Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 11 december 2014, nr. 2014-0000 104920, houdende regels over de bezoldiging en de uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband in de zin van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (Uitvoeringsregeling WNT)
Besluit:
Artikel 1. Begripsbepaling
In deze regeling wordt verstaan onder ‘wet’: de Wet normering topinkomens.
Artikel 2. De componenten van de bezoldiging van de functionaris in dienstbetrekking
Ten aanzien van de functionaris in dienstbetrekking wordt, voor zover niet in het tweede lid uitgezonderd, in ieder geval tot de bezoldiging in de zin van de wet gerekend:
- a. het bruto loon;
- b. de vakantietoeslag of een component die zich kenmerkt als vakantietoeslag;
- c. de eindejaarsuitkering of een component die zich kenmerkt als eindejaarsuitkering;
- d. het tantième, de gratificatie, de bonus, de winstdeling of andere incidentele (variabele) beloning;
- e. de uitkering of verstrekking die wordt toegekend na het bereiken van een bepaalde diensttijd;
- f. de periodieke en de eenmalige bindingspremie;
- g. de periodieke en de eenmalige mobiliteitstoeslag;
- h. de periodieke en de eenmalige toeslag of toelage onder een andere benaming;
- i. de afkoopsom van niet-opgenomen vakantie- of compensatiedagen;
- j. het presentiegeld en het vacatiegeld;
- k. het voordeel, bedoeld in artikel 13bis van de Wet op de loonbelasting 1964, wegens de terbeschikkingstelling van een auto (mede) voor privégebruik (fiscale bijtelling);
- l. de belastbare vergoeding of verstrekking in natura;
- m. de werkgeversbijdrage voor sparen levensloopregeling;
- n. het werkgeversdeel van de premie voor een vrijwillige sociale verzekering;
- o. de werkgeversbijdrage aan de premie voor een andere vrijwillige verzekering;
- p. de werkgeversbijdrage ter compensatie van belastingnadelen;
- q. het werkgeversdeel van premies voor of bijdragen aan pensioenregelingen, ongeacht of daar concrete vermogensaanspraken uit voortvloeien of tegenover staan;
- r. het werkgeversdeel van premies voor of bijdragen aan regelingen voor vervroegde uittreding, ongeacht of daar concrete vermogensaanspraken uit voortvloeien of tegenover staan;
- s. de werkgeversbijdrage aan een nettopensioenregeling;
- t. de belaste kilometervergoeding eigen voertuig;
- u. overige belastbare vergoedingen gebruik eigen motorvoertuig;
- v. de belaste vergoeding verhuiskosten;
- w. overige vaste en variabele belastbare vergoedingen ter dekking van zakelijke kosten;
- x. de cadeaubon;
- y. doorbetaling van de in dit lid genoemde componenten tijdens ziekte, tijdens (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid, tijdens een sabbatical, tijdens schorsing van de functionaris hangende een onderzoek, tijdens vakantie en tijdens wettelijk en bovenwettelijk zwangerschaps- en bevallingsverlof, adoptieverlof, pleegzorgverlof, kort verzuimverlof, geboorteverlof, kort- of langdurend zorgverlof of ouderschapsverlof als bedoeld in de artikelen 3:1 tot en met 3:2, 4:1 tot en met 4:2a, 5:1, 5;9 en 6:1 van de Wet arbeid en zorg;
- z. doorbetaling van de in dit lid genoemde componenten over een periode waarin een functionaris, niet zijnde een topfunctionaris, vooruitlopend op de beëindiging van het dienstverband geen taken meer vervult.
Ten aanzien van de functionaris in dienstbetrekking wordt in ieder geval niet tot de bezoldiging in de zin van de wet gerekend:
- a. de reservering voor de vakantietoeslag;
- b. de reservering voor afkoop van niet-opgenomen vakantiedagen of compensatiedagen;
- c. de afkoopsom van of de opname van het levenslooptegoed;
- d. de reservering voor een sabbatical;
- e. vergoedingen en verstrekkingen die als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 zijn aangewezen, waaronder begrepen de gerichte vrijstellingen als bedoeld in artikel 31a, tweede lid, van die wet en op nihil gestelde verstrekkingen als bedoeld in artikel 3.7 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 (werkkostenregeling);
- f. uitkeringen of verstrekkingen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel o, van de Wet op de loonbelasting;
- g. uitkeringen en verstrekkingen tot vergoeding van in verband met het dienstverband geleden schade aan of verlies van persoonlijke zaken;
- h. uitkeringen en verstrekkingen tot vergoeding van materiële of immateriële schade of een tijdelijk of blijvend verlies van arbeids- of verdienvermogen ten gevolge van een dienstongeval of een beroepsziekte;
- i. het deel van de in het eerste lid, onderdeel i, bedoelde afkoopsom, voor zover die bij beëindiging van het dienstverband wordt uitbetaald en waarbij de uitbetaling tot overschrijding van het bezoldigingsmaximum leidt, bestaande uit de vakantiedagen:
- 1°. die, tot een maximum van vier maal de overeengekomen arbeidsduur per week of, als de overeengekomen arbeidsduur in uren per jaar is uitgedrukt, van een overeenkomstige tijd:
- a. behoren tot de in de twaalf kalendermaanden voorafgaande aan de datum van beëindiging van het dienstverband opgebouwde aanspraak op vakantie, bedoeld in artikel 7:634 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel in daaraan gelijke, daarmee overeenkomende of daaraan gelijk te stellen voorschriften die krachtens de artikelen 12 en 12o van de Wet ambtenaren defensie, artikel 47, eerste lid, van de Politiewet 2012 of artikel 1ab, onderdeel d, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren tot stand zijn gekomen, en
- b. waarvan de termijn, bedoeld in artikel 7:640a van het Burgerlijk Wetboek, dan wel in daaraan gelijke, daarmee overeenkomende of daaraan gelijk te stellen voorschriften die krachtens de artikelen 12 en 12o van de Wet ambtenaren defensie, artikel 47, eerste lid, van de Politiewet 2012 of artikel 1ab, onderdeel d, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren tot stand zijn gekomen, niet is verstreken, of
- 2°. die, zonder maximum:
- a. behoren tot de wettelijke minimumaanspraak op vakantie, bedoeld in artikel 7:634, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, dan wel daaraan gelijke, daarmee overeenkomende of daaraan gelijk te stellen voorschriften die krachtens de artikelen 12 en 12o van de Wet ambtenaren defensie, artikel 47, eerste lid, van de Politiewet 2012 of artikel 1ab, onderdeel d, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren tot stand zijn gekomen,
- b. niet zijn vervallen omdat de functionaris ze redelijkerwijs, aantoonbaar, niet heeft kunnen opnemen binnen de vervaltermijn, bedoeld in artikel 7:640a, eerste volzin, van het Burgerlijk Wetboek, dan wel in daaraan gelijke, daarmee overeenkomende of daaraan gelijk te stellen voorschriften die krachtens de artikelen 12 en 12o van de Wet ambtenaren defensie, artikel 47, eerste lid, van de Politiewet 2012 of artikel 1ab, onderdeel d, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren tot stand zijn gekomen, en
- c. niet verjaard zijn op grond van de verjaringstermijn, bedoeld in artikel 7:642 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel in daaraan gelijke, daarmee overeenkomende of daaraan gelijk te stellen voorschriften die krachtens de artikelen 12 en 12o van de Wet ambtenaren defensie, artikel 47, eerste lid, van de Politiewet 2012 of artikel 1ab, onderdeel d, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren tot stand zijn gekomen;
- j. premies of bijdragen van de werkgevers aan opleidings- en ontwikkelingsfondsen, arbeidsmarkt- en opleidingsfondsen of daarmee vergelijkbare, soortgelijke fondsen onder andere benamingen, die rechtstreeks dan wel via een schakelbepaling in de arbeidsovereenkomst of aanstelling als ambtenaar voortvloeien uit een algemene bepaling van een collectieve arbeidsovereenkomst, een algemene bepaling van een andere met vakbonden afgesproken collectieve regeling of een wettelijk voorschrift;
- k. premies of bijdragen van de werkgever voor bestuurdersaansprakelijkheidsverzekeringen.
Indien een functionaris deelneemt aan een collectieve pensioenregeling die uitgaat van een individueel actuarieel juiste premie kan voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel q, tot de bezoldiging worden gerekend het werkgeversdeel van een fictieve premie die blijkens een berekening van de pensioenuitvoerder voor de functionaris zou zijn betaald indien de pensioenregeling gebaseerd zou zijn op een doorsneepremie. Het werkgeversdeel van de fictieve doorsneepremie wordt berekend aan de hand van de formule:
y= ((a / b) x c) – d
waarin:
- y =. het werkgeversdeel van de fictieve doorsneepremie voor de functionaris;
- a =. het totaalbedrag aan pensioenpremies voor alle deelnemers aan de collectieve regeling;
- b =. het totaalbedrag aan pensioengevend inkomen van alle deelnemers aan de collectieve regeling;
- c =. het pensioengevend inkomen van de functionaris;
- d =. het werknemersdeel van de reële pensioenpremie van de functionaris.
Indien een topfunctionaris deelneemt aan een collectieve pensioenregeling die een gelijke premie kent en die met toepassing van het in artikel 220e van de Pensioenwet geregelde overgangsrecht voor de topfunctionaris uitgaat van een met de leeftijd oplopend percentage van het loon dat voor de pensioenberekening in aanmerking wordt genomen, kan voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel q, tot de bezoldiging worden gerekend: het werkgeversdeel van de gelijke premie die voor de functionaris zou zijn betaald indien voor hem geen overgangsrecht op grond van artikel 220e van de Pensioenwet van toepassing zou zijn. Het werkgeversdeel van de gelijke premie wordt berekend als de gelijke premie toegepast op het pensioengevend inkomen van de topfunctionaris minus het werknemersdeel van de reële pensioenpremie van de functionaris. Indien de collectieve pensioenregeling geen gelijke premie kent, wordt voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel q, in afwijking van de eerste en tweede volzin, de berekeningswijze van het derde lid op overeenkomstige wijze toegepast, met dien verstande dat voor ‘fictieve doorsneepremie’ wordt gelezen ‘fictieve gelijke premie’.
Artikel 3. De toerekening van componenten van de bezoldiging aan enig kalenderjaar
Een component van de bezoldiging wordt toegerekend aan de bezoldiging van het kalenderjaar waarin deze component in de salarisadministratie wordt verwerkt of, indien de component niet in de salarisadministratie wordt opgenomen, in het jaar waarin de component ten laste van het resultaat van de rechtspersoon of instelling komt.
Voor de toetsing aan het toepasselijk bezoldigingsmaximum kan, in afwijking van het eerste lid, een component van de bezoldiging die betrekking heeft op een eerder kalenderjaar dan waarin deze in de salarisadministratie wordt verwerkt, onderscheidenlijk ten laste van het resultaat van de rechtspersoon of instelling komt, toegerekend worden aan het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft.
Artikel 4. De uitkeringen wegens beëindiging dienstverband
Tot de uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband in de zin van de wet wordt, voor zover niet in het tweede en derde lid uitgezonderd, in ieder geval gerekend:
- a. de tussen partijen of de tussen de werkgever en de functionaris overeengekomen vergoeding wegens beëindiging van het dienstverband;
- b. de uitkering van een bedrag ineens of in termijnen uit hoofde van een afvloeiingsregeling;
- c. de uit een rechterlijke uitspraak voortvloeiende uitkering wegens beëindiging van het dienstverband, met dien verstande dat de betaling van een uit een rechterlijke uitspraak voortvloeiende uitkering die het maximum, bedoeld in de artikelen 2.10, eerste lid, en 3.7, eerste lid, van de wet overschrijdt, niet onverschuldigd is;
- d. de bezoldiging over een periode waarin de topfunctionaris vooruitlopend op de beëindiging van het dienstverband geen taken meer vervult.
Tot de uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband wordt niet gerekend de uitkering wegens beëindiging van het dienstverband die voortvloeit uit een algemene bepaling van een collectieve arbeidsovereenkomst of van een van toepassing zijnde collectieve regeling die is overeengekomen met verenigingen van werknemers of ambtenaren die bevoegd zijn afspraken te maken over arbeidsvoorwaarden, of uit een wettelijk voorschrift, doch slechts voor zover de uitkering rechtstreeks, dwingend en eenduidig daaruit voortvloeit.
Tot uitkering wegens beëindiging van een dienstverband wordt niet gerekend de vergoeding van kosten van een outplacement traject, van juridische bijstand of van financieel of pensioenadvies in het kader van de beëindiging van een dienstverband indien:
- a. die vergoeding rechtstreeks, dwingend en eenduidig voortvloeit uit een algemene bepaling van een collectieve arbeidsovereenkomst, een van toepassing zijnde collectieve regeling die is overeengekomen met verenigingen van werknemers of ambtenaren die bevoegd zijn afspraken te maken over arbeidsvoorwaarden, of een wettelijk voorschrift, of
- b. de topfunctionaris de vergoeding uitsluitend kan aanwenden op basis van declaratie, onder overlegging van bewijsstukken, voor daadwerkelijk gemaakte kosten.
Artikel 5. Openbaarmaking gegevens topfunctionarissen
De verantwoordelijke vermeldt per boekjaar in het financieel verslaggevingsdocument van iedere topfunctionaris van wie de totale bezoldiging meer bedraagt dan € 2.200:
- a. de naam;
- b. de functie of functies;
- c. de duur van het dienstverband, aangeduid met de aanvangsdatum en einddatum van de functievervulling;
- d. tenzij het een lid van een hoogste toezichthoudend orgaan betreft: de omvang van het dienstverband, uitgedrukt, voor zover kleiner dan 1 fte, als rekenkundig op drie decimalen afgeronde deeltijdfactor met een maximum van 1 fte;
- e. tenzij het een lid van een hoogste toezichthoudend orgaan betreft: de beloning plus de belastbare onkostenvergoedingen;
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.