Besluit van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 29 juni 2015, nr. 2015000035533 tot het verlenen van mandaat, volmacht en machtiging aan de Stichting Waarborgfonds Sociale Woningbouw inzake het nemen van besluiten ter bevordering van de financiële sanering van toegelaten instellingen (Besluit mandatering Stichting Waarborgfonds Sociale Woningbouw financiële sanering toegelaten instellingen)

Type Ministeriële regeling
Publication 2025-02-28
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht,

Gelet op artikel 59, tweede lid, van de Woningwet,

Gelet op de schriftelijke instemming van de directie van WSW, d.d. 29 juni 2015

Besluit:

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

Artikel 2
1.

Aan de Directie wordt mandaat en machtiging verleend voor het nemen van besluiten en het verrichten van overige handelingen die verband houden met de aan de Minister toekomende bevoegdheden tot:

De Directie oefent de bevoegdheden uit met inachtneming van de artikelen 59, derde tot en met vijfde lid, van de Woningwet en de artikelen 111, 112, 115, 116 en 118 van het Besluit toegelaten Instellingen volkshuisvesting 2015.

2.

Aan de Directie wordt mandaat en machtiging verleend voor het nemen van besluiten en het verrichten van overige handelingen inzake de financiële saneringen van toegelaten instellingen, bedoeld in artikel 71a, eerste lid, van de Woningwet zoals dit luidde voor 1 juli 2015, waartoe voorafgaand aan of na de inwerkingtreding van dit besluit is besloten.

3.

Aan de Directie wordt volmacht verleend voor het verrichten van rechtshandelingen die verband houden met de invordering van verbeurde dwangsommen en van gemaakte kosten voor bestuursdwang als bedoeld in artikel 5:25 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover deze verband houden met de bevoegdheden, bedoeld in het eerste en tweede lid.

4.

Afdeling 10.1.1. van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing op de in het eerste en tweede lid verleende machtigingen en de in het derde lid verleende volmacht.

Artikel 3
1.

Het op grond van dit besluit verleende mandaat omvat mede de bevoegdheid tot het vaststellen, wijzigen of intrekken van beleidsregels met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 2.

2.

De Directie legt de beleidsregels, alvorens over te gaan tot het vaststellen, wijzigen of intrekken daarvan, zoals bedoeld in het eerste lid, voor voorafgaande schriftelijke instemming voor aan de Minister.

3.

Deze beleidsregels bevatten in ieder geval de volgende onderwerpen:

Artikel 4
1.

De Directie begroot jaarlijks voor het daarop volgende kalenderjaar het bedrag ten behoeve van het verstrekken van subsidies als bedoeld in artikel 57, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Woningwet en het bedrag ten behoeve van de dekking van de kosten die gemoeid zijn met de verstrekking van deze subsidies.

2.

Deze begroting wordt jaarlijks uiterlijk 1 september voor schriftelijke instemming aan de minister voorgelegd.

3.

Deze begroting gaat vergezeld van:

Artikel 5
1.

De Directie verstrekt de Minister jaarlijks een onderbouwd voorstel voor de heffing voor alle toegelaten instellingen gezamenlijk, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, inclusief de onderliggende berekening, waarbij de begroting, bedoeld in artikel 4, waarop de Minister in het voorgaande jaar schriftelijke instemming heeft verleend als uitgangspunt dient.

2.

Het voorstel, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks uiterlijk 1 september aan de Minister voorgelegd.

3.

De Directie kan pas overgaan tot het heffen van de bijdrage, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, dan nadat de Minister de hoogte van deze bijdrage heeft vastgesteld.

Artikel 6

De Directie houdt een zodanige administratie bij dat:

Artikel 7
1.

De Directie stelt een beschrijving op van het interne proces ten aanzien van de met dit besluit verleende bevoegdheden en verstrekt deze aan de minister.

2.

In de beschrijving van het proces, bedoeld in het eerste lid wordt in ieder geval ingegaan op de wijze waarop wordt gewaarborgd dat de besluitvorming omtrent de gemandateerde bevoegdheden ten behoeve van een toegelaten instelling door een andere medewerker worden voorbereid dan degene die de besluiten in het kader van de borging voor diezelfde toegelaten instelling heeft voorbereid of voorbereidt.

Artikel 8
1.

De Directie legt het saneringsplan, alvorens over te gaan tot goedkeuring daarvan, voor voorafgaande schriftelijke instemming voor aan de Minister.

2.

De Directie vraagt de Autoriteit en de borgingsvoorziening om een zienswijze op:

3.

De Directie betrekt de zienswijze, bedoeld in het tweede lid, mits binnen 10 werkdagen verstrekt, gemotiveerd bij het besluit op het saneringsplan en het besluit tot het al dan niet verstrekken van de subsidie.

4.

In geval van financiële sanering van een toegelaten instelling, maakt de Directie met de Autoriteit afspraken over de wijze waarop de Autoriteit gedurende de opstelling en uitvoering van het saneringsplan op de hoogte wordt gehouden.

Artikel 9

De Directie stemt de met dit besluit verleende bevoegdheden af met de werkzaamheden die WSW uitoefent met het oog op het door toegelaten instellingen kunnen aantrekken van leningen, bedoeld in artikel 59, derde lid, onder b, van de Woningwet. Daartoe wordt bij de besluitvorming zeker gesteld dat voldaan wordt aan de minimale eisen om de toegelaten instelling op basis van het saneringsplan en de toegekende subsidie gedurende de sanering voor de noodzakelijke borging in aanmerking te laten komen.

Artikel 10

De Directie kan een toegelaten instelling een aanwijzing geven op basis van artikel 61d van de Woningwet voor zover die aanwijzing betrekking heeft op de financiële sanering van de toegelaten instelling, of een last onder dwangsom op basis van artikel 105 van de Woningwet opleggen, als bedoeld in artikel 2 eerste lid aanhef en onderdeel d en e. Indien een toegelaten instelling:

Artikel 11
1.

De Directie kan voor de in de artikelen 2 en 3 bedoelde aangelegenheden ondermandaat en machtiging verlenen aan onder hem ressorterende functionarissen.

2.

De Directie kan de volmacht, bedoeld in artikel 2, derde lid, verlenen aan onder hem ressorterende functionarissen.

3.

Het verlenen van volmacht, ondermandaat of machtiging alsmede wijziging daarvan, geschiedt schriftelijk.

4.

Een afschrift van een besluit inzake volmacht, ondermandaat en machtiging als bedoeld in het derde lid wordt gezonden aan de minister en aan degenen aan wie krachtens het besluit volmacht, ondermandaat of machtiging is verleend. De minister draagt zorg voor de publicatie van het besluit in de Staatscourant.

Artikel 12

Het krachtens dit mandaat, volmacht en machtiging ondertekenen van stukken geschiedt als volgt:

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

namens deze:

(handtekening)

(naam functionaris)

(functie)

Artikel 13

De Directie is niet bevoegd om zelfstandig verzoeken in het kader van de Wet open overheid, de Wet nationale ombudsman of de Algemene verordening gegevensbescherming, voor zover die verband houden met de uitvoering van de in de artikelen 2 en 3 van dit besluit bedoelde taken en bevoegdheden namens de minister af te doen. Dergelijke zaken worden door de Directie inhoudelijk voorbereid en ter afdoening, door tussenkomst van de Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving van het ministerie, aan de directeur-generaal Volkshuisvesting en Bouwen onderscheidenlijk de secretaris-generaal van het ministerie.

Artikel 14
1.

De Directie informeert de minister onverwijld over zwaarwegende en politiek-bestuurlijk gevoelige omstandigheden en gebeurtenissen die betrekking hebben op de gemandateerde bevoegdheden. Dit betreft in ieder geval de situaties waarin:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.