van verordening 2016/232.

Artikel 4:2

Het aanzienlijk deel van de economische activiteiten, bedoeld in artikel 158, eerste lid, onderdeel c, van verordening 1308/2013, bedraagt ten minste 25% van de bij de brancheorganisatie betrokken producenten en tenminste 25% van de bij de brancheorganisatie betrokken distributeurs, verwerkers of handelaren per sector, bedoeld in artikel 1, tweede lid, van die verordening, waarvoor erkenning wordt gevraagd.

Artikel 4:3

Een brancheorganisatie die verzoekt om erkenning verstrekt bij dat verzoek de volgende informatie:

§ 5. Uitbreiding van voorschriften en verplichte financiële bijdragen

Artikel 5:1
1.

De minister is bevoegd tot besluitvorming overeenkomstig de artikelen 164, eerste lid, of 165 van verordening 1308/2013 of artikel 68 van verordening 2017/891.

2.

Een erkende organisatie kan de minister verzoeken om te besluiten overeenkomstig artikel 165 van verordening 1308/2013 ten aanzien van een van die organisatie overeenkomstig artikel 164, eerste lid, van die verordening door de minister verbindend verklaard voorschrift.

Artikel 5:2
1.

De minister wijst overeenkomstig de artikelen 164, eerste lid, of 165 van verordening 1308/2013 geen verzoek toe indien:

2.

Het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is niet van toepassing op voorschriften of financiële bijdragen die betrekking hebben op het verrichten van onderzoek.

3.

Een besluit overeenkomstig de artikelen 164, eerste lid, of 165 van verordening 1308/2013 wordt verleend voor maximaal de periode van de resterende looptijd van de relevante programmaperiode van het Gemeenschappelijk Landbouw Beleid.

Artikel 5:3

Een verzoek als bedoeld in artikel 164, eerste lid, of artikel 165 van verordening 1308/2013, kan uitsluitend worden ingediend door een erkende organisatie die blijkens de statuten jegens iedere marktdeelnemer die daaraan is onderworpen is gehouden tot:

Artikel 5:4

Een erkende organisatie die verzoekt om een besluit als bedoeld in artikel 164, eerste lid, of artikel 165 van verordening 1308/2013, verstrekt bij dat verzoek:

Artikel 5:5
1.

Een erkende organisatie die verzoekt om een besluit als bedoeld in artikel 164, eerste lid, of artikel 165 van verordening 1308/2013, verstrekt bij dat verzoek, voor zover van toepassing, de volgende informatie:

2.

Een erkende organisatie die verzoekt om een besluit op grond van artikel 165 van verordening 1308/2013, verstrekt tevens de volgende informatie:

Artikel 5:6

De minister stelt belanghebbenden in de gelegenheid om hun zienswijze kenbaar te maken omtrent een op grond van artikel 164, eerste lid, of artikel 165 van verordening 1308/2013 te nemen besluit.

Artikel 5:7

Marktdeelnemers of groepen van marktdeelnemers die op grond van artikel 164, eerste lid, of artikel 165 van verordening 1308/2013 zijn gebonden om een voorschrift uit te voeren, of die een financiële bijdrage moeten afdragen zijn gehouden tot de naleving van dat voorschrift of tot de afdracht van die financiële bijdrage jegens de erkende organisatie die daartoe heeft verzocht.

§ 6. Overige bepalingen

Artikel 6:1

Een erkende organisatie verstrekt jaarlijks uiterlijk op 1 oktober aan de minister:

Artikel 6:2

Een erkende organisatie leeft, voor zover van toepassing, de voorschriften na als bedoeld in de artikelen 152, 153, 154, eerste lid, 155, 156, 157, eerste en derde lid, 158, eerste lid, 161, eerste lid, 163, eerste lid, 164, eerste, derde en vierde lid, 165, 209 en 210, eerste tot en met derde lid, van verordening 1308/2013.

Artikel 6:3

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.