Besluit van 16 juni 2015, houdende nieuwe nadere regels betreffende toegelaten instellingen en dochtermaatschappijen en nadere regels betreffende wooncoöperaties (Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015)
Bezit de kwaliteiten om het groepsproces binnen de raad van commissarissen op een professionele wijze te leiden. Kan vergaderingen efficiënt, effectief en daadkrachtig leiden in een open sfeer waarin iedereen gelijkwaardig kan participeren. Heeft oog voor taakvervulling en verantwoordelijkheden van anderen en benoemt gemeenschappelijke belangen op een wijze die tot overeenstemming leidt.
Opiumwet:
Invorderingswet 1990
Wetboek van Strafrecht:
In de onder i, ii, iii en iv genoemde gevallen wordt er vanuit gegaan dat het inkomen niet uitgaat boven de inkomensgrenzen van de huurtoeslag; dat houdt in dat aan de desbetreffende huishoudens passend dient te worden toegewezen.
Opiumwet:
** Uitzonderingen op de verplichte toetsing aan de hand van belastingbescheiden:
B. Toetsing huishoudinkomen op basis van een inkomensverklaring en bijbehorende bewijsstukken
Wegenverkeerswet 1994:
Bijlage 3. bij artikel 49 van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015
Buitenlandse strafbepalingen
Bijlage 4. bij artikel 49 van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015
2.2. Transacties
Bijlage 5. bij artikel 56 van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015
*** Uitzonderingen op de inkomenstoets:**
** Uitzonderingen op de verplichte toetsing aan de hand van belastingbescheiden:
Aan betrokkene is op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een vergrijpboete opgelegd voor één of meer van de hieronder genoemde strafbare feiten:
Ter bepaling van het huishoudinkomen dienen de verzamelinkomens uit het jaar 2015 respectievelijk 2014 te worden geïndexeerd met index I1 (1,0237) respectievelijk index I2 (1,0306). Deze indices betreffen de factor als bedoeld in artikel 56, negende lid, van het BTIV 2015, waarmee het verzamelinkomen zoals dat door de Belastingdienst wordt vastgesteld dient te worden vermenigvuldigd gelet op de gemiddelde inkomensstijging in 2015, respectievelijk 2014.
Aan de huidige of één van de voormalige werkgevers of enige vennootschap of rechtspersoon, waarbij betrokkene een functie bekleedt of bekleedde als bestuurder of commissaris, of anderszins (mede)verantwoordelijk is of was voor het beleid, is op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een vergrijpboete opgelegd voor één of meer van de hieronder genoemde strafbare feiten:
3.3. Andere feiten of omstandigheden
B. Toetsing huishoudinkomen op basis van een inkomensverklaring en bijbehorende bewijsstukken
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 53a
Vervallen
Artikel 53b
Vervallen
Artikel 53c
Vervallen
Artikel 53d
Vervallen
Artikel 53e
Vervallen
Artikel 53f
Vervallen
Afdeling 3. Passend toewijzen
Afdeling 2a. Werkzaamheden ten behoeve van de huisvesting van vergunninghouders
§ 1. Toewijzing
Afdeling 2a. Werkzaamheden ten behoeve van de huisvesting van vergunninghouders
§ 1. Voorschriften in geval van het niet verplicht zijn van de vermogensscheiding
§ 1. Voorschriften in geval van het niet verplicht zijn van de vermogensscheiding
Afdeling 6. Juridische scheiding
§ 4. Goedkeuring van de administratieve scheiding
Afdeling 7. Fusie
Afdeling 6. Juridische scheiding
Afdeling 8. Splitsing
§ 2. Goedkeuring van de juridische scheiding
§ 1. Huursom
§ 2. Bedrijfsvoering
Hoofdstuk VI. Sanering van en projectsteun ten behoeve van toegelaten instellingen
§ 1. Subsidies voor financiële sanering
§ 2. Subsidies voor werkzaamheden
Afdeling 2. De bijdrage
Afdeling 3. Toepasselijkheid bij mandaat aan borgingsvoorziening
Hoofdstuk VII. Toezicht op toegelaten instellingen en dochtermaatschappijen
Hoofdstuk VIII. Verdere bepalingen inzake toegelaten instellingen
Hoofdstuk IX. Overgangs- en slotbepalingen
Afdeling 3. Toepasselijkheid bij mandaat aan borgingsvoorziening
Afdeling 3. Toepasselijkheid bij mandaat aan borgingsvoorziening
Afdeling 2. De bijdrage
§ 3. Zienswijzen en uitgangspunten
§ 4. Verstrekken advies
Afdeling 4. Toepasselijkheid bij mandaat aan borgingsvoorziening
Bijlage 1. bij artikel 19 van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015
1. Strafrechtelijke antecedenten
Dit betekent ook het open communiceren van intenties, ideeën en gevoelens, het uitnodigen tot openheid en eerlijkheid naar diverse betrokken partijen. Juiste informatie geven over de werkelijke situatie en het tijdig erkennen van risico’s, uitdagingen en problemen naar de toezichthouders.
Besluitvaardig
Bij vonnis is betrokkene onherroepelijk veroordeeld voor een poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokken van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:
Wetboek van Strafrecht:
Dit betekent ook het open communiceren van intenties, ideeën en gevoelens, het uitnodigen tot openheid en eerlijkheid naar diverse betrokken partijen. Juiste informatie geven over de werkelijke situatie en het tijdig erkennen van risico’s, uitdagingen en problemen naar de bestuurders.
Bestuurlijk inzicht
Kan ingewikkelde materie snel overzien, heeft realiteitszin en een gezond boerenverstand. Heeft oog voor de ontwikkelingen, machtsverhoudingen en gevoelens binnen de toegelaten instelling. Kan schakelen op bestuurlijk niveau, weet complexiteit van het aansturen van een organisatie in al zijn aspecten te duiden en kan goed klankbord zijn voor de bestuurder.
Onder al dan niet voorwaardelijk sepot, niet verdere vervolging, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging worden ook verstaan soortgelijke uitspraken en maatregelen in het buitenland ter zake van overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hiervoor genoemde.
Is consistent in denken en doen (gedrag en houding) onder verschillende omstandigheden. Maakt zichtbaar wat hij/zij werkelijk belangrijk vindt en waar hij/zij voor staat.
Bijlage 2. bij artikel 19 van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015
Kan gegevens en mogelijke handelswijzen tegen elkaar afwegen en tot een logisch oordeel komen. Onderzoekt/herkent/begrijpt de essentiële vraagstukken. Kan over de eigen portefeuille heen kijken, vooral als problemen de continuïteit van de toegelaten instelling in gevaar kunnen brengen.
4.2. Andere feiten of omstandigheden
5.2. Zakelijk
2.1. Veroordelingen
Schema A betreft toetsing aan de hand van gegevens van de Belastingdienst.
2.1. Veroordelingen
Invorderingswet 1990
3.3. Andere feiten of omstandigheden
4. Toezichtantecedenten
Bijlage 3. bij artikel 49 van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015
2.4. Andere feiten of omstandigheden
Bijlage 4. bij artikel 49 van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015
B. Toetsing huishoudinkomen op basis van een inkomensverklaring en bijbehorende bewijsstukken
Bijlage 5. bij artikel 56 van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015
Aan de hand van de volgende twee stroomschema’s kan de toegelaten instelling het huishoudinkomen bepalen, zoals bedoeld in artikel 56, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 (BTIV 2015; passend toewijzen in het kader van de huurtoeslag).
Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer financiële gedragingen, voor zover die redelijkerwijs voor de Minister/toezichthouder van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.
Schema B. moet worden toegepast indien Belastingdienst gegevens ontbreken of indien uitgegaan wordt van het actuele inkomen, in de gevallen bedoeld in artikel 56, zesde lid, onder a. of b.
Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer gedragingen op fiscaal gebied die redelijkerwijs voor de Minister/toezichthouder van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.
De eisen die gesteld worden aan de over te leggen documentatie zijn neergelegd in het hiervoor genoemde artikel. Het vaststellen van het huishoudinkomen aan de hand van een Inkomenverklaring) of een (voorlopige) aanslag IB van de Belastingdienst is verplicht, tenzij de uitzonderingsgevallen zoals omschreven in het BTIV 2015 zich voordoen (zie ook hierna).
Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer gedragingen ter zake waarvan in Nederlandse of buitenlandse toezichtwetgeving regels zijn gesteld, welke gedraging of gedragingen die redelijkerwijs voor de Minister/toezichthouder van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.
De hoogte van I1 en I2 worden jaarlijks bij ministeriële regeling gepubliceerd.
5.1. Persoonlijk
Gebouwen en categorieën van gebouwen, bedoeld in artikel 49, eerste lid, onderdeel b
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 25a
Vervallen
Artikel 26a
Vervallen
§ 6. De jaarrekening, het jaarverslag en het volkshuisvestingsverslag
Hoofdstuk V. Werkzaamheden van toegelaten instellingen
Afdeling 1. Relatie met de gemeente
§ 2. Uitvoering van het gemeentelijke volkshuisvestingsbeleid
§ 4. Goedkeuring van werkzaamheden die niet behoren tot de diensten van algemeen economisch belang
Afdeling 2. Het gebied van de volkshuisvesting
Afdeling 2. Het gebied van de volkshuisvesting
Afdeling 3. Passend toewijzen
Afdeling 2a. Werkzaamheden ten behoeve van de huisvesting van vergunninghouders
§ 1. Toewijzing
Afdeling 2a. Werkzaamheden ten behoeve van de huisvesting van vergunninghouders
§ 2. Compensatie
§ 1. Toewijzing
§ 5. Overdracht van daeb-werkzaamheden binnen de toegelaten instelling
Afdeling 6. Juridische scheiding
§ 4. Goedkeuring van de administratieve scheiding
§ 2. Goedkeuring van de juridische scheiding
Afdeling 7. Fusie
§ 3. Financieel beheer
Hoofdstuk VI. Sanering van en projectsteun ten behoeve van toegelaten instellingen
Afdeling 1. De subsidies
§ 1. Subsidies voor financiële sanering
§ 2. Subsidies voor werkzaamheden
Afdeling 3. Toepasselijkheid bij mandaat aan borgingsvoorziening
Hoofdstuk VII. Toezicht op toegelaten instellingen en dochtermaatschappijen
Hoofdstuk VI. Sanering van en projectsteun ten behoeve van toegelaten instellingen
Hoofdstuk IX. Overgangs- en slotbepalingen
Afdeling 2. Intrekking en wijziging van op de Woningwet gebaseerde algemene maatregelen van bestuur
Afdeling 2. De bijdrage
Artikel 46a
De werkzaamheden, genoemd in artikel 45, tweede lid, onderdelen a en b, van de wet:
- a. worden door een toegelaten instelling niet verricht ten aanzien van de in die onderdelen bedoelde woongelegenheden en aanhorigheden van een met een toegelaten instelling verbonden onderneming;
- b. worden door een met een toegelaten instelling verbonden onderneming uitsluitend verricht ten aanzien van de in dat onderdeel bedoelde woongelegenheden en aanhorigheden van een andere verbonden onderneming:
- 1°. indien en zolang alle aandelen in die andere verbonden onderneming door toegelaten instellingen worden gehouden, of
- 2°. indien en zolang toegelaten instellingen of een of meer van de met hen verbonden ondernemingen alleen of samen alle bestuurders van de verbonden onderneming kunnen benoemen of ontslaan.
Artikel 52a
Tot de werkzaamheden, bedoeld in de artikelen 45, tweede lid, onderdeel i, en 47, eerste lid, onderdeel g, van de wet, behoren niet transacties die zijn gericht op het wijzigen van eigendomsverhoudingen en zakelijke rechten zonder dat er sprake is van feitelijke overdracht van bezit, behalve indien die transacties noodzakelijk zijn om werkzaamheden als bedoeld in de andere onderdelen van die artikelleden te kunnen verrichten.
Artikel 52b
De diensten, bedoeld in artikel 45, tweede lid, onderdeel j, van de wet:
- a. worden door een toegelaten instelling of een met haar verbonden onderneming uitsluitend verleend ten behoeve van de bedrijfsvoering of administratie van een met die toegelaten instelling verbonden onderneming, indien:
- 1°. de toegelaten instelling alleen of samen met één of meerdere toegelaten instellingen of hun dochtermaatschappijen meer dan de helft van de stemrechten in de algemene vergadering van die verbonden onderneming kunnen uitoefenen, of
- 2°. toegelaten instellingen of een of meer van hun dochtermaatschappijen alleen of samen meer dan de helft van de bestuurders van laatstgenoemde verbonden onderneming kunnen benoemen of ontslaan.
- b. worden door een toegelaten instelling of een met haar verbonden onderneming uitsluitend verleend ten behoeve van de bedrijfsvoering of administratie van een verbonden onderneming van een andere toegelaten instelling, indien en zolang:
- 1°. meer dan de helft van de stemrechten in de algemene vergadering van die verbonden onderneming door toegelaten instellingen of hun dochtermaatschappijen wordt bezeten, of
- 2°. toegelaten instellingen of een of meer van hun dochtermaatschappijen alleen of samen meer dan de helft van de bestuurders van laatstgenoemde verbonden onderneming kunnen benoemen of ontslaan, en
- 3°. zij ook diensten ten behoeve van de bedrijfsvoering of administratie van die andere toegelaten instelling verleent.
Artikel 52c
De diensten, bedoeld in artikel 45, tweede lid, onderdeel k, van de wet, worden door een toegelaten instelling of een met een toegelaten instelling verbonden onderneming uitsluitend verleend aan een in dat onderdeel bedoelde huurdersorganisatie of bewonerscommissie:
- a. die de belangen van de huurders van een met een toegelaten instelling verbonden onderneming behartigt, of
- b. waarvan de achterban mede bestaat uit huurders van woongelegenheden van de dienstverlenende toegelaten instelling of verbonden onderneming.
Artikel 52d
Het verhuren van woongelegenheden en aanhorigheden van derden, bedoeld in artikel 45, zevende lid, onderdeel a, van de wet, is slechts toegestaan indien een overeenkomst van huur en verhuur wordt aangegaan:
- a. met een huishouden waarvan het huishoudinkomen niet hoger is dan de inkomensgrens, bedoeld in artikel 1 van de wet, of
- b. met categorieën van personen als bedoeld in artikel 57, en
- c. tegen een huurprijs van ten hoogste het in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag genoemde bedrag.
Het in stand houden van en treffen van kleinschalige voorzieningen aan gebouwen van derden, bedoeld in artikel 45, zevende lid, onderdeel b, van de wet, is slechts toegestaan indien:
- a. de werkzaamheden die zijn gericht op het geschikt maken van het gebouw voor bewoning, een investering vergen van ten hoogste een bij ministeriële regeling bepaald bedrag per beoogde verhuureenheid;
- b. de gebouwen en aanhorigheden ten aanzien waarvan de werkzaamheden worden verricht van de derde worden gehuurd als bedoeld in artikel 45, zevende lid, onderdeel c, van de wet of indien ten aanzien van de gebouwen en aanhorigheden tevens diensten ten behoeve van de bedrijfsvoering of administratie worden uitgevoerd als bedoeld in artikel 45, zevende lid, onderdeel d, van de wet, en
- c. voor zover de werkzaamheden worden verricht in gebouwen en aanhorigheden, ten aanzien waarvan tevens diensten ten behoeve van de bedrijfsvoering of administratie als bedoeld in artikel 45, zevende lid, onderdeel c van de wet worden uitgevoerd, de werkzaamheden worden verricht op grond van een overeenkomst van opdracht betreffende lastgeving als bedoeld in artikel 414, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
Het huren van gebouwen van derden, bedoeld in artikel 45, zevende lid, onderdeel c, van de wet, is slechts toegestaan indien:
- a. de toegelaten instelling deze gebouwen huurt met het oogmerk deze te verhuren op grond van artikel 45, zevende lid, onderdeel a, van de wet;
- b. de ontwerphuurovereenkomst tussen de toegelaten instelling en de derde, bedoeld in artikel 45, zevende lid, onderdeel c, voldoet aan de bij ministeriële regeling daaraan te stellen voorwaarden, en
- c. er voldoende vermogen beschikbaar is om de verplichtingen die volgen uit de overeenkomst te kunnen opvangen.
Het verlenen van diensten ten behoeve van de bedrijfsvoering of administratie van derden, bedoeld in artikel 45, zevende lid, onderdeel d, van de wet, is slechts toegestaan indien:
- a. met betrekking tot ten minste 90% van de woongelegenheden een overeenkomst van huur en verhuur is aangegaan:
- 1°. met een huishouden waarvan het huishoudinkomen niet hoger is dan de inkomensgrens, of
- 2°. met categorieën van personen als bedoeld in artikel 57, en
- 3°. tegen een huurprijs van ten hoogste het in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag genoemde bedrag, waarbij met ten minste 95% van de huishoudens als bedoeld in artikel 46, tweede lid, van de wet een huurprijs is overeengekomen van ten hoogste de huurprijs als bedoeld in dat lid;
- b. de diensten worden verricht op grond van een overeenkomst van opdracht betreffende lastgeving als bedoeld in artikel 414, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, en
- c. de ontwerpovereenkomst van opdracht, bedoeld in onderdeel b, is opgenomen in het overzicht met verantwoordingsgegevens, bedoeld in artikel 36a, vierde lid, van de wet.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van dit artikel.
Artikel 52e
In afwijking van artikel 52d zijn de werkzaamheden, bedoeld in artikel 45, zevende lid, van de wet, voor zover deze worden verricht vanuit de niet-daeb-tak of door de met de toegelaten instelling verbonden onderneming of samenwerkingsvennootschap, slechts toegestaan indien:
- a. zij worden verricht in gebieden waar woongelegenheden in eigendom van de toegelaten instelling gelegen zijn, en voor zover de gebouwen, bedoeld in artikel 45, tweede lid, onderdelen d en g, van de wet, een op een wijk, buurt of buurtschap in een zodanig gebied gerichte functie hebben; en
- b. die werkzaamheden bijdragen aan het verrichten van andere werkzaamheden van de toegelaten instelling op het gebied van de volkshuisvesting.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van dit artikel.
Artikel 52f
Een toegelaten instelling, een met haar verbonden onderneming of een samenwerkingsvennootschap beëindigt in ieder geval de werkzaamheden, bedoeld in artikel 45, zevende lid, van de wet, indien:
- a. niet aan de voorwaarden van de artikelen 52d en 52e wordt voldaan; of
- b. de aan het verrichten van de werkzaamheden verbonden financiële risico’s of de financiële positie van de toegelaten instelling, een met haar verbonden onderneming of een samenwerkingsvennootschap zodanig zijn, dat het onverantwoord is dat zij deze uitvoert. Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van dit onderdeel.
Artikel 52g
Vervallen
Artikel 52h
Vervallen
Afdeling 3. Passend toewijzen
Afdeling 4. Diensten van algemeen economisch belang
§ 1. Toewijzing
Afdeling 5. Administratieve scheiding en vermogensscheiding
§ 1. Voorschriften in geval van het niet verplicht zijn van de vermogensscheiding
§ 2. Nadere voorschriften omtrent het voorstel voor administratieve scheiding
§ 3. Inrichting van en geldstromen tussen de daeb-tak en de niet-daeb-tak
§ 5. Overdracht van daeb-werkzaamheden binnen de toegelaten instelling
Afdeling 7. Fusie
Afdeling 9. Verdere bepalingen
§ 1. Huursom
§ 1. Huursom
Hoofdstuk VI. Sanering van en projectsteun ten behoeve van toegelaten instellingen
§ 1. Subsidies voor financiële sanering
§ 2. Subsidies voor werkzaamheden
Hoofdstuk VII. Toezicht op toegelaten instellingen en dochtermaatschappijen
Hoofdstuk VIII. Verdere bepalingen inzake toegelaten instellingen
Hoofdstuk IX. Overgangs- en slotbepalingen
Afdeling 3. Toepasselijkheid bij mandaat aan borgingsvoorziening
Afdeling 3. Toepasselijkheid bij mandaat aan borgingsvoorziening
Afdeling 3. Overgangsbepalingen
Afdeling 4. Slotbepalingen
Bijlage 1. bij artikel 19 van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015
Is consistent in denken en doen (gedrag en houding) onder verschillende omstandigheden. Maakt zichtbaar wat hij/zij werkelijk belangrijk vindt en waar hij/zij voor staat.
Is in staat op inspirerende wijze sturing te geven aan een organisatie. Stimuleert, motiveert en ontwikkelt medewerkers en borgt de vakbekwaamheid van medewerkers om een beoogd doel tot een goed einde te brengen. Organiseert besluitvorming zodanig dat iedereen zijn bijdrage kan leveren. Staat open en biedt ruimte voor kritische discussie en feedback. Zorgt voor een goed draagvlak. Toont leiderschap met moed, ook in kritieke situaties.
Wet wapens en munitie:
Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer financiële gedragingen, voor zover die redelijkerwijs voor de Minister/toezichthouder van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.
Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer gedragingen ter zake waarvan in Nederlandse of buitenlandse toezichtwetgeving regels zijn gesteld, welke gedraging of gedragingen die redelijkerwijs voor de Minister/toezichthouder van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.
Bijlage 2. bij artikel 19 van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015
Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer gedragingen op fiscaal gebied die redelijkerwijs voor de Minister/toezichthouder van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.
Bij vonnis is betrokkene onherroepelijk veroordeeld voor een poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokken van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:
1. Strafrechtelijke antecedenten
*** Uitzonderingen op de inkomenstoets:**
Wel is een inkomenstoets vereist bij huishoudens met zorgindicatie bij passend toewijzen voor de huurtoeslag. Het BTIV 2015 benoemt de categorieën van zorggeïndiceerden die ook bij een inkomen boven de inkomensgrens, genoemd in artikel 16, eerste lid, onderdeel b, van het BTIV recht hebben op een sociale huurwoning. De betreffende woningtoewijzingen worden toegerekend aan de 80% toewijzingen aan de doelgroep met een inkomen tot de inkomensgrens, genoemd in artikel 16, eerste lid, onderdeel a, van het BTIV. Vanuit het oogpunt van betaalbaarheid geldt voor deze categorieën zorggeïndiceerden de passendheidsnorm; derhalve dient het inkomen te worden getoetst (zo mogelijk aan de hand van belastingbescheiden, anders conform het toetsingsschema B). Toetsing van het inkomen in deze gevallen kan achterwege blijven indien de huurprijs van de woning is gelegen op of onder de voor het huishouden toepasselijke aftoppingsgrens. In dat geval is met de toewijzing immers in elk geval voldaan aan de passendheidsnorm. Bij de bepaling van het percentage passend gehuisveste huishoudens blijven de toewijzingen aan huishoudens die wel een zorgindicatie maar geen inkomensgegevens hebben overgelegd, buiten beschouwing.
A. Toetsing huishoudinkomen op basis van inkomensverklaring/aanslag IB
C. Toetsing vermogen voor AOW’ers met een norminkomen tot de huurtoeslag boven de zorgtoeslaggrens
4. Toezichtantecedenten
Bijlage 3. bij artikel 49 van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015
4.2. Andere feiten of omstandigheden
Bijlage 4. bij artikel 49 van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015
5. Fiscaal bestuursrechtelijke antecedenten
Bijlage 5. bij artikel 56 van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015
Aan betrokkene is op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een vergrijpboete opgelegd voor één of meer van de hieronder genoemde strafbare feiten:
Schema A betreft toetsing aan de hand van gegevens van de Belastingdienst.
Aan de huidige of één van de voormalige werkgevers of enige vennootschap of rechtspersoon, waarbij betrokkene een functie bekleedt of bekleedde als bestuurder of commissaris, of anderszins (mede)verantwoordelijk is of was voor het beleid, is op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een vergrijpboete opgelegd voor één of meer van de hieronder genoemde strafbare feiten:
De toetsing voor de passende toewijzing voor de huurtoeslag dient vanaf 1 januari 2016 plaats te vinden. Deze toets kan, tezamen met de inkomenstoets voor de DAEB, die per 1 juli 2015 is vereist, in één administratieve handeling worden uitgevoerd. Indien het huishoudinkomen valt binnen de inkomensgrenzen voor passend toewijzen in het kader van de huurtoeslag, staat daarmee tevens vast dat het betreffende huishouden behoort tot de 80% doelgroep in het kader van de DAEB.
Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer gedragingen op fiscaal gebied die redelijkerwijs voor de Minister/toezichthouder van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.
De eisen die gesteld worden aan de over te leggen documentatie zijn neergelegd in het hiervoor genoemde artikel. Het vaststellen van het huishoudinkomen aan de hand van een Inkomenverklaring of een (voorlopige) aanslag IB van de Belastingdienst is verplicht, tenzij de uitzonderingsgevallen zoals omschreven in het BTIV 2015 zich voordoen (zie ook hierna). Ter bepaling van het huishoudinkomen dienen de verzamelinkomens uit het jaar t-1 respectievelijk t-2 te worden vermenigvuldigd met index I1, respectievelijk index I2. De hoogte van index I1 en index I2 wordt jaarlijks bij ministeriële regeling vastgesteld en gepubliceerd (artikel 56, tiende lid, van het BTIV).
A. Toetsing huishoudinkomen op basis van inkomensverklaring/aanslag IB
*** Uitzonderingen op de inkomenstoets:**
In de onder i, ii en iii genoemde gevallen wordt er vanuit gegaan dat het inkomen niet uitgaat boven de inkomensgrenzen van de huurtoeslag; dat houdt in dat aan de desbetreffende huishoudens passend dient te worden toegewezen.
Wel is een inkomenstoets vereist bij huishoudens met zorgindicatie bij passend toewijzen voor de huurtoeslag. Het BTIV 2015 benoemt de categorieën van zorggeïndiceerden die ook bij een inkomen boven de inkomensgrens, genoemd in artikel 16, eerste lid, onderdeel b, van het BTIV recht hebben op een sociale huurwoning. De betreffende woningtoewijzingen worden toegerekend aan de 80% toewijzingen aan de doelgroep met een inkomen tot de inkomensgrens, genoemd in artikel 16, eerste lid, onderdeel a, van het BTIV. Vanuit het oogpunt van betaalbaarheid geldt voor deze categorieën zorggeïndiceerden de passendheidsnorm; derhalve dient het inkomen te worden getoetst (zo mogelijk aan de hand van belastingbescheiden, anders conform het toetsingsschema B). Toetsing van het inkomen in deze gevallen kan achterwege blijven indien de huurprijs van de woning is gelegen op of onder de voor het huishouden toepasselijke aftoppingsgrens. In dat geval is met de toewijzing immers in elk geval voldaan aan de passendheidsnorm. Bij de bepaling van het percentage passend gehuisveste huishoudens blijven de toewijzingen aan huishoudens die wel een zorgindicatie maar geen inkomensgegevens hebben overgelegd, buiten beschouwing.
** Uitzonderingen op de verplichte toetsing aan de hand van belastingbescheiden:
B. Toetsing huishoudinkomen op basis van een inkomensverklaring en bijbehorende bewijsstukken
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 13a
Een toegelaten instelling trekt de financiële middelen voor werkzaamheden op het gebied van de volkshuisvesting die niet behoren tot de diensten van algemeen economisch belang uitsluitend aan bij categorieën van instellingen als bedoeld in het bepaalde bij en krachtens artikel 13, eerste, tweede en derde lid, en zonder gebruikmaking van de borgingsvoorziening. Zij kan uitsluitend op een andere wijze financiële middelen voor die werkzaamheden inzetten:
- a. in geval van herstructurering, of
- b. indien zij ten overstaan van Onze Minister aannemelijk heeft gemaakt dat zij geen gevolg kan geven aan de eerste volzin.
De toegelaten instelling stelt ten behoeve van toepassing van het eerste lid, tweede volzin, een voorziening in, ten laste waarvan zij een interne lening verstrekt, die aan de niet-daeb-tak ten goede komt. Op het rentepercentage van die lening is het bepaalde bij en krachtens artikel 10, tweede lid, onderdeel a, van overeenkomstige toepassing.
De voorziening, bedoeld in het tweede lid, bevat uitsluitend de netto-opbrengsten van vervreemdingen op 1 januari 2012 of nadien van woongelegenheden als bedoeld in artikel 66, eerste lid, onderdelen a en b, en artikel 47, eerste lid, onderdeel c, van de wet, verminderd met het per jaar aan die woongelegenheden toe te rekenen deel van de leningen, bedoeld in artikel 66, eerste lid, onderdeel f, welk deel verhoudingsgewijs gelijk is aan het quotiënt van het totaalbedrag van die leningen en dat van de WOZ-waarde van die woongelegenheden, welke totaalbedragen blijken uit de voor dat jaar vastgestelde balans van de toegelaten instelling. De voorziening bevat die aldus verminderde netto-opbrengsten voorts uitsluitend, voor zover er een batig saldo over het betrokken jaar is uit de verhuur en de vervreemding van woongelegenheden als bedoeld in de eerste volzin, bepaald op grond van waardering van die woongelegenheden tegen de modelmatige marktwaarde. De eerste en tweede volzin zijn van overeenkomstige toepassing op de jaarlijks aan de voorziening toe te voegen middelen.
Op de aflossing van de lening, bedoeld in het tweede lid, is artikel 70, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
§ 4. Verdere algemene bepalingen inzake toegelaten instellingen
§ 5. Bepalingen inzake de borgingsvoorziening
Hoofdstuk IV. Rechtsvorm en organisatie van toegelaten instellingen
§ 1. Voorschriften omtrent de geschiktheid van personen voor het lidmaatschap van het bestuur en de raad van commissarissen, en de betrouwbaarheid van die personen
§ 2. Goedkeuring door de raad van commissarissen van besluiten van het bestuur
Artikel 24a
Vervreemdingen waarvoor geen goedkeuring is vereist op grond van artikel 24, onderdelen a of d, onder 1°, of onderdeel e, zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel N, van het Besluit van 17 november 2021 tot wijziging van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 naar aanleiding van de evaluatie van de herziene Woningwet (Stb. 2021, 570), voor zover deze artikel 24 wijzigt, vinden, indien aan een toegelaten instelling wordt vervreemd, van 1 januari 2021 tot het tijdstip van inwerkingtreding van dat besluit plaats tegen een bij ministeriële regeling bepaalde waarde, tenzij de toegelaten instelling het noodzakelijk acht een andere prijs te hanteren, in welk geval zij dit verantwoordt in het jaarverslag, bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de wet.
§ 6. De jaarrekening, het jaarverslag en het volkshuisvestingsverslag
Hoofdstuk V. Werkzaamheden van toegelaten instellingen
Afdeling 1. Relatie met de gemeente
§ 6. De jaarrekening, het jaarverslag en het volkshuisvestingsverslag
§ 1. Woningmarktregio’s
§ 4. Goedkeuring van werkzaamheden die niet behoren tot de diensten van algemeen economisch belang
Afdeling 2. Het gebied van de volkshuisvesting
Afdeling 3. Passend toewijzen
Afdeling 4. Diensten van algemeen economisch belang
§ 1. Toewijzing
Afdeling 5. Administratieve scheiding en vermogensscheiding
§ 2. Compensatie
§ 5. Overdracht van daeb-werkzaamheden binnen de toegelaten instelling
Afdeling 6. Juridische scheiding
§ 2. Goedkeuring van de juridische scheiding
Afdeling 7. Fusie
Afdeling 9. Verdere bepalingen
§ 3. Financieel beheer
§ 2. Bedrijfsvoering
Afdeling 1. De subsidies
§ 1. Subsidies voor financiële sanering
§ 2. Subsidies voor werkzaamheden
Afdeling 2. De bijdrage
Hoofdstuk VII. Toezicht op toegelaten instellingen en dochtermaatschappijen
Hoofdstuk VIII. Verdere bepalingen inzake toegelaten instellingen
Hoofdstuk IX. Overgangs- en slotbepalingen
Afdeling 2. Intrekking en wijziging van op de Woningwet gebaseerde algemene maatregelen van bestuur
Afdeling 1. Toepassing van artikel II, tweede tot en met zevende, tiende en elfde lid, van de Herzieningswet toegelaten instellingen volkshuisvesting
Bijlage 1. bij artikel 19 van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015
Authenticiteit
Geschiktheid voor het lidmaatschap van het bestuur of de raad van commissarissen: competenties (alfabetische volgorde)
Kan goed naar zichzelf kijken: reflecteert op (en leert van) zijn/haar persoonlijk beroepsmatig handelen in de maatschappelijke context. Bouwt deze reflectie op een natuurlijke wijze in het handelen in en stimuleert dit binnen de organisatie.
Bijlage 2. bij artikel 19 van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015
Bij vonnis is betrokkene onherroepelijk veroordeeld voor een poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokken van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:
De toetsing voor de passende toewijzing voor de huurtoeslag dient vanaf 1 januari 2016 plaats te vinden. Deze toets kan, tezamen met de inkomenstoets voor de DAEB, die per 1 juli 2015 is vereist, in één administratieve handeling worden uitgevoerd. Indien het huishoudinkomen valt binnen de inkomensgrenzen voor passend toewijzen in het kader van de huurtoeslag, staat daarmee tevens vast dat het betreffende huishouden behoort tot de 80% doelgroep in het kader van de DAEB.
door de WED strafbaar gestelde gedragingen, met name verbodsbepalingen uit de financiële toezichtswetgeving en overtreding van overtreding van de artikelen 2, 3, eerste lid, 4, eerste lid, 5, eerste tot en met derde lid, 8, 16, 17, tweede lid, 23, eerste en tweede lid, 33 en 34 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.
4.1. Toezichtantecedenten
Bijlage 5. bij artikel 56 van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015
De passendheidstoets is uitsluitend van toepassing op woningen waarvoor in principe huurtoeslag mogelijk is, dus waarvan de huurprijs is gelegen op of onder het bedrag, genoemd in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag. Hierdoor hebben zowel de inkomenstoets voor de DAEB als de inkomenstoets voor passende toewijzing betrekking op hetzelfde huursegment.
A. Toetsing huishoudinkomen op basis van inkomensverklaring/aanslag IB
Aan de hand van de volgende twee stroomschema’s kan de toegelaten instelling het huishoudinkomen, bedoeld in artikel 56, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 (BTIV 2015; passend toewijzen in het kader van de huurtoeslag) bepalen.
Schema A betreft toetsing aan de hand van gegevens van de Belastingdienst.
B. Toetsing huishoudinkomen op basis van een inkomensverklaring en bijbehorende bewijsstukken
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
§ 2. Overige algemene bepalingen
Hoofdstuk III. Algemene bepalingen inzake toegelaten instellingen
§ 1. Toelating
§ 3. Het aangaan van verbindingen
§ 4. Verdere algemene bepalingen inzake toegelaten instellingen
§ 5. Bepalingen inzake de borgingsvoorziening
Hoofdstuk IV. Rechtsvorm en organisatie van toegelaten instellingen
§ 1. Voorschriften omtrent de geschiktheid van personen voor het lidmaatschap van het bestuur en de raad van commissarissen, en de betrouwbaarheid van die personen
§ 3. Goedkeuring door Onze Minister van besluiten van het bestuur als bedoeld in artikel 27, eerste lid, onderdeel a, van de wet
Artikel 23a
Het verzoek, bedoeld in artikel 27, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet, betreffende de vervreemding van potentieel te liberaliseren daeb-woongelegenheden of potentieel te liberaliseren daeb-complexen, aan natuurlijke personen niet voor eigen gebruik of aan rechtspersonen, niet zijnde andere toegelaten instellingen, gaat vergezeld van:
- a. een uiteenzetting van het belang van de volkshuisvesting van het ter goedkeuring voorgelegde besluit;
- b. de ontwerpkoopovereenkomst die de toegelaten instelling voornemens is met de beoogde verkrijger te sluiten;
- c. een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens van de beoogde verkrijger, tenzij deze een dochtermaatschappij van de vervreemdende toegelaten instelling is;
- d. de zienswijze van de gemeente waar die woongelegenheid of dat complex is gelegen, tenzij:
- 1°. met die gemeente op grond van artikel 44, eerste lid, van de wet, afspraken zijn gemaakt over de omvang van de voorraad van woongelegenheden als bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdelen b, c en d, van de wet, en de eventuele vervreemding van een deel van die voorraad, en
- 2°. die woongelegenheid of de van dat complex deel uitmakende woongelegenheden worden vervreemd onder het beding dat zij ten minste zeven jaar na de eigendomsoverdracht als gevolg van de vervreemding voor verhuur met een huurprijs van ten hoogste € 1000,– bestemd blijven; en
- e. de getaxeerde marktwaarde van die woongelegenheid of dat complex.
Het verzoek gaat, tenzij de beoogde verkrijger een dochtermaatschappij van de vervreemdende toegelaten instelling is, tevens vergezeld van bescheiden waaruit blijkt dat:
- a. bij een verhuurde woongelegenheid die een eengezinswoning is: dat deze gedurende ten minste vier weken te koop is aangeboden aan de huurder tegen een prijs van ten hoogste de marktwaarde vrij van huur en gebruik;
- b. bij een niet-verhuurde woongelegenheid die een eengezinswoning is: dat deze gedurende ten minste vier weken voor eigen gebruik te koop is aangeboden aan de huurders van DAEB-woongelegenheden van toegelaten instellingen in ten minste de gemeente waar de woning is gelegen onder bekendmaking van de getaxeerde marktwaarde;
- c. die woongelegenheid of dat complex gedurende ten minste vier weken in het openbaar te koop is aangeboden aan elke gegadigde, tenzij de toegelaten instelling 5% of meer van de aandelen van de beoogde verkrijger houdt.
Uit de bescheiden, bedoeld in het tweede lid, volgen, voor zover van toepassing, de afwegingen die ertoe hebben geleid dat niet achtereenvolgens aan de huurder, bedoeld in het tweede lid, onder a, of aan andere huurders als bedoeld in het tweede lid, onder b, is vervreemd.
Artikel 23b
Het verzoek, bedoeld in artikel 27, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet, betreffende de vervreemding van niet-daeb woongelegenheden of niet-daeb complexen, aan natuurlijke personen niet voor eigen gebruik of aan rechtspersonen, niet zijnde andere toegelaten instellingen, gaat vergezeld van:
- a. een uiteenzetting van het belang van de volkshuisvesting van het ter goedkeuring voorgelegde besluit;
- b. de ontwerpkoopovereenkomst die de toegelaten instelling voornemens is met de beoogde verkrijger te sluiten;
- c. een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens van de beoogde verkrijger, tenzij deze een dochtermaatschappij van de vervreemdende toegelaten instelling is; en
- d. de getaxeerde marktwaarde van die woongelegenheid of dat complex.
Het verzoek gaat, tenzij de beoogde verkrijger een dochtermaatschappij van de vervreemdende toegelaten instelling is, tevens vergezeld van bescheiden waaruit blijkt dat die woongelegenheid of dat complex gedurende ten minste vier weken in het openbaar te koop is aangeboden aan elke gegadigde, tenzij de toegelaten instelling 5% of meer van de aandelen van de beoogde verkrijger houdt.
Artikel 23c
Het verzoek, bedoeld in artikel 27, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet, betreffende de vervreemding van een verhuurd gebouw dat een maatschappelijke gebruiksbestemming heeft als bedoeld in artikel 45, tweede lid, onderdeel d, van de wet, of een verhuurd gebouw met een zorgfunctie als bedoeld in bijlage 2 bij dit besluit, dat functioneel een eenheid vormt met woongelegenheden als bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdeel d, van de wet, gaat vergezeld van:
- a. een uiteenzetting van het belang van de volkshuisvesting van het ter goedkeuring voorgelegde besluit;
- b. de ontwerpkoopovereenkomst die de toegelaten instelling voornemens is met de beoogde verkrijger te sluiten;
- c. een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens van de beoogde verkrijger, tenzij deze een dochtermaatschappij van de vervreemdende toegelaten instelling is;
- d. de zienswijze van de gemeente waar dat gebouw is gelegen en van de huurder; en
- e. de getaxeerde marktwaarde van dat gebouw.
Het verzoek gaat, tenzij de beoogde verkrijger een dochtermaatschappij van de vervreemdende toegelaten instelling is, tevens vergezeld van bescheiden waaruit blijkt dat dit gebouw:
- a. gedurende ten minste vier weken te koop is aangeboden aan de huurder; en
- b. gedurende ten minste vier weken in het openbaar te koop aangeboden aan elke gegadigde, tenzij de toegelaten instelling 5% of meer van de aandelen van de beoogde verkrijger houdt.
Uit de bescheiden, bedoeld in het tweede lid, volgen, voor zover van toepassing, de afwegingen die ertoe hebben geleid dat niet aan de huurder is vervreemd.
Artikel 23d
Het verzoek, bedoeld in artikel 27, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet, betreffende de vervreemding van een onroerende zaak waarop de artikelen 23 tot en met 23c niet van toepassing zijn, de vestiging van een recht van erfpacht, opstal of vruchtgebruik op een onroerende zaak of de overdracht van de economische eigendom van een onroerende zaak gaat vergezeld van:
- a. een uiteenzetting van het belang van de volkshuisvesting van het ter goedkeuring voorgelegde besluit;
- b. in geval van vervreemding: de ontwerpovereenkomst die de toegelaten instelling voornemens is met de beoogde verkrijger te sluiten;
- c. een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens van de beoogde verkrijger of begunstigde, tenzij deze een dochtermaatschappij van de vervreemdende toegelaten instelling is;
- d. de zienswijze van de gemeente waar die onroerende zaak is gelegen en de bij ministeriële regeling bepaalde andere zienswijzen; en
- e. de getaxeerde marktwaarde van de onroerende zaak.
Indien het verzoek betrekking heeft op een vervreemding als bedoeld in het eerste lid, gaat het verzoek, tenzij de beoogde verkrijger een dochtermaatschappij van de vervreemdende toegelaten instelling is of de toegelaten instelling 5% of meer van de aandelen van de beoogde verkrijger houdt, tevens vergezeld van bescheiden waaruit blijkt dat die onroerende zaak gedurende ten minste vier weken in het openbaar te koop is aangeboden aan elke gegadigde.
Het eerste lid, onderdelen c en d, is niet van toepassing in geval van een vervreemding als bedoeld in het eerste lid aan een toegelaten instelling of een natuurlijk persoon voor eigen gebruik.
Artikel 23e
Het verzoek, bedoeld in de artikelen 23 tot en met 23d, wordt ingediend met gebruikmaking van een door Onze Minister beschikbaar te stellen formulier. Onze Minister bevestigt binnen twee weken de ontvangst van een zodanig verzoek.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de bij een verzoek om een goedkeuring als bedoeld in artikel 27, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet, over te leggen gegevens.
§ 5. Bepalingen in verband met de taakvervulling door de raad van commissarissen
Hoofdstuk V. Werkzaamheden van toegelaten instellingen
§ 2. Uitvoering van het gemeentelijke volkshuisvestingsbeleid
§ 3. Prestatieafspraken
§ 4. Goedkeuring van werkzaamheden die niet behoren tot de diensten van algemeen economisch belang
§ 5. Erfpacht
Artikel 49a
Een toegelaten instelling kan gebouwen verwerven die geen verband houden met werkzaamheden op het gebied van de volkshuisvesting indien zij binnen vijf jaar na verwerving die gebouwen:
- a. zal slopen en ter plaatse gebouwen zal doen bouwen die verband houden met werkzaamheden op het gebied van de volkshuisvesting; of
- b. zal verbouwen tot onroerende zaken die verband houden met werkzaamheden op het gebied van de volkshuisvesting.
Onze Minister kan op verzoek van een toegelaten instelling bepalen dat het verhuren van gebouwen als bedoeld in het eerste lid, of gedeelten daarvan, aan personen die daar op het tijdstip van indiening van dat verzoek huurder van zijn, ten aanzien van die toegelaten instelling tot het gebied van de volkshuisvesting behoort, indien die toegelaten instelling ten overstaan van hem aannemelijk maakt dat zij binnen vijf jaar na dat tijdstip die gebouwen:
- a. zal slopen en ter plaatse gebouwen zal doen bouwen die verband houden met werkzaamheden op het gebied van de volkshuisvesting; of
- b. zal verbouwen tot onroerende zaken die verband houden met werkzaamheden op het gebied van de volkshuisvesting.
Afdeling 3. Passend toewijzen
Artikel 54a
Op verzoek van een uit een of meer personen die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet hebben bereikt, bestaand huishouden waarvan de rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.3, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, meer bedraagt dan het in artikel 2a van de Wet op de zorgtoeslag genoemde van toepassing zijnde bedrag, kan de toegelaten instelling ten aanzien van dat huishouden het in artikel 46, tweede lid, eerste volzin, van de wet over de huurprijs buiten toepassing laten.
Afdeling 4. Diensten van algemeen economisch belang
§ 1. Voorschriften in geval van het niet verplicht zijn van de vermogensscheiding
§ 1. Voorschriften in geval van het niet verplicht zijn van de vermogensscheiding
§ 2. Nadere voorschriften omtrent het voorstel voor administratieve scheiding
§ 5. Overdracht van daeb-werkzaamheden binnen de toegelaten instelling
Afdeling 6. Juridische scheiding
§ 3. Vervreemding van aandelen in een woningvennootschap
Afdeling 7. Fusie
Afdeling 8. Splitsing
Afdeling 8. Splitsing
§ 4. Behandeling van klachten
§ 4. Betrokkenheid bij volkshuisvesting buiten Nederland
Hoofdstuk VII. Toezicht op toegelaten instellingen en dochtermaatschappijen
Hoofdstuk VIII. Verdere bepalingen inzake toegelaten instellingen
Hoofdstuk IX. Overgangs- en slotbepalingen
Afdeling 1. Toepassing van artikel II, tweede tot en met zevende, tiende en elfde lid, van de Herzieningswet toegelaten instellingen volkshuisvesting
Afdeling 1. Toepassing van artikel II, tweede tot en met zevende, tiende en elfde lid, van de Herzieningswet toegelaten instellingen volkshuisvesting
Afdeling 3. Overgangsbepalingen
Afdeling 4. Slotbepalingen
Bijlage 1. bij artikel 19 van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015
Neemt op tijd noodzakelijke beslissingen. Onderneemt acties of legt zich vast door het uitspreken van zijn/haar mening en wacht niet onnodig met het maken van keuzes. Is in staat om oplossingen te bieden.
2.1. Veroordelingen
2.3. (voorwaardelijk) sepot, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging
Betrokkene wordt voor een of meer van de hiervoor onder 2.1 genoemde strafbare feiten niet of niet verder vervolgd of voorwaardelijk niet of niet verder vervolgd, of is vrijgesproken of ontslagen van rechtsvervolging.
Kan goed naar zichzelf kijken: reflecteert op (en leert van) zijn/haar persoonlijk beroepsmatig handelen in de maatschappelijke context. Bouwt deze reflectie op een natuurlijke wijze in het handelen in en stimuleert dit binnen de organisatie.
Aan betrokkene is op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een vergrijpboete opgelegd voor één of meer van de hieronder genoemde strafbare feiten:
Aan de huidige of één van de voormalige werkgevers of enige vennootschap of rechtspersoon, waarbij betrokkene een functie bekleedt of bekleedde als bestuurder of commissaris, of anderszins (mede)verantwoordelijk is of was voor het beleid, is op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een vergrijpboete opgelegd voor één of meer van de hieronder genoemde strafbare feiten:
Bijlage 2. bij artikel 19 van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015
Bij vonnis is betrokkene onherroepelijk veroordeeld voor een poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokken van, medeplegen van, medeplichtigheid aan of plegen van:
C. Toetsing vermogen voor AOW’ers met een norminkomen tot de huurtoeslag boven de zorgtoeslaggrens
3.2. Zakelijk
4.1. Toezichtantecedenten
5.2. Zakelijk
5.3. Andere feiten of omstandigheden
6. Overige antecedenten
Bijlage 3. bij artikel 49 van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015
Gebouwen en categorieën van gebouwen, bedoeld in artikel 49, eerste lid, onderdeel a
Bijlage 4. bij artikel 49 van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015
Gebouwen en categorieën van gebouwen, bedoeld in artikel 49, eerste lid, onderdeel b
Bijlage 5. bij artikel 56 van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015
Schema B moet worden toegepast indien gegevens van de Belastingdienst ontbreken of indien uitgegaan wordt van het actuele inkomen, in de gevallen bedoeld in artikel 56, zevende lid, onderdeel a of b.
De toetsing voor de passende toewijzing voor de huurtoeslag dient vanaf 1 januari 2016 plaats te vinden. Deze toets kan, tezamen met de inkomenstoets voor de DAEB, die per 1 juli 2015 is vereist, in één administratieve handeling worden uitgevoerd. Indien het huishoudinkomen valt binnen de inkomensgrenzen voor passend toewijzen in het kader van de huurtoeslag, staat daarmee tevens vast dat het betreffende huishouden behoort tot de 80% doelgroep in het kader van de DAEB.
De passendheidstoets is uitsluitend van toepassing op woningen waarvoor in principe huurtoeslag mogelijk is, dus waarvan de huurprijs is gelegen op of onder het bedrag, genoemd in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag. Hierdoor hebben zowel de inkomenstoets voor de DAEB als de inkomenstoets voor passende toewijzing betrekking op hetzelfde huursegment.
De eisen die gesteld worden aan de over te leggen documentatie zijn neergelegd in het hiervoor genoemde artikel. Het vaststellen van het huishoudinkomen aan de hand van een Inkomenverklaring of een (voorlopige) aanslag IB van de Belastingdienst is verplicht, tenzij de uitzonderingsgevallen zoals omschreven in het BTIV 2015 zich voordoen (zie ook hierna). Ter bepaling van het huishoudinkomen dienen de verzamelinkomens uit het jaar t-1 respectievelijk t-2 te worden vermenigvuldigd met index I1, respectievelijk index I2. De hoogte van index I1 en index I2 wordt jaarlijks bij ministeriële regeling vastgesteld en gepubliceerd (artikel 56, tiende lid, van het BTIV).
A. Toetsing huishoudinkomen op basis van inkomensverklaring/aanslag IB
*** Uitzonderingen op de inkomenstoets:**
In de onder i, ii en iii genoemde gevallen wordt er vanuit gegaan dat het inkomen niet uitgaat boven de inkomensgrenzen van de huurtoeslag; dat houdt in dat aan de desbetreffende huishoudens passend dient te worden toegewezen.
Wel is een inkomenstoets vereist bij huishoudens met zorgindicatie bij passend toewijzen voor de huurtoeslag. Het BTIV 2015 benoemt de categorieën van zorggeïndiceerden die ook bij een inkomen boven de inkomensgrens, genoemd in artikel 16, eerste lid, onderdeel b, van het BTIV recht hebben op een sociale huurwoning. De betreffende woningtoewijzingen worden toegerekend aan de 80% toewijzingen aan de doelgroep met een inkomen tot de inkomensgrens, genoemd in artikel 16, eerste lid, onderdeel a, van het BTIV. Vanuit het oogpunt van betaalbaarheid geldt voor deze categorieën zorggeïndiceerden de passendheidsnorm; derhalve dient het inkomen te worden getoetst (zo mogelijk aan de hand van belastingbescheiden, anders conform het toetsingsschema B). Toetsing van het inkomen in deze gevallen kan achterwege blijven indien de huurprijs van de woning is gelegen op of onder de voor het huishouden toepasselijke aftoppingsgrens. In dat geval is met de toewijzing immers in elk geval voldaan aan de passendheidsnorm. Bij de bepaling van het percentage passend gehuisveste huishoudens blijven de toewijzingen aan huishoudens die wel een zorgindicatie maar geen inkomensgegevens hebben overgelegd, buiten beschouwing.
** Uitzonderingen op de verplichte toetsing aan de hand van belastingbescheiden:
B. Toetsing huishoudinkomen op basis van een inkomensverklaring en bijbehorende bewijsstukken
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 1a
De termijn voor de inbreng van zienswijzen waarvoor ingevolge dit besluit de gelegenheid wordt geboden bedraagt acht weken, tenzij anders is bepaald.
Hoofdstuk III. Algemene bepalingen inzake toegelaten instellingen
§ 1. Toelating
§ 3. Het aangaan van verbindingen
§ 4. Verdere algemene bepalingen inzake toegelaten instellingen
Hoofdstuk IV. Rechtsvorm en organisatie van toegelaten instellingen
Hoofdstuk V. Werkzaamheden van toegelaten instellingen
Afdeling 1. Relatie met de gemeente
§ 2. Uitvoering van de gemeentelijke woonvisie
§ 3. Prestatieafspraken
§ 4. Goedkeuring van werkzaamheden die niet behoren tot de diensten van algemeen economisch belang
Artikel 45a
Het financieel voordeel, bedoeld in artikel 44d, tweede lid, van de wet, is het verschil tussen:
- a. de canon die de gemeente op basis van de actuele grondwaarde zou opleggen bij uitgifte van de grond, indien die bestemd is voor huurwoningen met een aanvangshuurprijs van ten minste het bedrag, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag, en ten hoogste een in de gemeentelijke verordening bepaalde, jaarlijks te indexeren aanvangshuurprijs, en;
- b. de canon die de gemeente op basis van de actuele grondwaarde zou opleggen bij uitgifte van de grond met de bestemming voorafgaand aan een wijziging daarvan als bedoeld in artikel 44d, eerste lid, van de wet.
De grondwaarden, bedoeld in het eerste lid, worden uiterlijk een maand na wijziging van de bestemming bepaald door een onafhankelijke taxateur als bedoeld in artikel 1, eerste lid, die door de gemeente en de toegelaten instelling gezamenlijk is aangesteld voor rekening van de toegelaten instelling. De taxateur rapporteert aan beide partijen.
Afdeling 3. Passend toewijzen
Afdeling 4. Diensten van algemeen economisch belang
Afdeling 5. Administratieve scheiding en vermogensscheiding
§ 3. Inrichting van en geldstromen tussen de daeb-tak en de niet-daeb-tak
§ 5. Overdracht van daeb-werkzaamheden binnen de toegelaten instelling
Afdeling 7. Fusie
Afdeling 9. Verdere bepalingen
§ 3. Financieel beheer
Hoofdstuk VI. Sanering van en projectsteun ten behoeve van toegelaten instellingen
Afdeling 1. Adviescommissie noodzakelijke werkzaamheden toegelaten instellingen
§ 1. Samenstelling en werkwijze commissie
§ 2. Verzoek om advies
Hoofdstuk VII. Toezicht op toegelaten instellingen en dochtermaatschappijen
Hoofdstuk VIII. Verdere bepalingen inzake toegelaten instellingen
Hoofdstuk IX. Overgangs- en slotbepalingen
Afdeling 3. Overgangsbepalingen
Afdeling 4. Slotbepalingen
Bijlage 1. bij artikel 19 van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015
Bijlage 2. bij artikel 49 van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015
Bijlage 3. bij artikel 49 van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015
Bijlage 4. bij artikel 56 van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015
Deze bijlage bevat drie onderdelen. Aan de hand van de volgende twee stroomschema’s kan de toegelaten instelling het huishoudinkomen, bedoeld in artikel 56, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 (BTIV 2015; passend toewijzen in het kader van de huurtoeslag) bepalen.
De eisen die gesteld worden aan de over te leggen documentatie zijn neergelegd in het hiervoor genoemde artikel. Het vaststellen van het huishoudinkomen aan de hand van een Inkomenverklaring of een (voorlopige) aanslag IB van de Belastingdienst is verplicht, tenzij de uitzonderingsgevallen zoals omschreven in het BTIV 2015 zich voordoen (zie ook hierna). Ter bepaling van het huishoudinkomen dienen de verzamelinkomens uit het jaar t-1 respectievelijk t-2 te worden vermenigvuldigd met index I1, respectievelijk index I2. De hoogte van index I1 en index I2 wordt jaarlijks bij ministeriële regeling vastgesteld en gepubliceerd (artikel 56, tiende lid, van het BTIV).
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Artikel 110a
De adviescommissie noodzakelijke werkzaamheden bestaat uit vijf leden, waaronder:
- a. de voorzitter;
- b. een lid, op schriftelijke voordracht van de in het belang van de toegelaten instellingen werkzame organisaties; en
- c. een lid dat beschikt over financiële kennis, waaronder kennis van de herstructurering en het herstel van organisaties.
Onze Minister benoemt de leden voor een periode van ten hoogste vier jaar, en zij kunnen tweemaal voor ten hoogste vier jaar worden herbenoemd.
Ieder lid kan te allen tijde door Onze Minister worden geschorst of ontslagen op verzoek of indien de omstandigheden daar aanleiding toe geven.
De leden hebben zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak. De leden beschikken gezamenlijk over de deskundigheid, ervaring en affiniteit voor het uitvoeren van de taken, bedoeld in artikel 56a, tweede lid, van de wet.
Een lid vervult geen functie waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op een goede vervulling van diens lidmaatschap of het behoud van en het vertrouwen in diens onpartijdigheid en onafhankelijkheid.
Artikel 110b
De adviescommissie noodzakelijke werkzaamheden stelt haar eigen werkwijze vast die de goedkeuring behoeft van Onze Minister.
Onze Minister voorziet in het secretariaat van de adviescommissie noodzakelijke werkzaamheden.
De leden van de adviescommissie noodzakelijke werkzaamheden ontvangen per vergadering een vergoeding, voor zover zij niet vallen onder de uitzondering van artikel 2, derde lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies en hiermee niet het in artikel 6, eerste lid, van het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies bedoelde maximumbedrag overschrijden.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)