Besluit van het college van afgevaardigden van 4 december 2014 tot vaststelling van de verordening op de advocatuur (Verordening op de advocatuur)
Overwegende dat het uit een oogpunt van kenbaarheid en vermindering van regels wenselijk is de bestaande verordeningen te harmoniseren, te vereenvoudigen en in een verordening te integreren;
Gezien het voorstel van de algemene raad;
Gelet op de artikelen 4, vijfde lid, 9b, zesde lid, 9c, tweede lid, 9j, derde en vierde lid, 28, eerste en tweede lid, 32a, vijfde lid, 36a, vijfde lid, van de Advocatenwet;
Stelt de volgende verordening vast:
Hoofdstuk 1. Definities
Afdeling 1.1. Definities
Artikel 1.1. Definities
In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- advocaat: de in Nederland ingeschreven advocaat;
- advocaat bij de Hoge Raad: de advocaat, bedoeld in artikel 9j, eerste lid, van de Advocatenwet;
- advocatenpas: het door de Nederlandse orde van advocaten verstrekte authenticatiemiddel met een elektronische component dat een set van eigenschappen bevat waarmee toegang kan worden verleend tot bepaalde beveiligde internetdiensten;
- basistest: de test, bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, onderdeel a;
- beoefenaar van een toegelaten vrij beroep: een beroepsbeoefenaar als bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, onderdelen b en c;
- beroepsopleiding advocaten: de opleiding, bedoeld in artikel 9c, van de Advocatenwet;
- buitenstagiaire: de stagiaire aan wie op grond van artikel 9b, derde lid, van de Advocatenwet vrijstelling is verleend van de verplichting bij een patroon kantoor te houden;
- CCBE: Council of Bars and Law Societies of Europe;
- certificaat beroepsopleiding: het bewijs, bedoeld in artikel 8c, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, van de Advocatenwet, dat met gunstig gevolg het in artikel 9c, eerste lid, van de Advocatenwetbedoelde examen is afgelegd;
- deken: de deken van de orde in het arrondissement, bedoeld in artikel 22, tweede lid, van de Advocatenwet;
- derdengelden: gelden die een relatie hebben met de dienst die door de advocaat wordt verleend en die niet zijn bestemd voor de advocaat in het kader van zijn optreden in die hoedanigheid, maar voor de cliënt of een derde, uitgezonderd verschotten en griffierechten;
- financiële resultaat: het totaal van de ontvangen hoofdsom, rente, kostenvergoedingen, inclusief vergoeding op grond van artikel 96 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek en (proces)kostenveroordelingen;
- geaccrediteerde opleidingsinstelling: een opleidingsinstelling die de in artikel 3.25 bedoelde accreditatie heeft verkregen;
- geheimhouder: een advocaat of een persoon met een van de advocaat afgeleide geheimhoudingsplicht en afgeleid verschoningsrecht;
- geheimhoudernummer: een telefoon- of faxnummer dat doorgaans gebruikt wordt door geheimhouders voor vertrouwelijke communicatie;
- gestructureerd intercollegiaal overleg: een gestructureerd overleg over vraagstukken met betrekking tot de dagelijkse praktijkvoering van advocaten;
- houdster-rechtspersoon: een rechtspersoon die als feitelijke en statutaire activiteit heeft direct of indirect aandelen te houden in een praktijkrechtspersoon, lid te zijn van een coöperatie of op daarmee vergelijkbare wijze deel te nemen in een praktijkrechtspersoon;
- intervisie: een gestructureerde en periodieke bespreking in een kleine groep hiërarchische gelijkwaardige professionals waarin dilemma’s en vragen over het eigen functioneren, de praktijkvoering en praktijkuitoefening centraal staan;
- klacht: iedere schriftelijke uiting van ongenoegen van of namens de cliënt jegens de advocaat of de onder diens verantwoordelijkheid werkzame personen over de totstandkoming en de uitvoering van een overeenkomst van opdracht, de kwaliteit van de dienstverlening of de hoogte van de declaratie, het verrichten of aanbieden van buitengerechtelijke incassowerkzaamheden, niet zijnde een klacht als bedoeld in paragraaf 4 van de Advocatenwet;
- onderwijsaanbieders: de aanbieder, bedoeld in artikel 3.24, de uitvoeringsorganisatie beroepsopleiding advocaten en een geaccrediteerde opleidingsinstelling;
- patroon: de advocaat onder wiens begeleiding de stagiaire de praktijk uitoefent;
- peer review: een gestructureerde inhoudelijke beoordeling van bij een advocaat in behandeling zijnde of behandelde dossiers door een reviewer, gevolgd door een gesprek tussen de advocaat en de reviewer;
- praktijk uitoefenen in dienst: een advocaat die op grond van een arbeidsovereenkomst of aanstelling een werkgever heeft;
- praktijkrechtspersoon: iedere op de uitoefening van de rechtspraktijk gerichte rechtspersoon die voldoet aan de in artikel 5.7 gestelde eisen, niet zijnde een houdster-rechtspersoon;
- raad van de orde: de raad van de orde in het arrondissement, bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de Advocatenwet;
- samenwerkingsverband: een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 5.3;
- specifieke kosten: kosten verbonden aan de behandeling van een zaak, waaronder in ieder geval
- a. kosten gemaakt in opdracht van de advocaat voor medische adviezen en medische informatieverstrekking, toedrachtsonderzoeken of inschakeling van rekenbureaus, arbeidsdeskundigen en schade-experts; en
- b. reiskosten van de advocaat, kosten van getuigen en tolken, deurwaarderskosten, kosten van gerechtelijk of buitengerechtelijk tussen partijen benoemde deskundigen, griffierecht, alsmede het bedrag van de eventuele kostenveroordeling van de rechtzoekende;
- stage: de uitoefening van de praktijk door een advocaat onder begeleiding van een patroon;
- stagiaire: een advocaat die verplicht is zijn praktijk uit te oefenen onder begeleiding van een patroon;
- stagiaire-ondernemer: de stagiaire die de praktijk voor eigen risico en rekening uitoefent;
- stichting derdengelden: een stichting die ten doel heeft de derdengelden te beheren;
- uitvoeringsorganisatie: de uitvoeringsorganisatie, bedoeld in artikel 3.23.
Hoofdstuk 2. Organisatie van de Nederlandse orde van advocaten
Afdeling 2.1. Raden en commissies
Paragraaf 2.1.1. Raad van advies
Artikel 2.1. Leden raad van advies
De leden van de raad van advies hebben daarin zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie zonder last of ruggespraak uit.
Benoeming vindt plaats op grond van deskundigheid en ervaring die nodig is voor een goede vervulling van de taak van de raad van advies.
Artikel 2.2. Taakomschrijving raad van advies
Onverminderd het bepaalde in artikel 32a, tweede lid, van de Advocatenwet heeft de raad van advies tot taak de algemene raad te adviseren over de maatschappelijke positionering van de Nederlandse orde van advocaten en over hoofdpunten van beleid die de algemene raad daartoe aan de raad van advies voorlegt.
Onverminderd het bepaalde in artikel 32a, derde lid, van de Advocatenwet voorziet de algemene raad in openbaarmaking van de adviesaanvraag, bedoeld in het eerste lid, en het aan het advies gegeven gevolg.
Artikel 2.3. Benoeming leden raad van advies
Op voordracht van de algemene raad benoemt het college van afgevaardigden de leden van de raad van advies voor een periode van ten hoogste vier jaar.
Een lid kan eenmaal worden herbenoemd.
Artikel 2.4. Werkwijze raad van advies
De algemene raad wijst uit de leden een voorzitter aan.
De raad van advies stelt zijn eigen werkwijze vast.
Paragraaf 2.1.2. Dekenberaad
Artikel 2.5. Leden dekenberaad
Er is een dekenberaad dat uit de dekens van de orden in de arrondissementen bestaat.
De deken en secretaris van de algemene raad nemen deel aan het overleg van het dekenberaad, tenzij het dekenberaad anders beslist.
Artikel 2.6. Werkzaamheden dekenberaad
De werkzaamheden van het dekenberaad zijn:
- a. het uitwisselen van informatie en kennis met betrekking tot toezicht en klachtbehandeling;
- b. het signaleren en bespreken van ontwikkelingen op het gebied van toezicht en klachtbehandeling;
- c. het verzamelen van informatie met betrekking tot toezicht en klachtbehandeling ten behoeve van de verslaglegging, bedoeld in artikel 2.24; en
- d. het uitwisselen van informatie en kennis ter bevordering van een uniforme uitvoering van bij of krachtens de Advocatenwet aan de dekens en de raden van de orde opgedragen taken.
Artikel 2.7. Werkwijze dekenberaad
Het dekenberaad kiest uit zijn leden een voorzitter.
Het dekenberaad stelt zijn eigen werkwijze vast.
Paragraaf 2.1.3. Commissie cassatie
Artikel 2.8. Leden van de commissie cassatie
Er is een commissie cassatie die bestaat uit ten minste vijf leden die deskundig zijn op het terrein van cassatie in burgerlijke zaken.
Een lid van de commissie cassatie is geen lid van of niet werkzaam bij:
- a. de Hoge Raad;
- b. het parket bij de Hoge Raad;
- c. een orgaan van de Nederlandse orde van advocaten;
- d. een orgaan van de orde van advocaten in een arrondissement, uitgezonderd de jaarlijkse vergadering van de orde, bedoeld in artikel 17a, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de Advocatenwet;
- e. de raden van discipline; of
- f. het hof van discipline.
Artikel 2.9. Taakomschrijving commissie cassatie
Een door de algemene raad te bepalen aantal leden van de commissie cassatie heeft tot taak namens de algemene raad het mondeling examen, bedoeld in artikel 4.9, eerste lid, onderdeel b, af te nemen van advocaten die de aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ wensen te verkrijgen en de proeve van bekwaamheid, bedoeld in artikel 4.11, eerste lid, af te nemen van advocaten bij de Hoge Raad.
Artikel 2.10. Benoeming leden commissie cassatie
De algemene raad benoemt de leden van de commissie cassatie voor een periode van ten hoogste vier jaar.
Een lid kan eenmaal worden herbenoemd.
Artikel 2.11. Werkwijze commissie cassatie
De algemene raad wijst uit de leden een voorzitter aan.
De commissie cassatie stelt haar werkwijze vast in overleg met de algemene raad.
Paragraaf 2.1.4. Nederlandse delegatie, commissies en werkgroepen CCBE
Artikel 2.12. Leden delegatie, commissies en werkgroepen CCBE
Er is een Nederlandse delegatie bij de CCBE die bestaat uit ten minste drie leden, waaronder de algemeen secretaris, een medewerker van het bureau van de Nederlandse orde van advocaten die als information officer optreedt en een lid van de algemene raad.
Artikel 2.14, eerste tot en met het vierde lid, is niet van toepassing op de algemeen secretaris en de medewerker van het bureau van de Nederlandse orde van advocaten die als information officer optreedt.
De algemene raad wijst uit zijn midden een hoofd van de delegatie aan.
De algemene raad kan één of meer vertegenwoordigers namens de Nederlandse orde van advocaten laten deelnemen in door de CCBE ingestelde commissies of werkgroepen.
Artikel 2.13. Taakomschrijving delegatie, commissies en werkgroepen CCBE
De delegatie bij de CCBE heeft tot taak het vertegenwoordigen van de Nederlandse orde van advocaten bij de standing committee en de plenary session van de CCBE.
De Nederlandse vertegenwoordiging in commissies en werkgroepen van de CCBE heeft tot taak, na afstemming met de algemene raad:
- a. het vertegenwoordigen van de Nederlandse orde van advocaten;
- b. het geven van advies aan de algemene raad over Europese wet- en regelgeving en beleidsvraagstukken die van belang zijn voor de advocatuur en de rechtzoekende in het algemeen.
Artikel 2.14. Benoeming delegatie, commissieleden en werkgroepleden CCBE
De algemene raad benoemt de leden van de delegatie voor een periode van ten hoogste vier jaar.
De algemene raad benoemt, op verzoek van de CCBE, de Nederlandse vertegenwoordigers in commissies en werkgroepen van de CCBE voor een periode van ten hoogste vier jaar.
Een lid van de delegatie, commissie of werkgroep kan eenmaal worden herbenoemd.
Het lidmaatschap van de delegatie, een commissie of werkgroep eindigt van rechtswege bij beëindiging van het lidmaatschap van de algemene raad.
Het lidmaatschap van een commissie of werkgroep eindigt van rechtswege bij opheffing van de commissie of werkgroep.
Artikel 2.15. Werkwijze delegatie, commissie en werkgroep CCBE
De Nederlandse vertegenwoordiging in een commissie of werkgroep doet na deelname aan een vergadering verslag aan de delegatie en de algemene raad.
De informatie-uitwisseling vindt plaats via de information officer, bedoeld in artikel 2.12, eerste lid.
Paragraaf 2.1.5. Adviescommissie regelgeving
Artikel 2.16. Leden adviescommissie regelgeving
Er is een adviescommissie regelgeving die uit vier tot acht leden bestaat, waarvan de meerderheid, waaronder de voorzitter, advocaat is.
Een lid van de adviescommissie regelgeving is geen lid van of werkzaam bij:
- a. het college van afgevaardigden,
- b. de algemene raad,
- c. een raad van de orde in een arrondissement,
- d. een raad van discipline, of
- e. het hof van discipline.
Artikel 2.17. Taakomschrijving adviescommissie regelgeving
De adviescommissie regelgeving heeft tot taak de algemene raad gevraagd te adviseren over voorstellen van regelgeving van de Nederlandse orde van advocaten ten aanzien van de juridische en wetgevingskwaliteit van voorgenomen regelgeving van de Nederlandse orde van advocaten.
De algemene raad bericht de adviescommissie tot welk gevolg het advies heeft geleid en zendt het advies mee met conceptregelgeving aan het college van afgevaardigden.
Een lid van de algemene raad kan de vergaderingen van de commissie bijwonen.
Artikel 2.18. Benoeming leden adviescommissie regelgeving
De algemene raad benoemt de leden van de adviescommissie regelgeving voor een periode van ten hoogste vier jaar.
Een lid kan eenmaal worden herbenoemd.
Artikel 2.19. Werkwijze adviescommissie regelgeving
De algemene raad wijst uit de leden een voorzitter aan.
De adviescommissie regelgeving stelt haar werkwijze vast in overleg met de algemene raad.
Paragraaf 2.1.5a. Adviescommissie beroepsopleiding advocaten
Artikel 2.20. Leden overige adviescommissies
De algemene raad kan voor een rechtsgebied of beleidsterrein een adviescommissie instellen die uit ten minste drie leden bestaat.
Artikel 2.21. Taakomschrijving overige adviescommissies
Een adviescommissie heeft tot taak de algemene raad gevraagd of ongevraagd te adviseren over voorstellen voor wet- en regelgeving of beleidsvraagstukken die van belang zijn voor de advocatuur en de rechtzoekende in het algemeen.
Artikel 2.22. Benoeming leden overige adviescommissies
De algemene raad benoemt de leden voor een periode van ten hoogste vier jaar.
Een lid kan tweemaal worden herbenoemd.
Artikel 2.23. Werkwijze overige adviescommissies
De adviescommissie kiest uit de leden een voorzitter.
De adviescommissie stelt haar werkwijze vast in overleg met de algemene raad.
Paragraaf 2.1.6. Overige adviescommissies
Artikel 2.24. Verslag van werkzaamheden
De raad van advies brengt jaarlijks verslag uit van zijn werkzaamheden aan de algemene raad, die dit ter kennis brengt van het college van afgevaardigden.
Het dekenberaad brengt jaarlijks verslag uit van zijn werkzaamheden aan het college van afgevaardigden en het college van toezicht.
De verslagen zijn openbaar en de algemene raad publiceert deze elektronisch.
Artikel 2.25. Secretariaat commissies
De algemene raad voorziet in het secretariaat van:
- a. het dekenberaad;
- b. de commissie cassatie;
- c. de adviescommissie regelgeving;
- d. de adviescommissie beroepsopleiding advocaten.
De algemene raad kan voorzien in het secretariaat van de raad van advies en de overige adviescommissies, bedoeld in artikel 2.20.
Afdeling 2.2. Inkomsten en uitgaven
Paragraaf 2.2.1. Bijdragen aan de Nederlandse orde van advocaten
Artikel 2.26. Verschuldigdheid financiële bijdrage
De advocaat die op 1 januari van enig jaar op het tableau staat ingeschreven, is voor dat jaar de financiële bijdrage ten volle verschuldigd ter dekking van de door de Nederlandse orde van advocaten te maken kosten, bedoeld in artikel 32, tweede lid, van de Advocatenwet.
De advocaat die in het eerste kalenderkwartaal van enig jaar op het tableau wordt ingeschreven, is voor dat jaar de financiële bijdrage ten volle verschuldigd ter dekking van de door de Nederlandse orde van advocaten te maken kosten, bedoeld in artikel 32, tweede lid, van de Advocatenwet.
De advocaat die in het tweede kalenderkwartaal van enig jaar op het tableau wordt ingeschreven, is voor dat jaar 75% van de financiële bijdrage verschuldigd ter dekking van de door de Nederlandse orde van advocaten te maken kosten, bedoeld in artikel 32, tweede lid, van de Advocatenwet.
De advocaat die in het derde kalenderkwartaal van enig jaar op het tableau wordt ingeschreven, is voor dat jaar 50% van de financiële bijdrage verschuldigd ter dekking van de door de Nederlandse orde van advocaten te maken kosten, bedoeld in artikel 32, tweede lid, van de Advocatenwet.
De advocaat die in het vierde kalenderkwartaal van enig jaar op het tableau wordt ingeschreven, is voor dat jaar 25% van de financiële bijdrage verschuldigd ter dekking van de door de Nederlandse orde van advocaten te maken kosten, bedoeld in artikel 32, tweede lid, van de Advocatenwet.
Aan de advocaat wordt in een kalenderjaar in totaal niet meer dan de eerst verschuldigde financiële bijdrage van het betreffende kalenderjaar in rekening gebracht.
Met inachtneming van artikel 2.27, tweede lid, aanhef en onderdeel b, brengt de algemene raad de financiële bijdrage, bedoeld in het eerste tot en met het vijfde lid, bij de advocaat in rekening.
Met inachtneming van artikel 32, eerste en tweede lid, van de Advocatenwet brengt de raad van de orde de financiële bijdrage, bedoeld in artikel 32, tweede lid, van de Advocatenwet bij de advocaat in rekening.
Artikel 2.27. Voorstel hoogte financiële bijdrage
De algemene raad doet het college van afgevaardigden jaarlijks een voorstel voor de hoogte van de financiële bijdrage, die kan verschillen naar gelang van:
- a. de hoogte van het het door de Belastingdienst geregistreerde inkomen van de advocaat in het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de financiële bijdrage verschuldigd is;
- b. de duur of voorwaardelijkheid van de inschrijving van de advocaat op 1 januari van dat jaar.
De algemene raad kan regels stellen over:
- a. de wijze van berekening van en de bewijsmiddelen voor het het door de Belastingdienst geregistreerde inkomen;
- b. de indeling in categorieën, afhankelijk van de hoogte van het het door de Belastingdienst geregistreerde inkomen, de duur of de voorwaardelijkheid van de inschrijving.
Paragraaf 2.2.2. Cursus- en examengelden
Artikel 2.28. Opleidings- en examengeld beroepsopleiding advocaten
De uitvoeringsorganisatie brengt aan de stagiaire die deelneemt aan de beroepsopleiding advocaten, respectievelijk het in artikel 3.19, eerste lid, genoemde examen, opleidings- en examengeld in rekening voor het voorportaal, met uitzondering van de basistest, en de onderwijsonderdelen, bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onderdeel b. De aanbieder, bedoeld in artikel 3.23, brengt aan de stagiaire, bedoeld in de eerste volzin, het verschuldigde bedrag voor de basistest in rekening. De factuur kan op naam worden gesteld van het kantoor van de stagiaire.
De hoogte van het opleidings- en examengeld onderscheidenlijk het verschuldigde bedrag voor de basistest wordt vastgesteld door de algemene raad.
Artikel 2.29. Kosten examen en proeve van bekwaamheid cassatie
De advocaat is voor het examen, bedoeld in artikel 4.9, eerste lid, onderdeel b, en de proeve van bekwaamheid, bedoeld in artikel 4.11, eerste lid, een door de algemene raad vast te stellen vergoeding verschuldigd binnen een door de algemene raad te bepalen termijn.
Paragraaf 2.1.7. Verslag en ondersteuning
Artikel 2.30. Vergoeding algemene raad
Het college van afgevaardigden stelt de vergoeding vast voor de werkzaamheden van de deken en de overige leden van de algemene raad.
Artikel 2.31. Rechthebbenden vacatiegeld en reiskostenvergoeding
De algemene raad kent vacatiegeld en een reiskostenvergoeding toe aan:
- a. de leden van een raad van discipline en het hof van discipline die tevens advocaat zijn;
- b. de leden en plaatsvervangende leden van het college van afgevaardigden en de leden van het college van afgevaardigden die zijn benoemd in de financiële commissie, bedoeld in artikel 32, derde lid, van de Advocatenwet;
- c. de leden van de raad van advies en de commissie cassatie;
- d. de leden van de redactie van het Advocatenblad die tevens advocaat zijn.
Onder plaatsvervangende leden als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt verstaan: als zodanig gekozen leden.
Artikel 2.32. Rechthebbenden reiskostenvergoeding
De algemene raad vergoedt de reiskosten van:
- a. de deken en de overige leden van de algemene raad;
- b. de door de algemene raad benoemde leden van adviescommissies;
- c. de leden van de adviescommissie regelgeving;
- d. degene die op verzoek van de algemeen deken, de algemene raad of het college van afgevaardigden een bijeenkomst bijwoont en de Nederlandse orde van advocaten officieel vertegenwoordigt;
- e. de leden van een door het college van afgevaardigden ingestelde voorbereidingscommissie.
Artikel 2.33. Verblijfskostenvergoeding
De algemene raad kan verblijfskosten vergoeden indien dat naar zijn oordeel doelmatig is.
Artikel 2.34. Andere rechthebbenden
De algemene raad kan in bijzondere gevallen aan anderen dan de in artikel 2.31 en artikel 2.32 genoemden vacatiegeld, een reiskostenvergoeding en een kostenvergoeding toekennen.
Artikel 2.35. Hoogte vacatiegeld en reiskostenvergoeding
De algemene raad stelt de hoogte van het vacatiegeld vast, die kan verschillen naar rechthebbende en tijdsduur.
De algemene raad stelt de hoogte van de reiskostenvergoeding vast, die kan verschillen naar transportmiddel.
Artikel 2.36. Nadere regels wijze declaratie
De algemene raad stelt regels vast over de wijze waarop de vergoedingen, bedoeld in deze paragraaf worden gedeclareerd.
De algemene raad kan bij de aanvraag voor vacatiegeld of andere vergoeding van de aanvrager nadere bewijsmiddelen verlangen.
Afdeling 2.3. Arbeidsvoorwaarden medewerkers college van toezicht
Artikel 2.37. Arbeidsvoorwaarden medewerkers college van toezicht
De arbeidsvoorwaarden van de medewerkers van het bureau van de Nederlandse orde van advocaten zijn van overeenkomstige toepassing op de secretaris en andere medewerkers van het college van toezicht.
Hoofdstuk 3. Stage
Afdeling 3.1. Stage
Paragraaf 3.1.1. Algemeen
Artikel 3.1. Aanvang stage
De stage vangt aan op het moment dat de stagiaire is beëdigd, de stage en de patroon zijn goedgekeurd en de uitoefening van de praktijk is aangevangen.
Artikel 3.2. Voltooide stage
De stagiaire krijgt de verklaring, bedoeld in artikel 9b, vijfde lid, van de Advocatenwet, op het moment waarop de termijn, bedoeld in artikel 9b, eerste onderscheidenlijk tweede lid, van de Advocatenwet, is verstreken en:
- a. de stagiaire beschikt over het certificaat beroepsopleiding;
- b. de stagiaire voldoet aan het bepaalde in artikel 3.9 en artikel 3.10, eerste lid; en
- c. de raad van de orde, gehoord de patroon en de stagiaire, oordeelt dat de stagiaire over voldoende praktijkervaring beschikt, bedoeld in artikel 9b, tweede lid, van de Advocatenwet.
Artikel 3.3. Deeltijd
De stagiaire die in deeltijd werkzaam is, oefent de praktijk uit voor ten minste 24 uur per week.
In afwijking van het eerste lid oefent de stagiaire-ondernemer die in deeltijd werkzaam is, de praktijk uit voor ten minste 32 uur per week.
De stagiaire die in deeltijd wenst te werken, informeert de raad van de orde over het voorgenomen aantal uren dat per week gewerkt zal worden, voorafgaand aan de uitoefening van de praktijk en voorafgaand aan iedere wijziging in het aantal uren dat per week gewerkt zal worden.
Artikel 3.4. Stage geëindigd of opgeschort
De stage eindigt zonder stageverklaring:
- a. met wederzijds goedvinden van patroon en stagiaire;
- b. door opzegging door de stagiaire;
- c. door opzegging door de patroon, na daartoe verkregen goedkeuring van de raad van de orde;
- d. door een ambtshalve beslissing van de raad van de orde.
De stage is van rechtswege opgeschort:
- a. indien de stagiaire de praktijk meer dan drie maanden niet uitoefent, tenzij dit het gevolg is van wettelijk zwangerschaps- of bevallingsverlof;
- b. indien de stagiaire geen patroon heeft of de praktijk niet onder zijn begeleiding uitoefent;
- c. indien de patroon is geschorst, de praktijk niet meer uitoefent of de stagiaire niet meer kan begeleiden;
- d. zodra de patroon en de stagiaire niet langer in hetzelfde arrondissement zijn ingeschreven.
De opzegging, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, kan zonder voorafgaande goedkeuring door de raad van de orde plaatsvinden indien het certificaat beroepsopleiding niet meer kan worden overgelegd binnen het tijdvak, bedoeld in artikel 8c, eerste lid, aanhef en onderdeel c, en tweede lid, van de Advocatenwet.
De in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde goedkeuring wordt alleen geweigerd indien de opzegging onredelijk is.
De patroon brengt het einde van de stage of de opschorting, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdelen a, b en c, en tweede lid, onverwijld schriftelijk ter kennis van de raad van de orde.
Paragraaf 3.1.2. Goedkeuring stage en patroon
Artikel 3.5. Goedkeuring stage en patroon
De raad van de orde is belast met de goedkeuring van de stage en de beoogd patroon.
De stagiaire dient het verzoek om goedkeuring van de stage en de beoogd patroon in, door middel van een door de algemene raad vastgesteld formulier. Het formulier wordt medeondertekend door de beoogd patroon. De algemene raad stelt nadere regels met betrekking tot de bij het verzoek te verstrekken gegevens.
Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een verzoek van de stagiaire om wijziging van de patroon.
Artikel 3.6. Beoordeling aanvraag goedkeuring
De raad van de orde kan de goedkeuring, bedoeld in artikel 3.5, onthouden indien:
- a. aan de beoogd patroon of zijn kantoor tuchtrechtelijke of strafrechtelijke sancties zijn opgelegd;
- b. over de beoogd patroon tuchtrechtelijke klachten zijn ontvangen of met betrekking tot hem of zijn kantoor onregelmatigheden of gegronde bedenkingen zijn gebleken;
- c. de beoogd patroon korter dan een periode van zeven jaar in Nederland als advocaat is ingeschreven of ingeschreven is geweest;
- d. de beoogd patroon reeds patroon is hetzij van een buitenstagiaire, hetzij van een stagiaire-ondernemer;
- e. de beoogd patroon reeds patroon is van twee stagiaires;
- f. de beoogd patroon reeds patroon is van een stagiaire waarvan de duur van de stage korter is dan een jaar;
- g. de beoogd patroon niet geschikt wordt geacht als patroon;
- g. op andere gronden te verwachten valt dat er onvoldoende begeleiding zal zijn in de uitoefening van de praktijk.
Indien de advocaat is ingeschreven overeenkomstig artikel 2a van de Advocatenwet bedraagt de periode, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, vier jaar.
De raad van de orde onthoudt de goedkeuring in ieder geval:
- a. indien de beoogd patroon geen cursus als bedoeld in artikel 3.5a, eerste lid, heeft gevolgd;
- b. indien de beoogd patroon korter dan een aaneengesloten periode van vijf jaar in Nederland als advocaat is ingeschreven of ingeschreven is geweest;
- c. in geval van een buitenstagiaire of stagiaire-ondernemer, indien de beoogd patroon korter dan een periode van zeven jaar in Nederland als advocaat is ingeschreven of ingeschreven is geweest.
Indien de advocaat is ingeschreven overeenkomstig artikel 2a van de Advocatenwet bedraagt de periode, bedoeld in het derde lid, onderdeel b, twee jaar en de periode, bedoeld in het derde lid, onderdeel c, vier jaar.
Artikel 3.7. Bemiddeling bij zoeken patroon
Indien de patroon in de uitoefening van de praktijk is geschorst, de praktijk niet meer uitoefent of de stagiaire niet meer kan begeleiden, kan de raad van de orde bemiddelen bij het zoeken van een andere patroon.
Paragraaf 3.1.3. Verplichtingen stagiaire
Artikel 3.8. Verplichtingen stagiaire
De stagiaire verschaft de patroon de informatie die deze nodig heeft om te voldoen aan de verplichtingen, genoemd in artikel 3.13.
De stagiaire informeert de raad van de orde indien de stage tussentijds is geëindigd of van rechtswege is opgeschort, met uitzondering van de situaties, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onderdeel c, en artikel 3.13, zesde lid.
De stagiaire verricht de hem door de patroon of werkgever opgedragen werkzaamheden, met dien verstande dat de nakoming van de verplichtingen, genoemd in artikel 3.13, tweede lid, voorrang heeft. Hij verleent zijn medewerking aan de naleving van artikel 3.13, negende lid, door zijn patroon.
Artikel 3.9. Praktijkervaring stagiaire
De stagiaire is aan het eind van de stage in staat zelfstandig en naar behoren de praktijk uit te oefenen en heeft gedurende de stage ten minste de volgende praktijkervaring opgedaan:
- a. hij is vijf keer in rechte opgetreden in procedures op tegenspraak en de patroon heeft ten minste één mondelinge behandeling bijgewoond;
- b. hij heeft tien stukken, waaronder ten minste zeven processtukken, vervaardigd;
- c. hij heeft op twee van de drie rechtsgebieden burgerlijk recht en burgerlijk procesrecht, bestuursrecht en bestuursprocesrecht of strafrecht en strafprocesrecht ervaring opgedaan of, indien dat niet mogelijk is, op meerdere sub-rechtsgebieden binnen een van deze rechtsgebieden.
Artikel 3.10. Activiteiten in arrondissement
Aan het eind van de stage heeft de stagiaire tien opleidingspunten behaald voor activiteiten die de raad van de orde voor stagiaires aanbiedt of laat aanbieden en een voldoende behaald voor de pleitoefening.
De raad van de orde draagt er zorg voor dat de in het eerste lid bedoelde activiteiten en de pleitoefening bijdragen aan de professionele vorming en de ontwikkeling van de vaardigheden van de stagiaire.
De raad van de orde kent een punt per uur toe aan de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, niet zijnde de pleitoefening.
Bij de overgang naar een ander arrondissement worden de opleidingspunten, bedoeld in het eerste lid, en de voldoende voor de pleitoefening meegenomen.
Artikel 3.11. Buitenstagiaire of stagiaire-ondernemer
Een buitenstagiaire of stagiaire-ondernemer:
- a. richt de organisatie van zijn kantoor, inclusief de dienstverlening aan de cliënt en de administratie, de boekhouding daaronder begrepen, adequaat in; en
- b. neemt alleen zaken aan die hij gelet op zijn kantoororganisatie adequaat kan behandelen.
Artikel 3.12. Liquiditeit en boekhouding stagiaire-ondernemer
De stagiaire-ondernemer beschikt steeds over een passende kredietfaciliteit of over voldoende vermogen ter dekking van de kosten van het bruto minimumloon voor een jaar en de overige kosten van de praktijkvoering.
De stagiaire-ondernemer zendt aan de raad van de orde ten minste tweemaal per jaar de balans en de winst- en verliesrekening die door de patroon voor gezien ondertekend zijn. De stagiaire-ondernemer verstrekt de raad van de orde desgevraagd een toelichting of nadere inlichtingen.
Paragraaf 3.1.1. Algemeen
Artikel 3.13. Verplichtingen patroon
De patroon geeft de stagiaire leiding, voorlichting en raad met betrekking tot de praktijkuitoefening in de ruimste zin van het woord. Hij schenkt daarbij bijzondere aandacht aan de introductie van de stagiaire bij en diens optreden jegens de rechterlijke macht, beroepsgenoten en cliënten. Hij bewaakt de ontwikkeling van de stagiaire op een systematische en structurele wijze.
De patroon draagt er zorg voor dat de stagiaire de voor hem geldende verplichtingen nakomt, waaronder de verplichtingen, bedoeld in artikel 3.8 tot en met artikel 3.12, artikel 3.17 tot en met artikel 3.19 en artikel 2.28, en de maatregelen die door de algemene raad zijn vastgesteld, opleidingsmaatregelen daaronder begrepen.
De werkgever stelt de stagiaire die bij hem de praktijk in dienst uitoefent en bij hem kantoor houdt, met behoud van diens salaris, in de gelegenheid gedurende kantooruren de in het tweede lid genoemde verplichtingen na te komen en de daarvoor noodzakelijke voorbereidingen te treffen.
De patroon van de stagiaire die bij hem kantoor houdt, verschaft de stagiaire passende arbeid, met inachtneming van het tweede lid.
De patroon schenkt bij de begeleiding van een buitenstagiaire of stagiaire-ondernemer bijzondere aandacht aan de inrichting van diens kantoor inclusief de dienstverlening aan de cliënt en de administratie, de boekhouding daaronder begrepen.
De patroon informeert de raad van de orde indien de stagiaire de praktijk enige tijd niet uitoefent.
De patroon van de stagiaire die:
- a. geen stagiaire-ondernemer is en bij hem kantoor houdt, brengt ten minste eenmaal per jaar schriftelijk verslag uit aan de raad van de orde omtrent het verloop van de stage, of zoveel vaker als de raad van de orde noodzakelijk acht;
- b. stagiaire-ondernemer of buitenstagiaire is, brengt ten minste eenmaal per zes maanden verslag uit aan de raad van de orde omtrent het verloop van de stage, of zoveel vaker als de raad van de orde noodzakelijk acht.
De patroon werkt mee aan de opleiding van een stagiaire en verleent zijn medewerking tevens aan de opleidingsmaatregelen op grond van artikel 3.14, eerste lid.
De patroon draagt er zorg voor dat de stagiaire ten minste drie keer een optreden in rechte van een advocaat in een procedure op tegenspraak bijwoont. De advocaat, bedoeld in de eerste volzin, is ten minste een aaneengesloten periode van vijf jaar in Nederland als advocaat ingeschreven of ingeschreven geweest. Indien de advocaat, bedoeld in de eerste volzin, is ingeschreven overeenkomstig artikel 2a van de Advocatenwet, bedraagt de periode, bedoeld in de tweede volzin, twee jaar.
Afdeling 3.2. Beroepsopleiding advocaten
Artikel 3.14. Indeling beroepsopleiding advocaten
De beroepsopleiding advocaten omvat:
- a. een voorportaal, bestaande uit een basistest en eventueel studiebegeleiding;
- b. onderwijsonderdelen, bestaande uit:
- 1°. ethiek;
- 2°. algemene vaardigheden;
- 3°. kantoorspecifieke vaardigheden;
- 4°. juridisch-inhoudelijke kennis; en
- 5°. voorbereiding integratieve dagen.
Een negatieve uitkomst van de basistest in het voorportaal vormt geen belemmering voor het volgen van de onderwijsonderdelen van de beroepsopleiding advocaten.
De beroepsopleiding advocaten vangt tweemaal per jaar aan.
Artikel 3.15. Curriculum en opleidingsreglement
De algemene raad stelt het curriculum vast. Het curriculum bevat:
- a. de inhoud van de onderdelen van de beroepsopleiding advocaten, bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b;
- b. nadere regels over de onderwijsonderdelen en de omvang ervan;
- c. de eindtermen;
- d. nadere invulling van de onderdelen van het examen.
De algemene raad stelt een opleidingsreglement vast met de procedures en rechten en plichten met betrekking tot de beroepsopleiding advocaten.
In het opleidingsreglement kunnen taken worden opgedragen en bevoegdheden betreffende het onderwijs worden toegekend aan onderwijsaanbieders.
Artikel 3.16. Toelating tot beroepsopleiding advocaten
Een stagiaire schrijft zich voor of bij aanvang van de stage bij de uitvoeringsorganisatie in voor de beroepsopleiding advocaten via de Nederlandse orde van advocaten. Indien een stagiaire voorafgaand aan de aanvang van de beroepsopleiding de basistest heeft afgelegd, legt hij bij de inschrijving, doch uiterlijk voor aanvang van de beroepsopleiding hiervan een bewijsstuk over aan de algemene raad. Het bewijsstuk dient bij aanvang van de beroepsopleiding advocaten niet ouder te zijn dan één jaar.
Een stagiaire is toegelaten tot de beroepsopleiding advocaten en wordt in staat gesteld het onderwijs te volgen indien en voor zo lang:
- a. hij is ingeschreven op het tableau;
- b. de stage voortduurt;
- c. het cursus- en examengeld binnen de betalingstermijn is voldaan; en
- d. de algemene raad de deelname aan de beroepsopleiding advocaten niet heeft beëindigd wegens fraude.
Een stagiaire die niet meer is toegelaten tot de beroepsopleiding advocaten behoudt zijn toetskansen.
De algemene raad stelt nadere regels vast omtrent het bewijsstuk, bedoeld in het eerste lid, tweede volzin.
De algemene raad kan van het tweede lid, aanhef en onderdelen b en c, afwijken in gevallen waarin toepassing daarvan zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Artikel 3.17. Deelname onderwijs
De stagiaire neemt deel aan alle in artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, bedoelde onderdelen van de beroepsopleiding advocaten.
In afwijking van het eerste lid neemt de stagiaire, bedoeld in artikel 3.16, eerste lid, tweede volzin, deel aan het in artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onderdeel b, bedoelde onderdeel van de beroepsopleiding.
De stagiaire neemt deel aan de eerste cyclus van de beroepsopleiding advocaten die na aanvang van de stage wordt aangeboden.
De stagiaire die niet direct na aanvang van de stage deelneemt aan de beroepsopleiding advocaten, wordt geacht de aangeboden toetsen niet te hebben behaald.
De algemene raad kan van het derde en vierde lid afwijken indien toepassing daarvan zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Artikel 3.18. Vrijstelling deelname onderwijsonderdelen
Vervallen
Artikel 3.19. Examinering
Aan de beroepsopleiding advocaten is een examen verbonden dat bestaat uit een aantal toetsen ten aanzien van de onderwijsonderdelen. De basistest is geen toets als bedoeld in de eerste volzin.
De stagiaire neemt deel aan de eerste toetsgelegenheid van het onderwijsonderdeel.
Indien de toets, bedoeld in het tweede lid, niet is behaald, neemt de stagiaire deel aan de eerstvolgende gelegenheid die wordt geboden.
De stagiaire kan per onderdeel ten hoogste driemaal een toets afleggen.
Indien de stagiaire geen gebruik maakt van de voor hem geldende gelegenheid, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt de toets als niet behaald beschouwd.
De algemene raad kan afwijken van het vierde en vijfde lid in gevallen waarin toepassing daarvan zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Artikel 3.20. Vrijstelling van het examen
Vervallen
Artikel 3.21. Certificaat
De algemene raad verstrekt aan de stagiaire het certificaat beroepsopleiding advocaten.
De algemene raad geeft geen certificaat af dan nadat:
- a. de algemene raad heeft vastgesteld dat de stagiaire heeft deelgenomen aan de basistest, bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, onderdeel a; en
- b. de examencommissie heeft geoordeeld dat de stagiaire alle toetsen als bedoeld in artikel 3.19, eerste lid, met goed gevolg heeft afgelegd; en
- c. de onderwijsaanbieder of onderwijsaanbieders hebben verklaard dat de stagiaire aan alle opleidingsverplichtingen heeft voldaan.
Artikel 3.22. Terme de grâce
De algemene raad kan een stagiaire die is geschrapt op grond van artikel 8c, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Advocatenwet, op diens verzoek, binnen twee jaar na de schrapping, nog ten hoogste tweemaal toelaten tot een toets in de nog niet behaalde examenonderdelen voor de onderwijsonderdelen, tenzij daardoor het aantal gelegenheden, bedoeld in artikel 3.19, vierde lid, wordt overschreden.
Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, kan slechts worden ingewilligd indien:
- a. het onderwijs in het onderdeel van de beroepsopleiding advocaten waarop het verzoek ziet, is gevolgd; en
- b. de afwijzing naar het oordeel van de algemene raad zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Afdeling 3.3. Organisatie beroepsopleiding advocaten
Artikel 3.23. Aanbieder basistest
De Nederlandse orde van advocaten sluit een overeenkomst met een aanbieder over de uitvoering van de basistest.
Artikel 3.24. Uitvoeringsorganisatie beroepsopleiding advocaten
De Nederlandse orde van advocaten sluit een overeenkomst met een uitvoeringsorganisatie over de uitvoering van de beroepsopleiding advocaten, met uitzondering van de basistest.
Afdeling 3.4. Accreditatie beroepsopleiding advocaten
Artikel 3.25. Accreditatie beroepsopleiding advocaten
Een opleidingsinstelling die de onderwijsonderdelen, bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onderdeel b, onder 3°, 4° en 5°, aan wil bieden, doet een aanvraag om de opleiding te accrediteren bij de algemene raad.
De aanvraag wordt in ieder geval vergezeld van een beschrijving van de onderwerpen, bedoeld in artikel 3.22a.
De algemene raad verleent de accreditatie indien:
- a. de opleiding de onderwijsonderdelen, bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onderdeel b, onder 3°, 4° en 5°, omvat;
- b. de opleidingsinstelling en de opleiding voldoen aan het door de algemene raad vastgestelde kwaliteits- en accreditatiekader, bedoeld in artikel 3.22a; en
- c. de continuïteit van het onderwijs is gewaarborgd.
Accreditatie wordt voor ten hoogste zes jaar verleend en kan telkens voor ten hoogste zes jaar worden verlengd.
De algemene raad kan voorwaarden verbinden aan de accreditatie.
De algemene raad kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de procedure omtrent het verlenen en verlengen van de accreditatie.
De algemene raad kan de accreditatie intrekken indien naar zijn oordeel niet wordt voldaan aan de bij of krachtens het derde en vijfde lid gestelde regels, dan wel de opleidingsinstelling of de inhoud van de opleiding anderszins niet voldoen.
Hoofdstuk 4. Vakbekwaamheid van de advocaat
Afdeling 3.2. Beroepsopleiding advocaten
Paragraaf 4.1.1. Algemeen
Artikel 4.1. Deskundigheid
Een advocaat is bij de uitoefening van zijn beroep vakbekwaam, waaronder wordt begrepen dat de advocaat de professionele kennis en kunde bezit die nodig is voor het uitoefenen van de praktijk.
Een advocaat neemt alleen zaken aan waarvoor hij de deskundigheid bezit dan wel waarvoor hij gebruik maakt van de deskundigheid van een ander.
Paragraaf 4.1.2. Professionele kennis en kunde
Artikel 4.2. Reikwijdte
Deze paragraaf is van toepassing op de advocaat die al dan niet onderbroken drie jaar of langer op het tableau is ingeschreven. In afwijking van de eerste volzin is artikel 4.3a, eerste lid, en artikel 4.4, tweede lid, van toepassing op de advocaat die onvoorwaardelijk op het tableau is ingeschreven.
In afwijking van het eerste lid is deze paragraaf van toepassing op een advocaat die is ingeschreven op basis van een ten aanzien van het beroep van advocaat afgegeven erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties of op grond van artikel 16h van de Advocatenwet is ingeschreven.
Artikel 4.3. Professionele kennis en kunde
De advocaat onderhoudt en ontwikkelt jaarlijks aantoonbaar zijn professionele kennis en kunde op voor zijn praktijk relevante rechtsgebieden.
Artikel 4.4. Opleidingspunten
Een advocaat behaalt elk kalenderjaar ten minste twintig opleidingspunten, waarvan ten minste de helft betrekking heeft op juridische activiteiten op een voor zijn praktijk relevant rechtsgebied.
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid behaalt de advocaat die ten minste zes maanden is ingeschreven, elk kalenderjaar ten minste tien opleidingspunten op ieder rechtsgebied waarop hij zich het daaropvolgende kalenderjaar gaat registreren als bedoeld in artikel 6.32.
Indien deze paragraaf in een kalenderjaar korter dan elf maanden van toepassing is op een advocaat, wordt het aantal opleidingspunten, bedoeld in het eerste lid naar rato verminderd.
Een advocaat die ten minste tien opleidingspunten heeft behaald die betrekking hebben op juridische activiteiten op een voor zijn praktijk relevant rechtsgebied kan een tekort aan opleidingspunten als bedoeld in het eerste en tweede lid, tot een maximum van tien punten compenseren met een overschot aan punten dat hij in het voorafgaande kalenderjaar heeft behaald. Een tekort aan opleidingspunten als bedoeld in het tweede lid kan uitsluitend worden gecompenseerd met opleidingspunten op hetzelfde rechtsgebied.
Een advocaat behaalt één opleidingspunt door:
- a. ieder heel uur dat hij academisch of postacademisch onderwijs heeft gevolgd dat de praktijkuitoefening of de praktijkvoering ten goede komt, indien:
- –. het onderwijs gegeven is door deskundige docenten;
- –. de identiteit en de aanwezigheid van de deelnemende advocaat zijn vastgesteld;
- –. het onderwijs niet de beroepsopleiding advocaten betreft; en
- –. indien het onderwijs uitsluitend op afstand is gevolgd, het onderwijs is afgesloten met een toets, waarvoor een voldoende is behaald en de gemiddelde tijdsbesteding vooraf is aangegeven;
- b. ieder half uur dat hij academisch of postacademisch onderwijs heeft gegeven dat de praktijkuitoefening of de praktijkvoering ten goede komt;
- c. iedere 500 woorden van een juridisch artikel dat hij heeft geschreven en dat is gepubliceerd in de rechtsliteratuur;
- d. ieder heel uur dat hij heeft deelgenomen aan kwaliteitstoetsen in de vorm van:
- i. intervisie met ten hoogste vier punten per jaar;
- ii. peer review met ten hoogste vier punten per jaar;
- e. andere activiteiten, waarvoor de algemene raad nadere regels kan stellen betreffende het aantal opleidingspunten dat behaald kan worden.
De algemene raad stelt regels:
- a. die een niet-limitatieve lijst van activiteiten betreffen waarvoor geen opleidingspunten behaald kunnen worden;
- b. over erkenning van opleidingsinstellingen waardoor deze op voorhand kunnen aangeven hoeveel opleidingspunten toegekend worden aan een opleiding.
Een advocaat toont aan dat de opleidingspunten zijn behaald door overlegging van adequate bewijsstukken met vermelding daarbij, voor zover van toepassing, van de geregistreerde rechtsgebieden als bedoeld in artikel 6.32 waarop de opleidingspunten betrekking hebben.
Artikel 4.5. Inhaalverplichting
Indien een advocaat niet voldoet aan artikel 4.4, eerste, derde en vierde lid, haalt hij uiterlijk binnen twaalf maanden na afloop van het desbetreffende kalenderjaar het tekort aan opleidingspunten in.
De op grond van het eerste lid ingehaalde opleidingspunten gelden niet als opleidingspunten als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, of als overschot als bedoeld in het artikel 4.4, vierde lid.
Dit artikel laat onverlet dat de deken een dekenbezwaar kan indienen op grond van artikel 46f van de Advocatenwet.
Artikel 4.6. Herintredersregeling
Een advocaat die meer dan een jaar niet ingeschreven heeft gestaan, behaalt in de twaalf maanden na zijn beëdiging twintig opleidingspunten met juridische activiteiten op een voor zijn praktijk relevant rechtsgebied, onverminderd het bepaalde in artikel 4.4, eerste, tweede en derde lid.
Een advocaat kan bij de raad van de orde binnen vier weken na beëdiging gehele of gedeeltelijke vrijstelling verzoeken van het eerste lid, waarbij hij aantoont dat hij voldoende actuele kennis heeft van de voor zijn praktijk relevante rechtsgebieden.
De raad van de orde kan voorwaarden verbinden aan de vrijstelling, bedoeld in het tweede lid.
Artikel 4.7. Langdurige ziekte of zwangerschap
Indien een advocaat de praktijk meer dan zes maanden niet heeft uitgeoefend in verband met ziekte kan hij een beroep doen op toepassing van het tweede tot en met het vierde lid.
Artikel 4.3 a, eerste lid, artikel 4.3 b, eerste lid, en artikel 4.4, eerste en tweede lid, zijn niet van toepassing zo lang de advocaat de praktijk niet uitoefent. Artikel 4.5 is niet van toepassing op een tekort aan opleidingspunten ontstaan voordat het onderhavige derde en vierde lid van toepassing werden.
Op het moment dat de advocaat de praktijkuitoefening geheel of gedeeltelijk hervat:
- a. wordt het aantal opleidingspunten, bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, dat hij dient te behalen in het kalenderjaar dat hij de praktijkuitoefening hervat, naar rato verminderd overeenkomstig artikel 4.4, derde lid; en
- b. behaalt de advocaat binnen twaalf maanden op een voor zijn praktijk relevant rechtsgebied;
- –. vijf opleidingspunten indien de advocaat minder dan twaalf maanden de praktijk niet heeft uitgeoefend;
- –. tien opleidingspunten indien de advocaat twaalf maanden of meer maar minder dan vierentwintig maanden de praktijk niet heeft uitgeoefend;
- –. twintig opleidingspunten indien de advocaat meer dan vierentwintig maanden de praktijk niet heeft uitgeoefend.
- c. wordt het aantal uren, bedoeld in artikel 4.3a, eerste lid, onderdeel a, en artikel 4.3b, eerste lid, dat de advocaat verplicht is deel te nemen, naar rato verminderd met twee uur per drie maanden waarin hij de praktijk in het kalenderjaar niet heeft uitgeoefend wegens langdurige ziekte of zwangerschap.
Indien een advocaat in het kalenderjaar waarin hij de praktijkuitoefening geheel of gedeeltelijk hervat minder dan zes maanden de praktijk uitoefent, is artikel 4.4, tweede lid, niet van toepassing in dat kalenderjaar.
Een advocaat kan binnen vier weken nadat hij de praktijk geheel of gedeeltelijk heeft hervat de raad van de orde verzoeken om gehele of gedeeltelijke vrijstelling van het derde lid, onderdeel b, waarbij hij aantoont dat hij voldoende actuele kennis heeft van de voor zijn praktijk relevante rechtsgebieden. De raad van de orde kan aan de vrijstelling voorwaarden verbinden.
Indien een advocaat in verband met zwangerschap ten minste 16 weken de praktijk niet heeft uitgeoefend zijn het derde lid, onderdeel c, en artikel 4.4, derde lid, van toepassing.
Afdeling 4.2. Vakbekwaamheidseisen civiele cassatie
Paragraaf 4.2.1. Advocaat bij de Hoge Raad
Artikel 4.8. Aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken
De aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken is onvoorwaardelijk.
In afwijking van het eerste lid is de aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken voorwaardelijk, indien aantekening op het tableau heeft plaatsgevonden na toepassing van artikel 4.9, achtste lid, en een advocaat niet in het bezit is van het bewijsstuk, bedoeld in artikel 4.11, achtste lid, eerste volzin, dat de proeve van bekwaamheid met goed gevolg is afgelegd.
Met de in artikel 4.11, achtste lid, tweede volzin, bedoelde kennisgeving van het bewijsstuk aan de secretaris van de algemene raad wordt van rechtswege het voorwaardelijke karakter aan de aantekening ontnomen.
Artikel 4.9. Verklaring ten behoeve van de voorwaardelijke aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ in burgerlijke zaken
De algemene raad geeft op verzoek van een onvoorwaardelijk ingeschreven advocaat de verklaring, bedoeld in artikel 9j, tweede lid, van de Advocatenwet, af, indien hij:
- a. in de twaalf maanden voorafgaand aan het verzoek ten minste tien opleidingspunten heeft behaald op terreinen die leiden tot verdieping van zijn kennis van het burgerlijk recht, het burgerlijk procesrecht en de beheersing van de cassatietechniek; en
- b. met goed gevolg een mondeling examen heeft afgelegd, waardoor blijkt dat hij voldoende kennis heeft van de beginselen, uitgangspunten en regels van het burgerlijk procesrecht, in het bijzonder het appel- en cassatieprocesrecht, alsmede van onderdelen van het privaatrecht op een voor de praktijk van de advocaat relevant rechtsgebied.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)