← Geldende tekst · Geschiedenis

Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 8 december 2014, nr. MBO/664185, houdende regels voor het verhogen van de kwaliteit van het middelbaar beroepsonderwijs (Regeling kwaliteitsafspraken mbo)

Geldende tekst a fecha 2016-01-01

Gelet op artikel 2.2.3, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

Besluit:

Artikel I. Regeling kwaliteitsafspraken mbo

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 1.2. Doelstelling

De minister verstrekt aan instellingen voor de kalenderjaren 2015 tot en met 2018 jaarlijks een aanvulling op de bekostiging ten behoeve van activiteiten die erop zijn gericht de kwaliteit van het onderwijs van de instelling te verhogen.

Artikel 1.3. Investeringsbudget

De aanvulling op de bekostiging, bedoeld in artikel 1.2, bestaat uit het investeringsbudget.

Artikel 1.4. Kwaliteitsplan
1.

De instellingen stellen voor de kalenderjaren 2015 tot en met 2018 een kwaliteitsplan op.

2.

De instellingen leggen in het kwaliteitsplan gemotiveerd vast:

3.

De instellingen motiveren ten aanzien van de in bijlage 1 genoemde thema’s waaraan zij de aanvulling op de bekostiging niet willen besteden om welke reden zij hiertoe geen noodzaak zien.

4.

De instellingen dienen het kwaliteitsplan uiterlijk op 30 april 2015 in bij de minister.

5.

Artikel 4 van de Regeling OCW-subsidies is niet van toepassing op subsidieverstrekking op grond van deze regeling.

Artikel 1.5. Uitvoering
1.

De instellingen ondertekenen een uitvoeringsovereenkomst met de minister. De ondertekende uitvoeringsovereenkomst wordt uiterlijk op 1 maart 2015 door de instellingen ingediend bij de minister.

2.

De instellingen winnen advies in over het door hen opgestelde kwaliteitsplan en de uitvoering daarvan bij een door de minister aangewezen instantie.

3.

Een door de minister aangewezen instantie adviseert de minister over de beoordeling van het kwaliteitsplan ten aanzien van het thema stimuleren van excellentie.

Artikel 1.6. Monitor en evaluatie
1.

De instellingen dienen in 2016, 2017 en 2018 uiterlijk op 1 maart een schriftelijke tussenrapportage over de voortgang van de uitvoering van het kwaliteitsplan in bij de minister.

2.

De instellingen dienen in 2019 uiterlijk op 1 maart een schriftelijke eindrapportage over de uitvoering van het kwaliteitsplan in bij de minister.

3.

De effecten van de aanpak van het beleid inzake het verhogen van de kwaliteit van het middelbaar beroepsonderwijs worden uiterlijk in 2017 tussentijds geëvalueerd.

4.

De effecten van de aanpak van het beleid inzake het verhogen van de kwaliteit van het middelbaar beroepsonderwijs worden uiterlijk in 2019 geëvalueerd.

Artikel 1.7. Verantwoordingsplicht

De verantwoording van de aanvulling op de bekostiging geschiedt conform het bepaalde in artikel 13, tweede lid, onder a, van de Regeling OCW-subsidies.

Hoofdstuk 2. Investeringsbudget

Artikel 2.1. Investeringsbudget

Het investeringsbudget wordt aan de instellingen verstrekt ten behoeve van het verhogen van de kwaliteit van het onderwijs van de instelling, in het bijzonder ten behoeve van de thema’s:

Artikel 2.2. Subsidieplafond
1.

De subsidieplafonds worden jaarlijks bekendgemaakt in de Staatscourant.

2.

Voor het kalenderjaar 2015 is voor het verstrekken van het investeringsbudget, met uitzondering van het deel dat is bedoeld voor het thema stimuleren van excellentie, maximaal 163,5 miljoen euro beschikbaar.

3.

Voor het kalenderjaar 2015 is voor het verstrekken van het investeringsbudget dat is bedoeld voor het thema stimuleren van excellentie maximaal 24,0 miljoen euro beschikbaar.

Artikel 2.3. Verdeling
1.

Het in artikel 2.2, tweede lid, genoemde bedrag wordt als volgt verdeeld over de instellingen die voldoen aan de subsidievoorwaarden, bedoeld in de artikelen 1.4, eerste lid, en 1.5, eerste lid,:

2.

Het in artikel 2.2, derde lid, genoemde bedrag wordt verdeeld over de instellingen die aan de in artikel 2.4 bedoelde voorwaarde voldoen naar rato van het totaal van de rijksbijdragedelen voor die instelling, zoals die voor dat kalenderjaar op grond van artikel 2.2.1, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WEB zijn berekend.

Artikel 2.4. Stimuleren van excellentie
1.

Instellingen die in aanmerking willen komen voor het deel van het investeringsbudget dat is bedoeld voor het thema stimuleren van excellentie, dienen dit thema in het kwaliteitsplan op te nemen. Artikel 1.4 is van overeenkomstige toepassing.

2.

De minister beoordeelt uiterlijk op 15 juli 2015 het thema stimuleren van excellentie, zoals dat is opgenomen in het kwaliteitsplan. Voor de beoordeling wordt gebruik gemaakt van het beoordelingskader in bijlage 2.

3.

Het investeringsbudget dat is bedoeld voor het thema stimuleren van excellentie wordt uitsluitend toegekend aan instellingen waarvan dit onderdeel van het kwaliteitsplan door de minister is goedgekeurd.

Artikel 2.5. Besteding

De aanvulling op de bekostiging kan ook worden aangewend voor andere activiteiten van de onderwijsinstelling dan waarvoor deze aanvullende vergoeding wordt verstrekt.

Artikel 2.6. Betaling
1.

De betaling van het investeringsbudget vindt plaats volgens het kasritme van de betaling van de rijksbijdrage, bedoeld in artikel 2.2.4, tweede lid, van de wet. De eerste betaling vindt plaats in de maand mei 2015.

2.

In afwijking van het eerste lid vindt de eerste betaling van het deel van het investeringsbudget dat is bedoeld voor het thema stimuleren van excellentie, voor zover instellingen daarvoor in aanmerking komen, plaats in de maand september 2015.

Artikel II. Intrekking

Artikel III. Overgangsbepaling

Artikel IV. Inwerkingtreding

Bijlage 1. bij artikel 1.4, tweede lid, aanhef en onder a, van de Regeling kwaliteitsafspraken mbo

De in deze bijlage beschreven doelstellingen en activiteiten dienen per thema, voor zover mogelijk, SMART te worden geformuleerd: Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdgebonden.

De instellingen formuleren het kwaliteitsplan mede met het oog op de verwachte resultaten voor vsv en studiesucces, waarvoor vanaf 2016 resultaatafhankelijke bekostiging plaatsvindt.

Thema Omschrijving Deelaspecten (indien van toepassing)
Professionalisering Aan de hand van de Regeling bekwaamheid management en professionalisering onderwijspersoneel hebben de instellingen eerder een plan van aanpak opgesteld ten aanzien van bekwaamheid van het management, professionalisering van onderwijspersoneel en kwaliteitsverbetering HRM-beleid. Hiervan wordt een actualisatie gevraagd in het kwaliteitsplan, waarbij de instellingen ook aandacht besteden aan de Bekwaamheid van het management: Instellingen geven aan hoe zij hun managers gaan scholen en wanneer zij welke activiteiten hiertoe gaan ontplooien. Daarbij kunnen zij gebruik maken van het door de MBO Raad ontwikkelde competentieprofiel voor het management.
zeven thema’s van de Lerarenagenda 2013-2020 (Kamerstukken II2013/14, 27 923, nr. 171) is gepubliceerd. Hiernaast worden deze en de overige deelaspecten van het thema ‘professionalisering’ beschreven. Professionalisering van het onderwijspersoneel Instellingen geven aan hoe en met welk resultaat zij hun onderwijspersoneel in staat stellen zich verder te professionaliseren. Zij geven aan wanneer zij welke acties hiertoe gaan ondernemen.
Kwaliteitsverbetering HRM-beleid Instellingen geven aan welke activiteiten zij wanneer gaan ontplooien ten aanzien van het structureel voeren van functionerings-, beoordelings- en contextgesprekken en het onderhouden van bekwaamheidsdossiers. In het kwaliteitsplan wordt aandacht besteed aan kwaliteitsontwikkeling binnen en tussen teams en instellingen, onder meer door middel van peer review en kennismanagement. Tevens wordt aandacht geschonken aan de begeleiding van beginnende leraren.
Instellingen geven aan hoe, wanneer en met welk resultaat zij werken aan de ambities uit de Lerarenagenda 2013-2020, waaronder begeleiding en ontwikkeling van startende docenten, meer masteropgeleide docenten, bekwaamheidsonderhoud, betere aansluiting en samenwerking met het bedrijfsleven, betere inzet ICT, verbetering samenwerkende teams, registratie in het Lerarenregister en het werken aan een systeem van kwaliteitsborging. De instellingen geven hierbij aan hoe hun activiteiten zich verhouden tot de ambities uit de Lerarenagenda.
Professionalisering van examenfunctionarissen Instellingen geven aan hoe, met welk resultaat en wanneer zij hun examenfunctionarissen, waaronder in ieder geval de leden van de examencommissies, in staat stellen zich verder te professionaliseren.
Intensivering van het onderwijs in de Nederlandse taal en in rekenen Instellingen geven aan hoe en wanneer zij het taal- en rekenonderwijs in hun instelling gaan vormgeven met het oog op het behalen van de benodigde taal- en rekenvaardigheden door de deelnemers. Zij geven aan welke activiteiten zij gaan inzetten op het gebied van: – professionalisering van docenten en overige functionarissen op het gebied van taal- en rekenonderwijs; – extra onderwijstijd; – nieuwe of aangepaste faciliteiten; – andere activiteiten die nodig zijn voor het behalen van de benodigde taal- en rekenvaardigheden.
Terugdringen van voortijdig schoolverlaten (vsv) Instellingen geven aan welke activiteiten zij wanneer gaan ontplooien om voortijdig schoolverlaten te voorkomen met het oog op het verder terugdringen van het aantal voortijdig schoolverlaters op de instelling. Instellingen geven tevens aan welke activiteiten zij gaan ondernemen om het voorkomen van voortijdig schoolverlaten structureel te borgen in het eigen onderwijsproces en hoe zij structurele borging van de samenwerking met andere onderwijsinstellingen en gemeenten in de RMC-regio gaan vormgeven. De instelling zet de middelen op dit kwaliteitsthema in voor het treffen van maatregelen op instellingsniveau om zodoende de vsv-streefnormen te halen. Deze normen zijn voor de verschillende onderwijsniveau bepaald voor de resterende schooljaren 2014-2015 en 2015-2016 en vastgelegd in het vsv-convenant. Bij het behalen van de normen komt de instelling in aanmerking voor de variabele prestatiebeloning. De streefnormen zijn een vertaling van de landelijke doelstelling van 25.000 nieuwe vsv’ers in 2016 (gemeten over schooljaar 2014/2015). Deze doelstelling wordt bereikt door intensieve samenwerking tussen instellingen uit vo en mbo en andere partijen als gemeenten, zorg en hulpverlening en werkgevers. Voor de groep kwetsbare jongeren nemen de instellingen in het kwaliteitsplan op welke ambitieuze en haalbare afspraken zij willen maken in de regionale samenwerking met jeugdzorg, gemeenten en OCW.
Het bevorderen van de beschikbaarheid en de kwaliteit van de beroepspraktijkvormingsplaatsen (bpv) Instellingen geven aan hoe, met welk resultaat en wanneer zij zich inzetten om de beschikbaarheid en de kwaliteit van de bpv-plaatsen te verhogen. In het kwaliteitsplan is aandacht voor de verantwoordelijkheden van de instelling t.a.v. de bpv zoals voorbereiding en matching, (de begeleiding tijdens) de bpv-periode, beoordeling en evaluatie. Bij deze beschrijving kunnen instellingen gebruik maken van het Bpv-protocol.
Het stimuleren van excellentie Instellingen geven aan op welke wijze zij excellentie en de ontwikkeling van een duurzame excellentiecultuur binnen de instelling stimuleren. Zie verder bijlage 2.
Het verbeteren van studiesucces Instellingen kunnen aparte, resultaatgerichte activiteiten ontplooien om studiesucces te bevorderen. Instellingen geven aan hoe de activiteiten op de verschillende thema’s doorwerken op het verbeteren van studiesucces en met welk beoogd resultaat. Met studiesucces wordt de verhoging van het onderwijsniveau gemeten, waarbij als uitgangspunt de vooropleiding van de student geldt.

Bijlage 2. bij artikel 2.4, tweede lid, van de Regeling kwaliteitsafspraken mbo

Beoordelingskader bij het thema stimuleren van excellentie

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 1.8. Besteding

De aanvulling op de bekostiging kan ook worden aangewend voor andere activiteiten van de onderwijsinstelling dan waarvoor deze aanvullende vergoeding wordt verstrekt.

Hoofdstuk 2. Investeringsbudget

Hoofdstuk 3. Resultaatafhankelijk budget

Artikel 3.1. Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

Artikel 3.2. Resultaatafhankelijk budget

De minister kan een resultaatafhankelijk budget verstrekken aan de instellingen voor zover zij deelnemers naar een diploma van een zo hoog mogelijk niveau, gegeven hun vooropleiding, hebben begeleid.

Artikel 3.3. Subsidieplafond
1.

De subsidieplafonds worden jaarlijks bekendgemaakt in de Staatscourant.

2.

Voor het kalenderjaar 2016 is voor het verstrekken van het resultaatafhankelijk budget maximaal 99 miljoen euro beschikbaar.

Artikel 3.4. Studiewaarde
1.

De minister stelt de studiewaarde vast door per diploma het verschil te berekenen tussen de diplomawaarde en de referentiewaarde die hoort bij de vooropleiding van de deelnemer die het diploma heeft behaald.

2.

Indien een deelnemer eerder, maar op of na 1 oktober 2010, een diploma heeft behaald, dan wordt de studiewaarde verminderd met de studiewaarde van dat eerder behaalde diploma.

3.

Indien de studiewaarde berekend op basis van het eerste of tweede lid, lager is dan nul, dan wordt de studiewaarde van dat diploma op nul vastgesteld.

4.

Voor iedere eenheid wordt de gemiddelde studiewaarde bepaald door het gemiddelde te berekenen van de studiewaarden die in een schooljaar in de betreffende eenheid zijn behaald.

5.

Indien in een eenheid in de schooljaren 2011 tot en met 2014 gemiddeld minder dan vijftig diploma’s per schooljaar zijn behaald, wordt de gemiddelde studiewaarde van de eenheid in afwijking van het vierde lid gelijkgesteld aan de gemiddelde studiewaarde van het opleidingsdomein binnen de instelling waartoe de eenheid behoort. Indien ook in dit opleidingsdomein gemiddeld minder dan vijftig diploma’s per schooljaar zijn behaald, wordt de studiewaarde gelijkgesteld aan de gemiddelde studiewaarde van de instelling in de schooljaren 2011 tot en met 2014.

Artikel 3.5. Basiswaarde
1.

De basiswaarde van een eenheid wordt bepaald aan de hand van de gemiddelde studiewaarde van de eenheid in de schooljaren 2011 tot en met 2014.

2.

Indien in een eenheid in de schooljaren 2011 tot en met 2014 gemiddeld minder dan vijftig diploma’s per jaar zijn behaald, wordt de basiswaarde in afwijking van het eerste lid gelijkgesteld aan de gemiddelde studiewaarde van het opleidingsdomein binnen de instelling waartoe de eenheid behoort. Indien ook in dit opleidingsdomein gemiddeld minder dan vijftig diploma’s per jaar zijn behaald, wordt de basiswaarde gelijkgesteld aan de gemiddelde studiewaarde van de instelling in de schooljaren 2011 tot en met 2014.

3.

De minister stelt de basiswaarden van de eenheden per instelling uiterlijk binnen twee maanden na publicatie van deze regeling bij beschikking vast.

Artikel 3.6. Verdeling
1.

De minister verdeelt het in artikel 3.3 bedoelde bedrag voor het desbetreffende kalenderjaar over de instellingen op basis van de diploma’s behaald in het schooljaar voorafgaand aan het desbetreffende kalenderjaar.

2.

De minister maakt voor de verdeling van het in artikel 3.3 bedoelde bedrag onderscheid tussen het landelijk budget voor behoud en het landelijk budget voor verbetering.

3.

Het landelijk budget voor behoud wordt per schooljaar berekend door het in artikel 3.3 bedoelde bedrag te delen door het totaal aantal behaalde diploma’s in dat schooljaar te vermenigvuldigen met het aantal diploma’s dat op grond van artikel 3.7 voor het behoud van resultaten in aanmerking komt.

4.

Het landelijk budget voor verbetering wordt bepaald door het in artikel 3.3 bedoelde bedrag te verminderen met het landelijk budget voor behoud.

5.

De minister kan een instelling op grond van artikel 3.7, eerste lid, en artikel 3.8, eerste lid, niet een groter deel van het in artikel 3.3 bedoelde bedrag verstrekken dan maximaal acht procent van de rijksbijdrage, bedoeld in artikel 2.2.1, tweede lid, van de wet. Bij de bepaling van de in artikel 2.2.1, tweede lid, van de wet bedoelde rijksbijdrage wordt uitgegaan van het bedrag dat op grond van artikel 2.2.1, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WEB is berekend in de maand september voorafgaand aan het jaar waarvoor het resultaatafhankelijk budget is vastgesteld.

6.

Indien het resultaat van de in artikel 3.7, vierde lid, en artikel 3.8, derde lid, bedoelde verdeelsleutels zou zijn dat het maximum, bedoeld in het vijfde lid, wordt overschreden, dan wordt het bedrag waarmee het maximum wordt overschreden verdeeld over de instellingen naar rato van het bedrag dat zij op grond van artikel 3.7, eerste lid, en 3.8, eerste lid, ontvangen.

Artikel 3.7. Landelijk budget voor behoud
1.

Het deel van het landelijk budget voor behoud waarvoor een instelling in aanmerking komt, is de som van het bedrag waarvoor de eenheden binnen die instelling op grond van het tweede en derde lid gezamenlijk worden meegerekend.

2.

Een eenheid deelt voor het kalenderjaar 2016 mee in de verdeling van het landelijk budget voor behoud, indien de basiswaarde van de eenheid hoger is dan de grenswaarde die voor de eenheid van toepassing is, en indien de gemiddelde studiewaarde van de eenheid in het schooljaar voorafgaand aan dat kalenderjaar hoger is dan de grenswaarde voor de eenheid.

3.

Een eenheid deelt voor de kalenderjaren 2017 en 2018 mee in de verdeling van het landelijk budget voor behoud, indien de gemiddelde studiewaarde van de eenheid in het schooljaar voorafgaand aan dat kalenderjaar voor het tweede opeenvolgende schooljaar hoger is dan de grenswaarde van die eenheid.

4.

Het landelijk budget voor behoud wordt verdeeld over de in het tweede dan wel derde lid bedoelde eenheden op grond van de verdeelsleutel:

Hierin staat DiEh voor het aantal diploma’s dat is behaald in het schooljaar van de eenheid die voor het landelijk budget voor behoud in aanmerking komt; LTB voor het landelijk totaal van de diploma’s die zijn behaald in het schooljaar van alle eenheden die in aanmerking komen voor het landelijk budget voor behoud; en LBB voor het landelijk budget voor behoud.

Artikel 3.8. Landelijk budget voor verbetering
1.

Het deel van het landelijk budget voor verbetering waarvoor een instelling in aanmerking komt is de som van het bedrag waarvoor de eenheden binnen die instelling op grond van het tweede lid gezamenlijk worden meegerekend.

2.

Een eenheid wordt meegerekend voor de verdeling van het landelijk budget voor verbetering, indien de gemiddelde studiewaarde van de eenheid in het voorafgaande schooljaar hoger is dan de basiswaarde van de eenheid.

3.

Het landelijk budget voor verbetering wordt verdeeld over de in het tweede lid bedoelde eenheden op grond van de verdeelsleutel:

Hierin staat dE voor elke eenheid voor het positieve verschil tussen de gemiddelde studiewaarde en de basiswaarde, met dien verstande dat indien het positieve verschil groter is dan 0,1, dE wordt vastgesteld op 0,1; DiE voor het aantal diploma’s in de eenheid die in aanmerking komt voor het landelijk budget voor verbetering; LTV voor het landelijk totaal van dE maal DiE voor alle eenheden met verbetering; en LBV voor het landelijk budget voor verbetering.

Artikel 3.9. Betaling

De betaling van het resultaatafhankelijk budget vindt jaarlijks plaats in de maand november van het betreffende kalenderjaar.

Artikel 3.10. Fusie en splitsing
1.

In geval van fusie van instellingen betrekt de minister bij de toepassing van dit hoofdstuk de gegevens van de instellingen die in de gefuseerde instelling zijn opgegaan en berekent het deel van het resultaatafhankelijk budget waarvoor de instelling in aanmerking komt voor de gefuseerde instelling op basis van die gegevens.

2.

In geval van splitsing van instellingen betrekt de minister bij de toepassing van dit hoofdstuk de afspraken omtrent de toerekening van de gegevens aan elk van de instellingen die daarover door de betrokken bevoegde gezagsorganen zijn gemaakt, blijkend uit een door die bevoegde gezagsorganen aan de minister overgelegde en ondertekende verklaring dienaangaande.

Artikel 3.11. Onvoorziene omstandigheden

Indien meer dan een derde van de instellingen niet in aanmerking komt voor het resultaatafhankelijk budget als gevolg van omstandigheden waarop de instellingen geen invloed hebben, dan kan de minister met inachtneming van het subsidieplafond besluiten om voor alle instellingen de basiswaarden, de grenswaarden dan wel de referentiewaarden opnieuw vast te stellen.

Artikel 3.12. Invoeringsbepaling
1.

Voor het kalenderjaar 2016 wordt de hoogte van het resultaatafhankelijk budget als volgt berekend:

2.

Voor het kalenderjaar 2017 wordt de hoogte van het resultaatafhankelijk budget als volgt berekend:

3.

De verdeling van het gedeelte van het subsidieplafond bedoeld in het eerste lid onder b respectievelijk in het tweede lid onder b, over de instellingen, geschiedt op grond van de volgende verdeelsleutel:

Hierin staat dH voor elke instelling voor het aantal diploma’s met een diplomawaarde die hoger is dan de referentiewaarde die hoort bij de vooropleiding van de deelnemers die het diploma hebben behaald; LTdH voor het landelijk totaal aantal diploma’s dat hoger is dan de referentiewaarde die hoort bij de vooropleiding van de deelnemers die het diploma hebben behaald; LBd voor het landelijk budget voor 2016, bedoeld in het eerste lid onder b, respectievelijk 2017, bedoeld in het tweede lid, onder b.

4.

In afwijking van artikel 3.6, zesde lid, wordt in 2016 respectievelijk 2017, indien het resultaat van de in artikel 3.12, eerste lid, onder a. en b. bedoelde verdeelsleutels zou zijn dat het in artikel 3.6, vijfde lid, bedoelde maximum wordt overschreden voor 2016, dan wordt het bedrag waarmee dit maximum wordt overschreden, verdeeld over de instellingen naar rato van het bedrag dat zijn op grond van artikel 3,12, eerste lid, onder a ontvangen. Voor 2017 wordt dit verdeeld over de instellingen naar rato van het bedrag dat zij op grond van artikel 3.12, tweede lid, onder a, ontvangen.

Artikel II. Intrekking

Artikel III. Overgangsbepaling

Artikel IV. Inwerkingtreding

Bijlage 1. bij artikel 1.4, tweede lid, aanhef en onder a, van de Regeling kwaliteitsafspraken mbo

De in deze bijlage beschreven doelstellingen en activiteiten dienen per thema, voor zover mogelijk, SMART te worden geformuleerd: Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdgebonden.

De instellingen formuleren het kwaliteitsplan mede met het oog op de verwachte resultaten voor vsv en studiesucces, waarvoor vanaf 2016 resultaatafhankelijke bekostiging plaatsvindt.

Thema Omschrijving Deelaspecten (indien van toepassing)
Professionalisering Aan de hand van de Regeling bekwaamheid management en professionalisering onderwijspersoneel hebben de instellingen eerder een plan van aanpak opgesteld ten aanzien van bekwaamheid van het management, professionalisering van onderwijspersoneel en kwaliteitsverbetering HRM-beleid. Hiervan wordt een actualisatie gevraagd in het kwaliteitsplan, waarbij de instellingen ook aandacht besteden aan de Bekwaamheid van het management: Instellingen geven aan hoe zij hun managers gaan scholen en wanneer zij welke activiteiten hiertoe gaan ontplooien. Daarbij kunnen zij gebruik maken van het door de MBO Raad ontwikkelde competentieprofiel voor het management.
zeven thema’s van de Lerarenagenda 2013-2020 (Kamerstukken II2013/14, 27 923, nr. 171) is gepubliceerd. Hiernaast worden deze en de overige deelaspecten van het thema ‘professionalisering’ beschreven. Professionalisering van het onderwijspersoneel Instellingen geven aan hoe en met welk resultaat zij hun onderwijspersoneel in staat stellen zich verder te professionaliseren. Zij geven aan wanneer zij welke acties hiertoe gaan ondernemen.
Kwaliteitsverbetering HRM-beleid Instellingen geven aan welke activiteiten zij wanneer gaan ontplooien ten aanzien van het structureel voeren van functionerings-, beoordelings- en contextgesprekken en het onderhouden van bekwaamheidsdossiers. In het kwaliteitsplan wordt aandacht besteed aan kwaliteitsontwikkeling binnen en tussen teams en instellingen, onder meer door middel van peer review en kennismanagement. Tevens wordt aandacht geschonken aan de begeleiding van beginnende leraren.
Instellingen geven aan hoe, wanneer en met welk resultaat zij werken aan de ambities uit de Lerarenagenda 2013-2020, waaronder begeleiding en ontwikkeling van startende docenten, meer masteropgeleide docenten, bekwaamheidsonderhoud, betere aansluiting en samenwerking met het bedrijfsleven, betere inzet ICT, verbetering samenwerkende teams, registratie in het Lerarenregister en het werken aan een systeem van kwaliteitsborging. De instellingen geven hierbij aan hoe hun activiteiten zich verhouden tot de ambities uit de Lerarenagenda.
Professionalisering van examenfunctionarissen Instellingen geven aan hoe, met welk resultaat en wanneer zij hun examenfunctionarissen, waaronder in ieder geval de leden van de examencommissies, in staat stellen zich verder te professionaliseren.
Intensivering van het onderwijs in de Nederlandse taal en in rekenen Instellingen geven aan hoe en wanneer zij het taal- en rekenonderwijs in hun instelling gaan vormgeven met het oog op het behalen van de benodigde taal- en rekenvaardigheden door de deelnemers. Zij geven aan welke activiteiten zij gaan inzetten op het gebied van: – professionalisering van docenten en overige functionarissen op het gebied van taal- en rekenonderwijs; – extra onderwijstijd; – nieuwe of aangepaste faciliteiten; – andere activiteiten die nodig zijn voor het behalen van de benodigde taal- en rekenvaardigheden.
Terugdringen van voortijdig schoolverlaten (vsv) Instellingen geven aan welke activiteiten zij wanneer gaan ontplooien om voortijdig schoolverlaten te voorkomen met het oog op het verder terugdringen van het aantal voortijdig schoolverlaters op de instelling. Instellingen geven tevens aan welke activiteiten zij gaan ondernemen om het voorkomen van voortijdig schoolverlaten structureel te borgen in het eigen onderwijsproces en hoe zij structurele borging van de samenwerking met andere onderwijsinstellingen en gemeenten in de RMC-regio gaan vormgeven. De instelling zet de middelen op dit kwaliteitsthema in voor het treffen van maatregelen op instellingsniveau om zodoende de vsv-streefnormen te halen. Deze normen zijn voor de verschillende onderwijsniveau bepaald voor de resterende schooljaren 2014-2015 en 2015-2016 en vastgelegd in het vsv-convenant. Bij het behalen van de normen komt de instelling in aanmerking voor de variabele prestatiebeloning. De streefnormen zijn een vertaling van de landelijke doelstelling van 25.000 nieuwe vsv’ers in 2016 (gemeten over schooljaar 2014/2015). Deze doelstelling wordt bereikt door intensieve samenwerking tussen instellingen uit vo en mbo en andere partijen als gemeenten, zorg en hulpverlening en werkgevers. Voor de groep kwetsbare jongeren nemen de instellingen in het kwaliteitsplan op welke ambitieuze en haalbare afspraken zij willen maken in de regionale samenwerking met jeugdzorg, gemeenten en OCW.
Het bevorderen van de beschikbaarheid en de kwaliteit van de beroepspraktijkvormingsplaatsen (bpv) Instellingen geven aan hoe, met welk resultaat en wanneer zij zich inzetten om de beschikbaarheid en de kwaliteit van de bpv-plaatsen te verhogen. In het kwaliteitsplan is aandacht voor de verantwoordelijkheden van de instelling t.a.v. de bpv zoals voorbereiding en matching, (de begeleiding tijdens) de bpv-periode, beoordeling en evaluatie. Bij deze beschrijving kunnen instellingen gebruik maken van het Bpv-protocol.
Het stimuleren van excellentie Instellingen geven aan op welke wijze zij excellentie en de ontwikkeling van een duurzame excellentiecultuur binnen de instelling stimuleren. Zie verder bijlage 2.
Het verbeteren van studiesucces Instellingen kunnen aparte, resultaatgerichte activiteiten ontplooien om studiesucces te bevorderen. Instellingen geven aan hoe de activiteiten op de verschillende thema’s doorwerken op het verbeteren van studiesucces en met welk beoogd resultaat. Met studiesucces wordt de verhoging van het onderwijsniveau gemeten, waarbij als uitgangspunt de vooropleiding van de student geldt.

Bijlage 2. bij artikel 2.4, tweede lid, van de Regeling kwaliteitsafspraken mbo

Beoordelingskader bij het thema stimuleren van excellentie

Bijlage 3. bij artikel 3.1 van de Regeling kwaliteitsafspraken mbo

Opleidingsniveau Diplomawaarde
Basisberoepsopleiding 2
Vakopleiding 3
Middenkader- of specialistenopleiding 4

Bijlage 4. bij artikel 3.1 van de Regeling kwaliteitsafspraken mbo

Vooropleiding Referentiewaarde
Praktijkonderwijs 1,20
Vmbo zonder diploma 1,72
Havo/vwo zonder diploma 3,66
Vmbo bbl 2,62
Vmbo kbl 3,31
Vmbo gl 3,65
Vmbo tl 3,70
Havo/vwo 3,69
Overig 2,25

Bijlage 5. bij artikel 3.1 van de Regeling kwaliteitsafspraken mbo

Aggregatieniveau Domeincode Niveau diploma Grenswaarde
Niveau van de eenheid
opleidingsdomein 79000 2 0,07
79000 3 0,27
79000 4 0,52
opleidingsdomein 79010 2 0,09
79010 3 0,18
79010 4 0,55
opleidingsdomein 79020 2 0,05
79020 3 0,22
79020 4 0,55
opleidingsdomein 79030 3 0,11
79030 4 0,52
opleidingsdomein 79040 2 0,04
79040 3 0,19
79040 4 0,56
opleidingsdomein 79050 2 0,13
79050 3 0,24
79050 4 0,66
opleidingsdomein 79060 2 0,06
79060 3 0,19
79060 4 0,57
opleidingsdomein 79070 2 0,08
79070 3 0,23
79070 4 0,50
opleidingsdomein 79080 2 0,14
79080 3 0,20
79080 4 0,57
opleidingsdomein 79090 2 0,10
79090 3 0,18
79090 4 0,55
opleidingsdomein 79100 2 0,05
79100 3 0,12
79100 4 0,50
opleidingsdomein 79110 2 0,07
79110 3 0,17
79110 4 0,45
opleidingsdomein 79120 2 0,09
79120 3 0,22
79120 4 0,53
opleidingsdomein 79130 2 0,08
79130 3 0,14
79130 4 0,56
opleidingsdomein 79140 2 0,12
79140 3 0,24
79140 4 0,55
opleidingsdomein 79150 2 0,10
79150 3 0,18
79150 4 0,48
opleidingsdomein 79160 2 0,03
79160 3 0,12
Niveau van het opleidingsdomein
opleidingsdomein 79000 0,27
opleidingsdomein 79010 0,27
opleidingsdomein 79020 0,24
opleidingsdomein 79030 0,36
opleidingsdomein 79040 0,50
opleidingsdomein 79050 0,30
opleidingsdomein 79060 0,19
opleidingsdomein 79070 0,24
opleidingsdomein 79080 0,33
opleidingsdomein 79090 0,39
opleidingsdomein 79100 0,23
opleidingsdomein 79110 0,17
opleidingsdomein 79120 0,25
opleidingsdomein 79130 0,32
opleidingsdomein 79140 0,37
opleidingsdomein 79150 0,28
opleidingsdomein 79160 0,06
Niveau van de instelling 0,31

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.