Regeling Professionalisering Cultuuronderwijs PO

Type ZBO-regeling
Publication 2015-10-14
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 10, vierde lid, van de Wet op het specifiek cultuurbeleid;

Met goedkeuring van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 30 juni 2015;

Besluit tot vaststelling van onderstaande regeling:

Paragraaf 1. : Algemene bepalingen

Artikel 1.1. Definities

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 1.2. Doel subsidieverstrekking

Flankerend aan de Deelregeling Cultuureducatie met Kwaliteit in het primair onderwijs Fonds voor Cultuurparticipatie 2013–2016 kan het bestuur overeenkomstig de regels van deze regeling op aanvraag een projectsubsidie verstrekken voor een project dat strekt tot professionalisering van het cultuuronderwijs op bestuursniveau, schoolniveau en bij de (vak)leerkrachten, zodat kinderen een kwalitatief goed en samenhangend aanbod van cultuuronderwijs ontvangen.

Artikel 1.3. Subsidieaanvrager
1.

Een schoolbestuur met ten minste 5 aan het project deelnemende locaties of een samenwerkingsverband kan projectsubsidie aanvragen.

2.

Indien de aanvraag betrekking heeft op een samenwerkingsverband, treedt een van de partijen in het samenwerkingsverband namens dat samenwerkingsverband als aanvrager op. Bij de aanvraag ten behoeve van een samenwerkingsverband wordt een door de partijen in het samenwerkingsverband getekende verklaring overgelegd, waaruit blijkt dat de rechtspersoon die namens het samenwerkingsverband optreedt gemachtigd is het samenwerkingsverband in en buiten rechte te vertegenwoordigen. De projectsubsidie wordt verleend aan de rechtspersoon die namens het samenwerkingsverband optreedt.

Paragraaf 2. : Subsidieverlening

Artikel 2.1. Subsidieaanvraag
1.

Een aanvraag voor projectsubsidie wordt digitaal ingediend via de website van het Fonds voor Cultuurparticipatie met gebruikmaking van een door het bestuur opgesteld formulier.

2.

De subsidieaanvraag heeft steeds betrekking op één project. Subsidie kan worden aangevraagd voor een project dat betrekking heeft op de volgende niveaus:

3.

Een aanvraag gaat vergezeld van de in het formulier vermelde bijlagen:

4.

Een projectplan als bedoeld in het derde lid, onder b, bevat een omschrijving van de ambitie van de aanvrager om cultuuronderwijs een stevige plek in het schoolcurriculum te geven door middel van professionalisering, waarbij hij ingaat op de volgende aspecten:

5.

Subsidie wordt slechts verleend voor een projecten die vóór september 2016 starten en een looptijd van ten hoogste 24 maanden hebben.

Artikel 2.2. Weigeringsgronden

Subsidie kan, onverminderd het bepaalde in de artikelen 4:5 en 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht, geweigerd worden indien:

Artikel 2.3. Behandeling aanvragen
1.

Het bestuur verdeelt het beschikbare bedrag, bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, in de volgorde van ontvangst van de volledige aanvragen. Van een volledige aanvraag is sprake, indien wordt voldaan aan artikel 2.1.

2.

Wanneer de subsidieaanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, geldt als datum en tijdstip van binnenkomst de datum en het tijdstip van ontvangst van de volledige aanvraag.

3.

Op een aanvraag wordt binnen een termijn van dertien weken na het sluiten van het aanvraagtijdvak , bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, beslist.

Artikel 2.4. Aanvraagtijdvak en subsidieplafond
1.

Aanvragen voor projectsubsidie als bedoeld in artikel 2.1. worden ingediend in de periode vanaf 1 juni 2015 tot 1 maart 2016 13:00 uur.

2.

Het subsidieplafond voor deze regeling bedraagt € 2.500.000,–.

3.

Het bestuur kan het subsidieplafond wijzigen.

4.

Een besluit als bedoeld in het derde lid wordt bekendgemaakt via de website van het Fonds voor Cultuurparticipatie.

5.

De subsidie bedraagt per locatie maximaal € 20.000,– en per project maximaal € 200.000,–.

Artikel 2.5. Projectkosten en matching
1.

Geen subsidie wordt verleend voor begrote kosten van projecten die voor de datum van indiening van de aanvraag ten behoeve van het project zijn ontwikkeld of uitgevoerd.

2.

Bij het bepalen van de hoogte van de subsidie worden alleen variabele projectkosten in aanmerking genomen die relevant zijn in het licht van de doelstelling van de regeling zoals omschreven in artikel 1.2.

3.

Aan visietrajecten op bestuursniveau als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, onder a, mag maximaal 10% van de subsidie worden besteed.

4.

Bij het bepalen van de hoogte van de subsidie wordt het matching principe toegepast. De subsidieaanvrager dient ten minste 50% van de totale variabele projectkosten met eigen middelen te matchen. Deze middelen mogen ook gekapitaliseerde uren zijn.

Artikel 2.6. Beoordeling
1.

Aanvragen die voldoen aan de vereisten om voor subsidie in aanmerking te komen worden door het bestuur ter advies voorgelegd aan een adviescommissie.

2.

De adviescommissie beoordeelt de aanvragen aan de hand van de criteria genoemd in artikel 2.7. van deze regeling.

3.

De adviescommissie stelt een advies op over het honoreren van een aanvraag.

4.

Het bestuur neemt een besluit op de aanvraag.

Artikel 2.7. Criteria bij de beoordeling
1.

Aanvragen worden door de adviescommissie bedoeld in artikel 2.6. getoetst op 3 criteria:

2.

Om voor subsidie in aanmerking te komen moet een aanvraag op alle in het eerste lid genoemde criteria positief beoordeeld zijn.

Paragraaf 3. : Verplichtingen en verantwoording

Artikel 3.1. Meldingsplicht

De subsidieontvanger meldt onverwijld aan het bestuur als:

Artikel 3.2. Verantwoording, voorschotten, vaststelling en betaling

Verantwoording, bevoorschotting, vaststelling en betaling van de subsidie geschiedt overeenkomstig het daarover bepaalde in hoofdstukken 8, 9,10 en 11 van het Algemeen reglement van het Fonds voor Cultuurparticipatie.

Artikel 3.3. Leernetwerk
1.

De subsidieontvanger, de deelnemende locaties en de eventuele samenwerkingspartners in het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1.3, tweede lid, committeren zich aan een leernetwerk. Dit netwerk is gericht op kennisdeling en kennisvermeerdering. Per project neemt minimaal één bestuurder en één schoolleider aan dit netwerk deel.

2.

Het leernetwerk bestaat uit de volgende onderdelen:

Paragraaf 4. : Overige bepalingen

Artikel 4.1. Inwerkingtreding
1.

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij is geplaatst.

2.

Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2020. Op bezwaar-en beroepsprocedures die op dat moment nog niet zijn afgerond, blijft het bepaalde in deze regeling van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4.2. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Professionalisering Cultuuronderwijs PO.

Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.