← Geldende tekst · Geschiedenis

Besluit van 8 juni 2015, houdende regels over het financieel beheer van de politie (Besluit financieel beheer politie)

Geldende tekst a fecha 2017-10-19

Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 19 februari 2015, nr. 616920, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Financiën;

Gelet op artikel 30, tweede lid, van de Politiewet 2012;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 8 april 205, nr. W03.15.0037/II);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 3 juni 2015, nr. 635432, uitgebracht mede in overeenstemming met Onze Minister van Financiën;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

Artikel 2
1.

De begroting en de meerjarenraming geven duidelijk en stelselmatig inzicht in de geraamde baten en lasten, de geraamde investeringen en de financiering hiervan alsmede de ontwikkeling van de vermogenspositie.

2.

De managementrapportages en de jaarrekening geven inzicht in de inzet en de besteding van de financiële middelen van de politie.

Hoofdstuk 2. Begrotings- en verantwoordingscyclus

Artikel 3
1.

De jaaraanschrijving heeft tevens betrekking op de managementrapportages alsmede op de door de korpschef te verrichten voorbereidende werkzaamheden ten behoeve van de begroting, de meerjarenraming en de jaarrekening en de daarvoor nodige informatie.

2.

De jaaraanschrijving bevat in ieder geval de modellen op basis waarvan de managementrapportages worden opgesteld alsmede regels over activering.

Artikel 4
1.

Onze Minister stelt voor de derde dinsdag van september de ontwerpbegroting van de politie en het daarbij behorende ontwerp van de meerjarenraming voor het komende begrotingsjaar op.

2.

De ontwerpbegroting en het daarbij behorende ontwerp van de meerjarenraming, bedoeld in het eerste lid, wordt als bijlage bij de begroting van het Ministerie van Veiligheid en Justitie aan de Staten-Generaal gezonden.

3.

Onze Minister stelt de begroting en de daarbij behorende meerjarenraming voor het komende begrotingsjaar vast na goedkeuring van de begroting voor hetzelfde jaar van zijn Ministerie door de Staten-Generaal.

Artikel 5
1.

De korpschef verstrekt jaarlijks uiterlijk op 1 januari aan Onze Minister de informatie die van belang is voor de Voorjaarsnota, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2001.

2.

De korpschef verstrekt jaarlijks uiterlijk op 1 september aan Onze Minister de informatie die van belang is voor de Najaarsnota, bedoeld in artikel 15, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001.

Artikel 6
1.

De korpschef verstrekt aan Onze Minister een 3-maands-, een 6-maands-, 9-maands- en een 12-maandsmanagementrapportage en afzonderlijke maandrapportages over de maanden januari, februari, april, mei, juli, augustus, oktober en november.

2.

De 3-maands-, de 6-maands-, 9-maands- en de 12-maandsmanagementrapportage worden telkens uiterlijk op respectievelijk 1 mei, 1 augustus, 1 november en 1 februari verstrekt aan Onze Minister.

3.

De maandrapportages worden binnen 4 weken na het einde van de betreffende maand verstrekt aan Onze Minister.

Artikel 7
1.

Onze Minister stelt jaarlijks vóór 15 mei, ten behoeve van zijn verantwoording aan de Staten-Generaal in het jaar volgend op het verslagjaar, de jaarrekening vast.

2.

De jaarrekening wordt als bijlage van het jaarverslag van het Ministerie van Veiligheid en Justitie ter informatie aan de Staten-Generaal gezonden.

Hoofdstuk 3. Begroting en meerjarenraming

Artikel 8
1.

De begroting en meerjarenraming bevatten een jaarlijks sluitende raming van de baten en lasten van de politie.

2.

In afwijking van het eerste lid kunnen de begroting en de meerjarenraming een negatief resultaat bevatten voor zover het negatieve resultaat wordt veroorzaakt door lasten waarvoor een bestemmingsreserve als bedoeld in artikel 17 is gevormd.

3.

Onze Minister kan in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, het eigen vermogen van de politie aanwenden om de begroting en de meerjarenraming sluitend te maken.

Hoofdstuk 4. Bijdragen

Artikel 9
1.

De politie ontvangt uitsluitend bijdragen als bedoeld in artikel 33 van de Politiewet 2012.

2.

De bijdragen bestaan uit algemene en bijzondere bijdragen. Bijzondere bijdragen kunnen bij wege van voorschot worden verstrekt.

3.

Aan de algemene bijdragen kunnen voorwaarden worden verbonden en aan de bijzondere bijdragen worden voorwaarden verbonden.

Artikel 10
1.

Het totaal van de bijdragen, bedoeld in artikel 9, wordt betaalbaar gesteld in vier termijnen, respectievelijk op 15 januari, 15 april, 15 juli en 15 oktober van elk jaar.

2.

De hoogte van de bijdrage per termijn wordt bepaald aan de hand van de liquiditeitsbehoefte van de politie.

Hoofdstuk 5. De jaarrekening

Artikel 11
1.

Voor zover in dit besluit niet anders is bepaald, zijn de artikelen 361 tot en met 388, met uitzondering van de artikelen 362, zevende lid, 363, zesde lid, 377, 379, 380, 381a, 381b, 383, 383a tot en met 383e en 384, vierde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing, met dien verstande dat in die artikelen:

2.

Ten behoeve van de controle van de jaarrekening door de accountant, bedoeld in artikel 35 van de Politiewet 2012, wordt het door Onze Minister vastgestelde controleprotocol gebruikt. De accountant wordt benoemd door Onze Minister, die de korpschef kan verzoeken daarvoor voorbereidende werkzaamheden te verrichten.

3.

Het verslag van de accountant bevat bevindingen over de vraag of het financieel beheer van de politie heeft voldaan aan de eisen van getrouwheid en rechtmatigheid.

4.

Het verslag van de accountant, bedoeld in het derde lid, wordt ter beschikking gesteld aan Onze Minister.

Artikel 12
1.

In de jaarrekening wordt verantwoording afgelegd over de besteding van de bijdragen.

2.

In de jaarrekening is een bedrijfsvoeringsparagraaf opgenomen waarin in ieder geval wordt ingegaan op de financiële rechtmatigheid, financieel en materieel beheer en overige aspecten van de bedrijfsvoering.

3.

Onze Minister kan de bij wege van voorschot verstrekte bijzondere bijdragen geheel of gedeeltelijk terugvorderen indien uit de jaarrekening blijkt dat deze niet in overeenstemming met de gestelde voorwaarden zijn besteed.

4.

Niet bestede bijzondere bijdragen die al dan niet bij wege van voorschot zijn verstrekt worden:

5.

Met de vaststelling van de jaarrekening zijn de bij wege van voorschot verstrekte bijzondere bijdragen vastgesteld, met uitzondering van de bijdragen die niet in overeenstemming met de gestelde voorwaarden zijn besteed en de niet bestede bijdragen.

Hoofdstuk 6. Liquiditeitsmanagement en eigen vermogen

Artikel 13

Het eigen vermogen bestaat uitsluitend uit een algemene reserve.

Artikel 14
1.

Onverminderd het bepaalde bij of krachtens de artikelen 45, eerste, vierde en vijfde lid, en 46 tot en met 49a van de Comptabiliteitswet 2001 gelden voor de politie de in het tweede tot en met vijfde lid opgenomen regels.

2.

Het rekening-courantkrediet bij het Ministerie van Financiën bedraagt maximaal € 250 miljoen.

3.

De begroting bevat naast de meerjarenraming een financieringsparagraaf met daarin opgenomen een investeringsplan.

4.

Leningen worden slechts aangegaan voor investeringen in vaste activa, voor zover deze onderdeel zijn van het investeringsplan, bedoeld in het derde lid.

5.

De politie maakt gebruik van een door Onze Minister vastgesteld treasurystatuut, waarin in ieder geval de algemene doelstellingen en de richtlijnen en limieten van de financieringsfunctie zijn vastgelegd.

Artikel 15
1.

Het eigen vermogen van de politie bedraagt ultimo het jaar minimaal 0% en maximaal 5% van de gemiddelde bijdragen van de laatste drie jaar voorafgaand aan het jaar waarover het vermogen wordt berekend.

2.

Indien het eigen vermogen het in het eerste lid gestelde maximum overschrijdt, verrekent Onze Minister het verschil met de algemene bijdrage van dat jaar.

3.

Indien Onze Minister instemt met een door de korpschef opgesteld bestedingsplan, dat maatregelen bevat waarmee het in het eerste lid bedoelde maximum wordt bereikt, wordt het verschil, bedoeld in het tweede lid, wederom beschikbaar gesteld aan de politie.

4.

Indien het eigen vermogen minder bedraagt dan 1,5% van de gemiddelde bijdragen, bedoeld in het eerste lid, stelt de korpschef een plan van aanpak op om binnen twee jaar boven de 1,5% uit te komen. Het plan van aanpak behoeft de goedkeuring van Onze Minister.

5.

Indien uit de jaarrekening blijkt dat sprake is van een negatief eigen vermogen dan dient bij de eerstvolgende begrotingswijziging van het Ministerie van Veiligheid en Justitie te worden aangegeven hoe het negatieve eigen vermogen door Onze Minister zal worden hersteld binnen het lopende begrotingsjaar en voert Onze Minister overleg met de korpschef over te nemen maatregelen, in aanvulling op het plan van aanpak als bedoeld in het vierde lid.

6.

De omvang van het toegestane eigen vermogen wordt ieder jaar berekend op grond van de vastgestelde jaarrekening van dat jaar.

Hoofdstuk 7. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 16

Vervallen

Artikel 17
1.

In afwijking van artikel 13 is in de balans van de politie een bestemmingsreserves toegestaan voor ICT tot maximaal € 366 miljoen.

2.

De bestemmingsreserve, bedoeld in het eerste lid, wordt niet meegewogen in de vaststelling van de omvang van het eigen vermogen, bedoeld in artikel 15.

3.

De bestemmingsreserve ICT blijft uiterlijk in stand tot een door Onze Minister te bepalen tijdstip.

Artikel 18
1.

In afwijking van artikel 15, eerste lid, mag het eigen vermogen van de politie gedurende de eerste vijf jaar na 1 januari 2013 maximaal 7,5% van de gemiddelde bijdragen als bedoeld in artikel 15, eerste lid, bedragen.

2.

Voor de toepassing van artikel 15, eerste lid, wordt de bijdrage vastgesteld op € 4,928 miljard voor 2012.

Artikel 19

Dit besluit treedt in werking op 1 juli 2015.

Artikel 20

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit financieel beheer politie.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.