Besluit van 27 oktober 2014, houdende regels ter uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Uitvoeringsbesluit Wmo 2015)
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 11 juli 2014, kenmerk 644936-123830-WJZ;
Gelet op artikelen 1.1.2, vijfde lid, 1.2.2, derde lid, 2.1.4, vierde lid, 2.6.2, tweede lid, 2.6.5, tweede lid, 3.3, derde lid, en 5.4.1, derde en vijfde lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, 6, vierde lid, en 77 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, 4, eerste lid, van de Wet wettelijke grondslag bdu siv, 29, derde lid, van de Mededingingswet, 40, eerste lid, van de Participatiewet, 1, tweede lid, van de Kwaliteitswet zorginstellingen, 10, eerste lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte, 2, vijfde lid, van de Kaderwet militaire pensioenen, 15, derde lid, en 19, tweede lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning, 11, eerste lid, van de Wet op de omzetbelasting, 11, eerste lid, van de Tabakswet, 15, eerste lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, 5, eerste lid, van de Wet toelating zorginstellingen, 90, vijfde lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, 13, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, 5, tweede lid, en 7, tweede lid, van de Veteranenwet en 16 van het Wetboek van strafrecht;
De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord advies van 1 oktober 2014, nummer W13.14.0265/III;
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 22 oktober 2014, 678491-128032-WJZ;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
Hoofdstuk 2. Gelijkstelling vreemdeling
Hoofdstuk 2. Gelijkstelling vreemdeling
Hoofdstuk 4. Advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling
Hoofdstuk 3. Bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget
Artikel 5.1
Het college neemt in een overeenkomst met betrekking tot het leveren van maatwerkvoorzieningen op, dat de aanbieder in overleg treedt met de aanbieder of aanbieders die in opdracht van het college laatstelijk voor hem dan wel na hem die maatwerkvoorzieningen hebben verleend dan wel gaan verlenen, over de overname van de betrokken hulpverleners.
Het college verleent een opdracht voor het leveren van maatwerkvoorzieningen ten minste drie maanden voor de ingangsdatum van die opdracht.
Artikel 5.2
Teneinde te komen tot de afspraken, bedoeld in artikel 5.4.1, tweede lid, van de wet, nodigt het college, zo veel als mogelijk in samenwerking met andere colleges in de regio, de in die regio werkzame zorgverzekeraars periodiek uit voor overleg.
Indien het college en de zorgverzekeraars gezamenlijk oordelen dat dit met het oog op het maken van goede afspraken wenselijk is, nodigt het college ook andere in de regio op de in artikel 5.4.1, tweede lid, van de wet genoemde terreinen werkzame organisaties en instanties uit voor overleg. Artikel 5.4.1, eerste, tweede en vierde lid, van de wet is op deze organisaties en instanties van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.3
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 2.6.2, eerste lid, van de wet door de Sociale verzekeringsbank, genoemd in artikel 3 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
Hoofdstuk 6. Wijziging van andere besluiten
Hoofdstuk 7. Overgangs- en slotbepalingen
Hoofdstuk 8. Inwerkingtreding en citeertitel
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 6.1
Wijzigt het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen.
Artikel 6.2
Wijzigt het Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998.
Artikel 6.3
Wijzigt het Besluit beperking verkoop en gebruik tabaksprodukten.
Artikel 6.4
Wijzigt het Besluit bijzondere militaire pensioenen.
Artikel 6.5
Besluit decentralisatie- en integratie-uitkeringen.
Artikel 6.6
Wijzigt het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid.
Artikel 6.7
Wijzigt het Besluit huurprijzen woonruimte.
Artikel 6.8
Wijzigt het Besluit maatschappelijke ondersteuning.
Artikel 6.9
Wijzigt het Besluit tijdelijke verruiming toepassingsbereik concentratietoezicht op ondernemingen die zorg verlenen.
Artikel 6.10
Wijzigt het Besluit Wfsv.
Artikel 6.11
Wijzigt de Reclasseringsregeling 1995.
Artikel 6.12
Wijzigt het Besluit van 11 december 1996, houdende uitvoering van artikel 1, tweede lid, van de Kwaliteitswet zorginstellingen en wijziging van enige besluiten op grond van de Ziekenfondswet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.
Artikel 6.13
Wijzigt het Bijdragebesluit zorg.
Artikel 6.14
Wijzigt het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992.
Artikel 6.15
Wijzigt het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968.
Artikel 6.16
Wijzigt het Uitvoeringsbesluit WTZi.
Artikel 6.17
Wijzigt het Veteranenbesluit.
Artikel 6.18
Wijzigt het Zorgindicatiebesluit.
Hoofdstuk 7. Overgangs- en slotbepalingen
Hoofdstuk 8. Inwerkingtreding en citeertitel
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 1.1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- –. belasting:
- 1°. indien over het peiljaar een aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: de over dat jaar verschuldigde inkomstenbelasting, bedoeld in artikel 2.7 van de Wet inkomstenbelasting 2001, vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde premie voor de volksverzekeringen, bedoeld in artikel 9 van de Wet financiering sociale verzekeringen;
- 2°. in de overige gevallen: het inkomensgegeven, bedoeld in artikel 21, onderdeel e, onder 2°, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;
- –. bijdrage: bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget;
- grondslag sparen en beleggen: grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001;
- –. inkomen:
- 1°. indien over het peiljaar een aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het inkomensgegeven, bedoeld in artikel 21, onderdeel e, onder 1°, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;
- 2°. in de overige gevallen: het inkomensgegeven, bedoeld in artikel 21, onderdeel e, onder 2°, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;
- –. peiljaar: tweede kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarvoor een bijdrage wordt vastgesteld;
- –. pensioengerechtigde leeftijd: de pensioengerechtigde leeftijd als bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet;
- –. rendementsgrondslag : rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.3, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001;
- –. standaardpremie: het bedrag als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de zorgtoeslag;
- –. vermogen: vermogen als bedoeld in artikel 3.2;
- –. vermogensinkomensbijtelling: bijtelling van het vermogen als bedoeld in artikel 3.2a;
- –. zak- en kleedgeld: bedrag als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Participatiewet;
- –. zorgtoeslag: tegemoetkoming als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de zorgtoeslag;
- –. zorgverzekering: verzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet.
Artikel 2.1
Voor de toepassing van de wet wordt met een Nederlander gelijkgesteld de vreemdeling die:
- a. na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehad in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e, of l, van de Vreemdelingenwet 2000 en voor de beëindiging van dit verblijf een aanvraag heeft ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning;
- b. binnen de termijn, genoemd in artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, of, buiten die termijn, in geval artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht toepassing heeft gevonden, bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen intrekking van de toelating in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e, of l, van de Vreemdelingenwet 2000, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehad; of
- c. in afwachting is van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000, onder een beperking verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden, omdat de vreemdeling zonder verblijfstitel slachtoffer is geworden van huiselijk geweld of slachtoffer is of dreigt te worden van eergerelateerd geweld en op grond daarvan rechtmatig verblijf heeft in de zin van artikel 8, onderdeel f, van de Vreemdelingenwet 2000.
De gelijkstelling, bedoeld in het eerste lid, eindigt zodra:
- a. onherroepelijk op de aanvraag, het bezwaar of het beroep is beslist;
- b. de uitzetting van de vreemdeling is gelast, tenzij die uitzetting ingevolge de Vreemdelingenwet 2000 of op grond van een rechterlijke beslissing achterwege dient te blijven; of
- c. het rechtmatig verblijf, onverminderd de onderdelen a en b, op grond van artikel 8, onderdeel f, van de Vreemdelingenwet 2000 is geëindigd.
§ 1. Algemeen
Artikel 3.1
Dit hoofdstuk is van toepassing op bijdragen als bedoeld in de artikelen 2.1.4, derde lid, 2.1.4a, eerste lid,2.1.5, en 8.4, tweede lid, van de wet.
Paragraaf 2 is, tenzijparagraaf 3 of 4 van toepassing is, van toepassing op bijdragen voor aangewezen algemene voorzieningen, bedoeld in artikel 2.1.4, derde lid van de wet, maatwerkvoorzieningen en persoonsgebonden budgetten.
Paragraaf 3 is van toepassing op bijdragen:
- 1°. voor een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget voor beschermd wonen; en
- 2°. krachtens artikel 8.4, tweede lid, van de wet.
Paragraaf 4 is van toepassing op bijdragen voor een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget voor opvang.
Dit hoofdstuk berust mede op de artikelen 2.1.4, vierde lid, 2.1.4a, derde, vierde, vijfde en zevende lid, en 2.1.4b, derde lid, van de wet.
Artikel 3.2
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.