Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 23 april 2015, IENM/BSK-2015/11533, houdende de vaststelling van regels voor op afstand bestuurde luchtvaartuigen

Type Ministeriële regeling
Publication 2020-12-31
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 2.10, eerste lid, 3.24, 4:8 en 5:10, eerste lid, van de Wet luchtvaart, artikel 5, 8, eerste lid, 9, 10 tweede lid, 14, vierde lid, 15, tweede lid, en artikel 16, eerste lid, van het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart, artikel 13, 16 en 18, tweede lid, van het Besluit luchtvaartuigen 2008, artikel 4, artikel 19, derde lid en artikel 20 van het Besluit luchtverkeer 2014 en artikel 4, tweede lid, van het Besluit vluchtuitvoering;

BESLUIT:

§ 1. Algemeen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

§ 2. Personeel

Artikel 2. Bijzondere bevoegdverklaringen voor RPA

De Minister kan op aanvraag de volgende bijzondere bevoegdverklaringen afgeven voor de besturing van een RPA waarvan de totale startmassa niet meer dan 150kg bedraagt:

Artikel 3. Eisen voor afgifte bewijs van bevoegdheid, algemene bevoegdverklaring en bijzondere bevoegdverklaring
1.

Een RPA-L met daarop weergegeven de algemene bevoegdverklaring VLOS of EVLOS wordt afgegeven indien de aanvrager heeft aangetoond te voldoen aan de voor het betreffende type operatie benodigde eisen inzake kennis, bedrevenheid en ervaring opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling.

2.

De algemene bevoegdverklaring FI (RPA), bedoeld in artikel 3, zesde lid, van het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart, wordt afgegeven indien de aanvrager:

3.

De bijzondere bevoegdverklaring, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt afgegeven indien de aanvrager heeft aangetoond te voldoen aan de voor de in dit artikelonderdeel bedoelde werkzaamheden benodigde eisen inzake kennis, bedrevenheid en ervaring opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling.

4.

De klassebevoegdverklaringen, bedoeld in artikel 2, onderdelen b en c, worden afgegeven indien de aanvrager heeft aangetoond te voldoen aan de voor operaties met RPA’s in de betreffende klasse benodigde eisen inzake kennis, bedrevenheid en ervaring opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling.

Artikel 4. Geldigheidsduur en eisen voor verlenging algemene en bijzondere bevoegdverklaringen
1.

De geldigheidsduur van de algemene bevoegdverklaring FI (RPA) kan worden verlengd, indien de aanvrager:

2.

De geldigheidsduur van de bijzondere bevoegdverklaring, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, bedraagt ten hoogste twee jaren en kan vervolgens steeds met twee jaren worden verlengd, indien de aanvrager heeft aangetoond dat hij

in de twee jaren onmiddellijk voorafgaande aan de datum van de aanvraag om verlenging ten minste twee uren per jaar ervaring heeft verkregen met de werkzaamheden waarvoor de bijzondere bevoegdverklaring vereist is.

3.

De geldigheidsduur van de bijzondere bevoegdverklaringen, bedoeld inartikel 2, onderdelen b en c, bedraagt ten hoogste twee jaren en kan vervolgens steeds met twee jaren worden verlengd, indien de aanvrager heeft aangetoond dat hij in de twee jaren onmiddellijk voorafgaande aan de datum van de aanvraag om verlenging ten minste twee uren per jaar ervaring heeft verkregen met operaties met een RPA in de betreffende klasse.

4.

De ervaring, bedoeld in het tweede en derde lid, moet zijn verkregen tijdens ten minste zes vluchten, die op zes verschillende dagen zijn uitgevoerd, waarvan de laatste drie vluchten hebben plaatsgevonden in de periode van negentig dagen onmiddellijk voorafgaande aan de datum van aanvraag.

Artikel 5. Wederafgifte bijzondere bevoegdverklaring

Voor wederafgifte van de bijzondere bevoegdverklaringen, bedoeld in artikel 2, is vereist dat de aanvrager heeft aangetoond dat hij:

Artikel 6. Bijhouden logboek

De houder van een RPA-L en de leerling-vlieger houden de gegevens van door hem uitgevoerde vluchten bij in een logboek waarvan het model gelijk is aan het in bijlage 2 bij deze regeling opgenomen model.

§ 3. Luchtwaardigheid

Artikel 7. Afgifte speciaal-BvL en geluidverklaring
1.

Een speciaal-BvL wordt aangevraagd door indiening bij de minister van een volledig ingevuld en ondertekend formulier, waarvan exemplaren kosteloos bij de minister zijn te verkrijgen.

2.

Aan de houder van een RPA, waarvan de startmassa niet meer dan 150 kg bedraagt, kan een speciaal-BvL worden afgegeven indien bij de aanvraag een, door een daartoe erkend bedrijf afgegeven, acceptatierapport betreffende de BvL-acceptatiekeuring is overgelegd, waaruit blijkt dat het luchtvaartuig voldoet aan de in bijlage 3 van deze regeling opgenomen luchtwaardigheidseisen.

3.

Het model van het speciaal-BvL is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 4.

4.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de geluidverklaring.

Artikel 8. Verlenging speciaal-BvL
1.

Voor het verlengen van de termijn van geldigheid van het speciaal-BvL wordt door de houder een aanvraag ingediend bij de minister door middel van een volledig en ondertekend formulier, waarvan exemplaren kosteloos bij de minister verkrijgbaar zijn.

2.

De aanvraag wordt vergezeld van een verklaring van de houder waaruit blijkt dat het luchtvaartuig nog steeds voldoet aan de in artikel 7, tweede lid, bedoelde eisen en is onderhouden overeenkomstig de in artikel 9 bedoelde eisen.

Artikel 9. Onderhoud

Onderhoud van een Nederlands RPAS geschiedt overeenkomstig de in bijlage 5 neergelegde eisen.

Artikel 9a. Buitenlandse RPA’s
1.

Dit artikel is van toepassing op RPA’s die geregistreerd zijn in een andere lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.

2.

De Minister verleent op grond van artikel 3.21 van de Wet luchtvaart ontheffing van het verbod een vlucht uit te voeren met een RPA die niet is voorzien van een geldig bewijs van luchtwaardigheid, indien de RPA voldoet aan eisen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de in deze paragraaf gestelde eisen wordt nagestreefd.

§ 4. Vluchtuitvoering

Artikel 10. Eisen aan uitvoering van vluchten
1.

De organisatie die vluchten uitvoert met een RPA waarvan de totale massa niet meer dan 150 kg bedraagt beschikt over:

2.

De organisatie, bedoeld in het eerste lid, draagt er zorg voor dat de Inspectie Leefomgeving en Transport beschikt over de actuele versie van het handboek, bedoeld in het eerste lid.

3.

Vluchten met een RPA waarvan de totale massa niet meer dan 150 kg bedraagt worden uitgevoerd met inachtneming van het handboek, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 11. Eisen voor afgifte ROC voor vluchten tegen vergoeding
1.

Een ROC wordt afgegeven indien de aanvrager beschikt over de in artikel 10, eerste lid, bedoelde documenten, met dien verstande dat het handboek door de minister is goedgekeurd.

2.

In afwijking van het eerste lid wordt een ROC voor de uitvoering van vluchten met een RPA als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder de in dat lid bedoelde beperkingen afgegeven, indien de aanvrager beschikt over de in artikel 10a, tweede lid, bedoelde documenten.

Artikel 12. Documenten

De door de gezagvoerder mee te voeren documenten, bedoeld in artikel 4.8 van de wet, zijn:

§ 5. Deelname aan het luchtverkeer

Artikel 13. Zichtafstand
1.

Het is verboden een VFR-vlucht uit te voeren met een RPA buiten zichtafstand van de bestuurder of een waarnemer.

2.

Onverminderd het eerste lid, is het verboden een VFR-vlucht uit te voeren op een afstand van meer dan 500 meter van de bestuurder of een waarnemer.

Artikel 14. VFR-vlieghoogte
1.

Het is verboden een VFR-vlucht uit te voeren met een RPA hoger dan 120 meter (400 ft) boven de grond of het water.

2.

De Minister van Infrastructuur en Milieu verleent ontheffing van het verbod, bedoeld in het eerste lid, indien de vlucht wordt uitgevoerd voor het verrichten van luchtwerk met betrekking tot een vaartuig, voertuig, gebouw of kunstwerk en deze vlucht op grond van het ROC mag worden uitgevoerd.

3.

De minimumvlieghoogtes voor VFR-verkeer, bedoeld in paragraaf SERA.5005 van verordening (EU) nr. 923/2012 zijn niet van toepassing op vluchten met een RPA.

Artikel 15. Afstand tot mensenmenigten, bebouwing, spoorlijnen of wegen
1.

Het is verboden een VFR-vlucht uit te voeren met een RPA waarvan de totale massa meer dan 25 kg bedraagt, binnen 150 meter horizontaal van mensenmenigten, aaneengesloten bebouwing, in gebruik zijnde autosnelwegen, in gebruik zijnde autowegen, of in gebruik zijnde wegen waar een maximale snelheid van 80 kilometer per uur geldt.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.