Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 12 december 2014, houdende regels voor de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Uitvoeringsregeling Wmo 2015)
Gelet op de artikelen 3 van de Kaderwet VWS-subsidies, 5, derde lid, van de Kwaliteitswet zorginstellingen, 48i, tweede lid, van de Wet Justitie-subsidies, 2.5.1, vierde lid, 4.2.10, derde lid, 4.2.13, 4.2.14, 5.2.9, zesde lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, 2.7 van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector, 107 van de Vreemdelingenwet 2000, 21 van het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen, 3.13, eerste lid, 4.3.3, eerste en tweede lid, en 5.3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en artikel 7a, vierde lid, van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968;
Besluiten:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
- Uitvoeringsbesluit: Uitvoeringsbesluit Wmo 2015;
- Minister: Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
- Ministers: de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Minister van Veiligheid en Justitie;
- inspanningsgerichte uitvoeringsvariant: uitvoering van maatschappelijke ondersteuning waarbij er een afspraak is tussen het college en de aanbieder over de levering van een specifiek product of dienst in een afgesproken eenheid;
- iWmo: door het Zorginstituut beheerde standaarden als bedoeld in artikel 2.6.7a, derde lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 bestaande uit bedrijfsregels, berichtenstandaarden en berichtspecificaties;
- outputgerichte uitvoeringsvariant: uitvoering van maatschappelijke ondersteuning waarbij er een afspraak is tussen het college en de aanbieder over het te behalen resultaat;
- Covid-19: de ziekte veroorzaakt door coronavirus-SARS-CoV-2.
Hoofdstuk 2. Persoonsgebonden budget
Paragraaf 1. budgetbeheer Sociale verzekeringsbank
Artikel 2
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- a. derde: derde als bedoeld in artikel 2.3.6, eerste lid, van de wet;
- b. hulp uit het sociale netwerk: natuurlijk persoon die maatschappelijke ondersteuning verleent die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen hem en de cliënt bestaande sociale relatie, tenzij die maatschappelijke ondersteuning beroeps- of bedrijfsmatig wordt verleend.
Paragraaf 2. beveiligingseisen gegevensverwerking
Artikel 3
De gegevensverwerking, bedoeld in artikel 5.2.9, zesde lid, van de wet, voldoet aan NEN-ISO-IEC 27001 en NEN-ISO-IEC 27002 of is aan deze normen gelijkwaardig.
Hoofdstuk 3. Beveiligingseisen gegevensverwerking
Paragraaf 1. financiële verantwoording
Artikel 4
Een Veilig Thuis-organisatie stelt een jaarrekening als bedoeld in artikel 361 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek op waarin de eigen financiële gegevens zijn opgenomen en de gegevens, bedoeld in artikel 392 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, zijn bijgevoegd.
Op de jaarverslaggeving van een Veilig Thuis-organisatie is Titel 9 Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing met uitzondering van de afdelingen 1, 11 en 12 voor zover in deze paragraaf niet anders is bepaald.
In afwijking van of in aanvulling op Boek 2, titel 9, van het Burgerlijk Wetboek:
- a. wordt de jaarverslaggeving ingericht overeenkomstig de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving zoals vastgesteld door de Raad voor de Jaarverslaggeving, in het bijzonder hoofdstuk 640;
- b. wordt de jaarverslaggeving opgesteld en gepubliceerd in de Nederlandse taal en in de in Nederland wettige valuta;
- c. is het verslagjaar altijd gelijk aan een kalenderjaar;
- d. kan een Veilig Thuis-organisatie dat op twee opeenvolgende balansdata, zonder onderbreking nadien op twee opeenvolgende balansdata, heeft voldaan aan twee of drie van de eisen, genoemd in artikel 395a, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, volstaan met een samenstellingsverklaring van een accountant in plaats van een verklaring als bedoeld in artikel 393, vijfde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
- e. kan een Veilig Thuis-organisatie dat op twee opeenvolgende balansdata, zonder onderbreking nadien op twee opeenvolgende balansdata, heeft voldaan aan twee of drie van de eisen genoemd in artikel 396, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, volstaan met een beoordelingsverklaring van een accountant in plaats van een verklaring als bedoeld in artikel 393, vijfde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 5
Een Veilig Thuis-organisatie stelt de jaarverslaggeving en een jaardocument op dat ten minste een verantwoordingsdocument, het verslag, bedoeld in artikel 4.2.10 van de wet en andere informatie die wordt verstrekt op grond van het model, bedoeld in het derde lid, bevat.
De jaarverslaggeving en het jaardocument worden ter inzage gelegd en op verzoek van de Ministers aan hen en aan derden verstrekt uiterlijk voor 1 juni of, indien de jaarverslaggeving en het jaardocument betrekking hebben op een Veilig Thuis-organisatie dat valt onder een gemeenschappelijke regeling in de zin van de Wet gemeenschappelijke regelingen, voor 15 juli van het jaar volgend op het jaar waarop zij betrekking hebben. In afwijking van de eerste zin worden de jaarverslaggeving en het jaardocument over de verslagjaren 2019 of 2020 ter inzage gelegd en op verzoek van de Ministers aan hen en aan derden verstrekt uiterlijk voor 1 oktober 2020, respectievelijk 1 oktober 2021.
De jaarverslaggeving en het jaardocument worden opgesteld met gebruikmaking van het model te verkrijgen via de website www.jaarverslagenzorg.nl.
De Minister stelt jaarlijks uiterlijk voor 1 oktober na overleg met betrokken partijen het model voor het volgende verslagjaar vast en kan dit model tussentijds herzien.
De gegevens, bedoeld in artikel 4.1, eerste en tweede lid, van de Wet normering topinkomens, over de verslagjaren 2019 of 2020 worden uiterlijk voor 1 oktober 2020, respectievelijk 1 oktober 2021 openbaar gemaakt.
Artikel 6
De jaarverslaggeving en het jaardocument, bedoeld in artikel 5, worden in elektronische vorm bij het Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg ingediend voor 1 juni van het jaar volgend op het verslagjaar, dan wel uiterlijk voor 15 juli van dat jaar, indien zij betrekking hebben op een Veilig Thuis-organisatie dat valt onder een gemeenschappelijke regeling in de zin van de Wet gemeenschappelijke regelingen. In afwijking van de eerste zin worden de jaarverslaggeving en het jaardocument over de verslagjaren 2019 of 2020 ingediend voor 1 oktober 2020, respectievelijk 1 oktober 2021.
De Minister kan een Veilig Thuis-organisatie uitstel van indiening verlenen op een gemotiveerd verzoek, dat uiterlijk acht weken vóór het verstrijken van de in het eerste lid genoemde toepasselijke termijn moet zijn ingediend.
Paragraaf 1. financiële verantwoording
Artikel 7
Een Veilig Thuis-organisatie verstrekt aan het Centraal Bureau voor de Statistiek structureel de gegevens, bedoeld in artikel 4.3.2, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit, op de wijze beschreven in bijlage A bij deze regeling.
Hoofdstuk 3. Beveiligingseisen gegevensverwerking
Artikel 8
Een onderzoek als bedoeld in artikel 2.5.1, eerste lid, van de wet, bestaat mede uit een ervaringsonderzoek ten minste onder personen voor wie een onderzoek is uitgevoerd als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet of hen die gebruik maken van een voorziening.
Voor het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt gebruik gemaakt van een vragenlijst die ten minste ingaat op hoe personen als bedoeld in het eerste lid indien toepasbaar:
- a. de toegankelijkheid van voorzieningen ervaren;
- b. de kwaliteit van de ondersteuning ervaren; of
- c. de ondersteuning vinden bijdragen aan de zelfredzaamheid en participatie.
Het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, kan door middel van een representatieve steekproef worden uitgevoerd.
Hoofdstuk 3a. Tolkdiensten voor auditief beperkten
Artikel 9
Van de vermogensgrondslag, bedoeld in artikel 3.2, tweede en derde lid, van het Besluit, wordt het volgende vermogensbestanddeel afgetrokken:
- a. het bedrag van een schadevergoeding voor letselschade waarvan de hoogte is vastgelegd in een overeenkomst of rechterlijke uitspraak;
- b. het bedrag van een uitkering als bedoeld in artikel 9bis van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen;
- c. het bedrag van een uitkering als bedoeld in artikel 9ter van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen;
- d. het bedrag van een uitkering als bedoeld in artikel 9quater van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen;
- e. het bedrag van een uitkering als bedoeld in artikel 9quinquies van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen;
- f. het bedrag van een uitkering als bedoeld in artikel 9sexies van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen;
- g. het bedrag van een uitkering als bedoeld in artikel 9septies van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen;
- h. het bedrag van een uitkering als bedoeld in artikel 9octies van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen;
- i. het bedrag van een uitkering als bedoeld in artikel 9novies van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen;
- j. het bedrag van een uitkering als bedoeld in artikel 9decies van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen;
- k. het bedrag van een uitkering als bedoeld in artikel 9undecies van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen;
- l. een uitkering van kindgebonden budget met betrekking tot de berekeningsjaren 2013 tot en met 2017 door de Dienst Toeslagen in het kader van de herstelactie kindgebonden budget.
De termijn gedurende welke het bedrag van de uitkering, genoemd in het eerste lid, onderdeel l, wordt afgetrokken van de vermogensgrondslag, bedoeld in artikel 3.2, tweede en derde lid, van het Besluit, bedraagt een jaar, welke termijn aanvangt in het kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin de uitkering is verkregen.
De termijn gedurende welke het bedrag van de uitkering, genoemd in het eerste lid, onderdeel e tot en met g, wordt afgetrokken van de vermogensgrondslag, bedoeld in artikel 3.2, tweede en derde lid, van het Besluit, bedraagt drie jaar, welke termijn aanvangt in het kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin de uitkering is verkregen.
De termijn gedurende welke het bedrag van de uitkering, genoemd in het eerste lid, onderdelen b, c, d, h, i, j en k, wordt afgetrokken van de vermogensgrondslag, bedoeld in artikel 3.2, tweede en derde lid, van het Besluit, bedraagt tien jaar, welke termijn aanvangt in het kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin de uitkering is verkregen.
Artikel 10
Ingevolge artikel 3.13, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, van het Uitvoeringsbesluit wordt in verband met zak- en kleedgeld in mindering gebracht:
- a. voor de ongehuwde cliënt: € 4.925;
- b. voor de gehuwde cliënten tezamen: € 7.661.
Artikel 11
Ingevolge artikel 3.13, eerste lid, onderdeel b, onder 2°, van het Uitvoeringsbesluit worden in verband met de premie zorgverzekering in mindering gebracht:
- a. voor de ongehuwde cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt: € 1.987 vermeerderd met 5,32% van het inkomen, met dien verstande dat minimaal € 3.029,45 en maximaal € 5.797,61 in mindering wordt gebracht;
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.