Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 10 december 2014, nummer 2014-0000662921, houdende de instelling, taak, werkwijze en samenstelling van de bedrijfscommissie voor de overheid (Regeling bedrijfscommissie voor de overheid 2015)
Gelet op de artikelen 37, 38, 39, in samenhang met 46d, onderdeel d en 46e van de Wet op de ondernemingsraden;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Definities
In deze regeling wordt verstaan onder:
- bedrijfscommissie overheid: de bedrijfscommissie voor de overheid, bedoeld in artikel 2;
- ondernemingsraad: een ondernemingsraad, een centrale ondernemingsraad, een groepsondernemingsraad, een personeelsvertegenwoordiging of een vergadering als bedoeld in artikel 35b van de Wet op de ondernemingsraden;
- bemiddeling: de bemiddeling zoals bedoeld in artikel 4;
- werkgevers en verenigingen van werkgevers: de sector Rijk, de sector Politie, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, de Vereniging werken voor waterschappen en het Interprovinciaal Overleg;
- centrales van overheidspersoneel: de Algemene Centrale van Overheidspersoneel, de Christelijke Centrale van Overheids- en Onderwijspersoneel, het Ambtenarencentrum, en de Centrale van Middelbare en Hogere Functionarissen bij Overheid en Onderwijs, Bedrijven en Instellingen;
- de sector Rijk: de ambtelijke diensten van:
- a. elk ministerie, met uitzondering van het Ministerie van Defensie;
- b. de Tweede Kamer en de Eerste Kamer der Staten-Generaal;
- c. de Raad van State;
- d. de Algemene Rekenkamer;
- e. de Nationale ombudsman;
- f. de Hoge Raad van Adel;
- g. het Kabinet van de Koning;
- h. de Kanselarij der Nederlandse Orden;
- i. het secretariaat van de commissie van toezicht betreffende de inlichtingen- en veiligheidsdiensten;
- j. de Raad voor de rechtspraak, de rechtbanken, de gerechtshoven, de Centrale Raad van Beroep, het College van beroep voor het bedrijfsleven, de niet rechterlijke leden van de Raad voor de rechtspraak en van de besturen van voornoemde gerechten daaronder begrepen, en de gemeenschappelijke diensten die twee of meer van de in dit onderdeel genoemde organisaties in stand houden;
- k. het secretariaat van de toetsingscommissie inzet bevoegdheden.
Artikel 2. Algemeen
Er is een bedrijfscommissie overheid.
De bedrijfscommissie overheid vervult de taak zoals opgedragen in de Wet op de ondernemingsraden.
De bedrijfscommissie overheid bestaat uit leden die worden benoemd door de werkgevers en verenigingen van werkgevers en de centrales van overheidspersoneel.
De bedrijfscommissie overheid heeft een secretariaat.
Hoofdstuk 2. Taak bedrijfscommissie overheid
Artikel 3. Taak
De bedrijfscommissie overheid behandelt aangelegenheden, bedoeld in artikel 37 van de Wet op de ondernemingsraden.
De bedrijfscommissie overheid geeft uitvoering aan haar taak, bedoeld in het eerste lid, door in ieder geval:
- a. op verzoek te bemiddelen bij geschillen en bij het niet slagen van de bemiddeling te adviseren over de oplossing van het geschil;
- b. op verzoek te adviseren over toepassing van de Wet op de ondernemingsraden;
- c. voorlichting te verzorgen over de Wet op de ondernemingsraden en de toepassing van de Wet op de ondernemingsraden.
Artikel 4. Indienen verzoek tot bemiddeling
Iedere belanghebbende kan de bedrijfscommissie overheid verzoeken te bemiddelen bij een geschil, indien op grond van artikel 36, eerste lid, van de Wet op de ondernemingsraden een verzoek kan worden ingediend bij de kantonrechter.
De ondernemingsraad en de ondernemer kunnen de bedrijfscommissie overheid verzoeken te bemiddelen bij een geschil, indien op grond van artikel 36, tweede lid, van de Wet op de ondernemingsraden een verzoek kan worden ingediend bij de kantonrechter.
De ondernemingsraad en ieder lid van de ondernemingsraad of van een commissie van die raad kunnen de bedrijfscommissie overheid verzoeken te bemiddelen bij een geschil, indien op grond van artikel 18, vierde lid, van de Wet op de ondernemingsraden een verzoek kan worden ingediend bij de kantonrechter.
Een in te dienen verzoek als bedoeld in het eerste tot en met derde lid moet voldoen aan de volgende voorwaarden:
- a. partijen bij het geschil hebben overeenstemming over het verzoek om bemiddeling door de bedrijfscommissie overheid;
- b. partijen zien af van de gang naar de kantonrechter zolang de bemiddeling van de bedrijfscommissie overheid duurt, dan wel bij niet geslaagde bemiddeling de bedrijfscommissie overheid haar advies heeft uitgebracht; en
- c. het verzoek is voldoende omschreven, gemotiveerd en gedocumenteerd.
De voorwaarde bedoeld in onderdeel b van het vierde lid, is niet van toepassing als partijen het geschil al aan de kantonrechter hebben voorgelegd en zijn ingegaan op de door de kantonrechter geboden mogelijkheid te proberen het geschil op te lossen zonder uitspraak van de kantonrechter.
Bij een verzoek om bemiddeling kan de verzoeker vragen om behandeling volgens de verkorte bemiddelprocedure, zoals beschreven in paragraaf 3.2.
Artikel 5. Einde bemiddeling en status advies
Partijen bij het geschil bepalen of de bemiddeling, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder a, geslaagd is.
Het advies van de bedrijfscommissie overheid, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder a, dat volgt op een niet geslaagde bemiddeling is een niet-bindend advies.
Partijen bij het geschil kunnen, in afwijking van het tweede lid, overeenkomen het advies van de bedrijfscommissie overheid te aanvaarden als een bindend advies.
Hoofdstuk 3. Werkwijze van de bedrijfscommissie overheid bij een verzoek om bemiddeling
Paragraaf 3.1. Reguliere bemiddelprocedure
Artikel 6. Bevoegdheid bedrijfscommissie overheid
Na ontvangst van een verzoek om bemiddeling als bedoeld in artikel 4, gaat de bedrijfscommissie overheid na of zij bevoegd is het verzoek te behandelen.
Als een andere bedrijfscommissie bevoegd is het verzoek te behandelen, wordt het verzoek direct doorgezonden naar die commissie. Van de doorzending wordt gelijktijdig met de doorzending de verzoeker op de hoogte gesteld.
Verklaart de bedrijfscommissie overheid zich onbevoegd op een andere grond dan genoemd in het tweede lid, dan stelt zij de verzoeker hiervan direct op de hoogte. De kennisgeving gebeurt schriftelijk en gemotiveerd.
Artikel 7. Ontvankelijkheid verzoek
Een verzoek om bemiddeling is ontvankelijk als het voldoet aan het gestelde in artikel 4, eerste tot en met vijfde lid.
Na ontvangst van een verzoek om bemiddeling gaat de bedrijfscommissie overheid na of het verzoek voldoet aan het gestelde in artikel 4, eerste tot en met vijfde lid.
Als de bedrijfscommissie overheid een verzoek niet-ontvankelijk verklaart, wordt de verzoeker hiervan direct op de hoogte gesteld. De kennisgeving gebeurt schriftelijk en gemotiveerd.
Als de bedrijfscommissie overheid een verzoek onvoldoende omschreven, gemotiveerd en gedocumenteerd vindt, dan vraagt zij de verzoeker om aanvulling. Daarbij wordt aangegeven welke punten moeten worden aangevuld en welke documenten moeten worden aangeleverd. Zij stelt daarbij aan de verzoeker een termijn. Een verzoek is in ieder geval onvoldoende gemotiveerd, wanneer de verzoeker daarin niet zijn reactie geeft op het standpunt van de wederpartij in het geschil, zoals dit standpunt uit de meegestuurde documenten blijkt.
Artikel 8. Kennisgeving in behandeling nemen en informatieverstrekking over procedure
Nadat is vastgesteld dat de bedrijfscommissie overheid bevoegd is en het verzoek ontvankelijk is, stelt de bedrijfscommissie overheid de verzoeker er van op de hoogte dat het verzoek in behandeling wordt genomen.
Bij de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, wordt informatie verstrekt over de procedure en de vermoedelijke duur daarvan, de aanvang van de termijn, bedoeld in artikel 11, en de eventuele opschorting daarvan.
Artikel 9. Wijze van behandeling van het geschil
De bedrijfscommissie overheid beslist over de wijze waarop zij het verzoek om bemiddeling zal behandelen.
Partijen worden in de gelegenheid gesteld hun standpunten mondeling toe te lichten.
Partijen bij het geschil worden gevraagd voor het starten van de bemiddeling aan te geven of zij artikel 5, derde lid, toepassen en het advies dat volgt op een niet geslaagde bemiddeling als een bindend advies aanvaarden.
Artikel 10. Schriftelijk verslag
De bedrijfscommissie overheid brengt van elke bemiddeling schriftelijk verslag uit van haar bevindingen.
Het schriftelijk verslag bevat ten minste de volgende onderdelen:
- a. de datum waarop het verzoek is ingediend;
- b. een duidelijke vermelding van de partijen in het geschil;
- c. een omschrijving van het geschil en van de standpunten en argumenten van partijen, onder vermelding van het artikel of de artikelen van de Wet op de ondernemingsraden waarop het geschil betrekking heeft;
- d. een mededeling over de wijze waarop de bedrijfscommissie overheid tussen partijen heeft bemiddeld;
- e. bij een niet geslaagde bemiddeling, een advies aan partijen over de oplossing van het geschil en of er sprake is van een bindend advies omdat partijen toepassing hebben gegeven aan artikel 5, derde lid;
- f. de datum van het verslag.
De bedrijfscommissie overheid stuurt het verslag zo spoedig mogelijk aan partijen.
Artikel 11. Termijnen
De termijn voor de behandeling van een verzoek om bemiddeling, inclusief het uitbrengen van het schriftelijk verslag, genoemd in artikel 10, bedraagt maximaal twee maanden.
De termijn vangt aan op de dag waarop het verzoek bij de bevoegde bedrijfscommissie overheid is ontvangen.
De termijn wordt opgeschort met ingang van de dag waarop de bedrijfscommissie overheid de verzoeker uitnodigt het verzoek aan te vullen, tot de dag waarop het verzoek is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
De bedrijfscommissie overheid verlengt de termijn, bedoeld in artikel 7, vierde lid, in elk geval als een van de partijen hierom verzoekt en de andere partij hiermee instemt.
Als de bedrijfscommissie overheid het schriftelijk verslag, genoemd in het eerste lid, niet binnen de hiervoor bepaalde uiterste termijn kan uitbrengen, brengt zij betrokken partijen daarvan zo spoedig mogelijk op de hoogte. Zij stelt daarbij een nieuwe uiterste termijn.
Artikel 12. Interne regels
De bedrijfscommissie overheid kan interne regels maken over haar werkwijze. De regels moeten goedgekeurd worden door de Minister van Binnenlandse Zaken Koninkrijksrelaties.
Over het verlenen of onthouden van goedkeuring als bedoeld in het eerste lid, wordt door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties besloten nadat overleg met de WOR-kamer van de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid heeft plaatsgevonden.
Paragraaf 3.2. Verkorte bemiddelprocedure
Artikel 13. Bevoegdheid, ontvankelijkheid, wijze van behandeling
Op de verkorte bemiddelprocedure zijn de artikelen 6, 7, 8, 9 en 10 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 14. Bemiddeling op locatie
Bemiddeling volgens de verkorte bemiddelprocedure houdt in dat op locatie een mondelinge behandeling plaatsvindt om een minnelijke schikking tot stand te brengen.
Artikel 15. Beoordeling of verkorte bemiddelprocedure wordt toegepast
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.