Rijkswet van 30 september 2015, houdende regeling voor Nederland en Curaçao tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en een woonplaatsfictie ter zake van erf- en schenkbelasting (Belastingregeling Nederland Curaçao)
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de regeringen van Nederland en Curaçao het in onderling overleg raadzaam oordelen, dat op het terrein van de belastingen een nieuwe onderlinge regeling bij rijkswet wordt vastgesteld;
Geleid door de wens van Nederland en Curaçao hun economische betrekkingen verder te ontwikkelen, hun samenwerking op belastinggebied te verbeteren en dubbele belasting te vermijden met betrekking tot de onder die regeling vallende belastingen zonder daarbij mogelijkheden te scheppen tot niet-heffing of verminderde heffing van belasting door middel van het ontduiken of het ontwijken van belasting waaronder door treaty-shopping-structuren die als doel hebben om inwoners van derde rechtsgebieden indirect het voordeel te laten genieten van de in deze rijkswet voorziene voordelen;
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
De bepalingen vinden toepassing voor belastingjaren en belastingtijdvakken die aanvangen of, in geval van aan de bron geheven belastingen, voor betalingen die zijn gedaan op of na 1 januari 2025.
Hoofdstuk I. Reikwijdte van de rijkswet
Artikel 1. Toepassingsbereik
Deze rijkswet is van toepassing op personen die inwoner zijn van een van de landen of van beide landen.
Niettegenstaande de bepalingen van het eerste lid maken:
- a. een stichting die volgens artikel 2, eerste lid, onderdeel h, van de Landsverordening op de winstbelasting 1940 van de winstbelasting is vrijgesteld, tenzij het een stichting particulier fonds betreft die volgens artikel 1B van de Landsverordening op de winstbelasting 1940 als doelvermogen is aangewezen;
- b. een trust die volgens artikel 2, eerste lid, onderdeel i, van de Landsverordening op de winstbelasting 1940 van de winstbelasting is vrijgesteld, tenzij het een trust betreft die volgens artikel 1B van de Landsverordening op de winstbelasting 1940 als doelvermogen is aangewezen; en
- c. een vrijgestelde beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 6a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969;
geen aanspraak op de voordelen van de artikelen 10, 11, 12, 13, vierde lid, en artikel 20, eerste lid.
Inkomen en voordelen uit collectieve beleggingen via een Curaçaos fonds voor gemene rekening of Curaçaose commanditaire vennootschap of een Nederlands besloten fonds voor gemene rekening worden toegerekend aan de deelnemers naar rato van de omvang van hun deelneming in deze entiteiten, mits deze entiteiten als fiscaal transparant worden aangemerkt door beide landen. Dit geldt ook ten aanzien van een paraplufonds voor zover het is samengesteld uit genoemde entiteiten.
Een in het derde lid genoemde entiteit of een door de bevoegde autoriteiten in onderling overleg aan te wijzen andere transparante entiteit, die in een van de landen is gevestigd en inkomen of voordelen ontvangt afkomstig uit het andere land kan zelf, via vertegenwoordiging door de manager van de entiteit of haar depositaris namens zijn deelnemers aanspraak maken op de voordelen uit een regeling ter vermijding van dubbele belasting waarbij het Koninkrijk der Nederlanden namens het andere land partij is en die specifiek van toepassing is op ieder van de betrokken deelnemers. Vorderingen als bedoeld in de eerste zin kunnen voorwerp zijn van een onderzoek en op verzoek van de bevoegde autoriteit van een van de landen verstrekt een manager van de entiteit of diens depositaris relevante informatie, die een overzicht van deelnemers en respectievelijk het voor een vordering relevante toegewezen inkomen of de voor een vordering relevante toegewezen voordelen, alsmede specifieke regelingen ter vermijding van dubbele belasting uit hoofde waarvan door de entiteit aanspraak wordt gemaakt op voordelen, kan omvatten.
Niettegenstaande de bepalingen van het derde en vierde lid, mag een in het derde lid genoemde entiteit of een door de bevoegde autoriteiten in onderling overleg aan te wijzen andere transparante entiteit geen aanspraak maken op voordelen uit deze rijkswet namens een deelnemer van de entiteit, indien de deelnemer zelf aanspraak heeft gemaakt op voordelen ter zake van hetzelfde inkomen of dezelfde voordelen.
De bevoegde autoriteiten van beide landen kunnen in onderling overleg beslissen in hoeverre een inwoner van een van de landen die onder een bijzondere regeling valt geen aanspraak kan maken op de voordelen van deze rijkswet.
Artikel 2. Belastingen waarop de rijkswet van toepassing is
Deze rijkswet is van toepassing op belastingen naar het inkomen die worden geheven ten behoeve van een land, of een staatkundig onderdeel of een plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan, ongeacht de wijze van heffing.
Als belastingen naar het inkomen worden beschouwd alle belastingen die worden geheven naar het gehele inkomen of naar bestanddelen van het inkomen, daaronder begrepen belastingen naar voordelen verkregen uit de vervreemding van roerende of onroerende zaken, belastingen naar het totale bedrag van de door ondernemingen betaalde lonen of salarissen, alsmede belastingen naar waardevermeerdering.
De bestaande belastingen waarop deze rijkswet van toepassing is, zijn:
- a. (hierna te noemen: «Nederlandse belasting»);
- in het Europese deel van Nederland:
- 1°. de inkomstenbelasting;
- 2°. de loonbelasting;
- 3°. de vennootschapsbelasting, daaronder begrepen het aandeel van de regering in de nettowinsten behaald met de exploitatie van natuurlijke rijkdommen geheven krachtens de Mijnbouwwet;
- 4°. de dividendbelasting;
- 5°. de bronbelasting; en
- In het Caribische deel van Nederland:
- 1°. de inkomstenbelasting;
- 2°. de loonbelasting;
- 3°. de vastgoedbelasting;
- 4°. de opbrengstbelasting;
- 5°. het aandeel van de regering in de nettowinsten behaald met de exploitatie van natuurlijke rijkdommen geheven krachtens de Mijnwet BES, het Mijnbesluit BES of de Petroleumwet Saba Bank BES;
- b. in Curaçao: (hierna te noemen: «Curaçaose belasting»).
- 1°. de inkomstenbelasting;
- 2°. de loonbelasting;
- 3°. de winstbelasting; en
- 4°. de dividendbelasting;
De rijkswet is ook van toepassing op alle gelijke of in wezen gelijksoortige belastingen die na de datum van inwerkingtreding van deze rijkswet naast of in de plaats van de bestaande belastingen worden geheven. De bevoegde autoriteiten van de landen doen elkaar mededeling van alle wezenlijke wijzigingen die in hun belastingwet- en regelgeving zijn aangebracht. Zij kunnen hierover met elkaar in overleg treden met het oog op de toepassing van deze rijkswet.
Hoofdstuk II. Begripsomschrijvingen
Artikel 3. Algemene begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van deze rijkswet, tenzij de context anders vereist:
- a. betekenen de uitdrukkingen «een land» en «het andere land» Nederland of Curaçao al naargelang de context vereist;
- b. betekent de uitdrukking «Nederland»:
- 1°. het Europese deel van Nederland, met inbegrip van zijn territoriale zee en elk gebied buiten en grenzend aan zijn territoriale zee waarbinnen het Koninkrijk der Nederlanden, in overeenstemming met het internationale recht, rechtsmacht heeft of soevereine rechten uitoefent; en
- 2°. het Caribische deel van Nederland, dat is gelegen in de Caribische Zee en bestaat uit de eilandgebieden Bonaire, Sint Eustatius en Saba, met inbegrip van zijn territoriale zee en elk gebied buiten en grenzend aan de territoriale zee waarbinnen het Koninkrijk der Nederlanden, in overeenstemming met het internationale recht, rechtsmacht heeft of soevereine rechten uitoefent, maar met uitzondering van het deel dat betrekking heeft op Aruba, Curaçao en Sint Maarten;
- c. betekent de uitdrukking «Curaçao» het land Curaçao met inbegrip van de territoriale zee en elk gebied buiten deze territoriale zee van dit deel van het Koninkrijk waarbinnen het Koninkrijk der Nederlanden, in overeenstemming met het internationale recht, rechtsmacht heeft of soevereine rechten uitoefent, maar met uitzondering van het deel daarvan dat betrekking heeft op Aruba, het Caribische deel van Nederland en Sint Maarten;
- d. omvat de uitdrukking «persoon» een natuurlijke persoon, een lichaam en elke andere vereniging van personen;
- e. heeft de uitdrukking «lichaam» betrekking op elke rechtspersoon of elke entiteit die voor de belastingheffing als een rechtspersoon wordt behandeld;
- f. heeft de uitdrukking «onderneming» betrekking op het uitoefenen van een bedrijf;
- g. omvat de uitdrukking «uitoefenen van een bedrijf» mede het uitoefenen van een vrij beroep en van andere werkzaamheden van zelfstandige aard;
- h. betekenen de uitdrukkingen «onderneming van een land» en «onderneming van het andere land» onderscheidenlijk een onderneming gedreven door een inwoner van een land en een onderneming gedreven door een inwoner van het andere land;
- i. betekent de uitdrukking «het internationale verkeer» alle vervoer met een schip of luchtvaartuig, geëxploiteerd door een onderneming waarvan de plaats van de werkelijke leiding in een land is gelegen, behalve wanneer het schip of luchtvaartuig uitsluitend wordt geëxploiteerd tussen plaatsen die in het andere land zijn gelegen;
- j. betekent de uitdrukking «pensioenfonds»:
- 1°. elk lichaam dat inwoner is van een land:
- aa. dat in het algemeen is vrijgesteld van belastingen naar het inkomen in dat land;
- bb. waarvan de werkzaamheden voornamelijk bestaan uit het beheren of verstrekken van pensioenen; en
- cc. dat ingevolge de wettelijke bepalingen van een land erkend is en onder toezicht staat; alsmede
- 2°. elk lichaam dat inwoner is van een land en dat zich geheel of nagenoeg geheel bezighoudt met het beheren en beleggen voor lichamen als bedoeld in subonderdeel 1°;
- k. betekent de uitdrukking «bevoegde autoriteit»:
- 1°. wat Nederland betreft, de Minister van Financiën of zijn bevoegde vertegenwoordiger;
- 2°. wat Curaçao betreft, de Minister van Financiën of zijn bevoegde vertegenwoordiger.
Voor de toepassing van deze rijkswet door een land op enig moment heeft, tenzij de context anders vereist, elke daarin niet omschreven uitdrukking de betekenis welke die uitdrukking op dat moment heeft volgens de wetgeving van dat land met betrekking tot de belastingen waarop deze rijkswet van toepassing is, waarbij elke betekenis volgens de toepasselijke belastingwetgeving van dat land prevaleert boven een betekenis die volgens andere wetgeving van dat land aan die uitdrukking wordt gegeven.
Artikel 4. Inwoner
Voor de toepassing van deze rijkswet betekent de uitdrukking «inwoner van een land» iedere persoon die, ingevolge de wetgeving van dat land, aldaar aan belasting is onderworpen op grond van zijn woonplaats, verblijf, plaats van leiding, plaats van oprichting of enige andere soortgelijke omstandigheid. De uitdrukking «inwoner van een land» omvat tevens het land zelf en elk staatkundig onderdeel of plaatselijk publiekrechtelijk lichaam daarvan en een persoon die voor de toepassing van de opbrengstbelasting in het Caribische deel van Nederland is gevestigd alsmede een pensioenfonds als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel j. Deze uitdrukking omvat echter niet een persoon die in dat land slechts aan belasting is onderworpen ter zake van inkomsten uit bronnen in dat land.
Een persoon, niet zijnde een natuurlijke persoon, wordt geacht aan belasting onderworpen te zijn:
- a. in Nederland: indien de persoon voor de toepassing van de vennootschapsbelasting in Nederland is gevestigd; of
- b. in Curaçao: indien de persoon voor toepassing van de winstbelasting in Curaçao is gevestigd; mits door die persoon verkregen inkomsten ingevolge de belastingwetgeving van Nederland onderscheidenlijk Curaçao behandeld worden als de inkomsten van die persoon en niet als de inkomsten van zijn rechthebbenden, leden of participanten.
Indien een natuurlijke persoon ingevolge de bepalingen van het eerste lid inwoner van beide landen is, wordt zijn positie op de volgende wijze bepaald:
- a. hij wordt geacht slechts inwoner te zijn van het land waarin hij een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft; indien hij in beide landen een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, wordt hij slechts geacht inwoner te zijn van het land waarmee zijn persoonlijke en economische betrekkingen het nauwst zijn (middelpunt van de levensbelangen);
- b. indien niet kan worden bepaald in welk land hij het middelpunt van zijn levensbelangen heeft, of indien hij in geen van de landen een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, wordt hij geacht alleen inwoner te zijn van het land waarin hij gewoonlijk verblijft;
- c. indien hij in beide landen of in geen van beide gewoonlijk verblijft, regelen de bevoegde autoriteiten van de landen de aangelegenheid in onderling overleg.
Indien een andere dan een natuurlijke persoon ingevolge de bepalingen van het eerste lid inwoner is van beide landen, stellen de bevoegde autoriteiten van beide landen in onderling overleg vast van welk land die persoon geacht wordt inwoner te zijn voor de toepassing van deze rijkswet, met inachtneming van plaats van leiding, plaats van oprichting of enige andere soortgelijke omstandigheid, en volgens de bepalingen van artikel 24. Bij ontbreken van onderlinge overeenstemming tussen de bevoegde autoriteiten van beide landen, is die persoon niet gerechtigd tot enig voordeel dat uit deze rijkswet voortvloeit, met uitzondering van de artikelen 21, 23 en 24.
Indien een entiteit door een land voor de belastingheffing wordt aangemerkt als transparant en door het andere land als niet-transparant en dit leidt tot dubbele belastingheffing of belastingheffing die niet in overeenstemming is met de bepalingen van deze rijkswet, treden de bevoegde autoriteiten in onderling overleg volgens de bepalingen van artikel 24 teneinde deze dubbele belastingheffing of belastingheffing die niet verenigbaar is met de bepalingen van deze rijkswet te voorkomen en tegelijkertijd te voorkomen dat, louter als gevolg van de toepassing van deze rijkswet, bestanddelen van het inkomen, geheel of gedeeltelijk, niet aan belasting onderworpen zijn.
Niettegenstaande de bepalingen van het vijfde lid:
- a. wordt een inkomensbestanddeel verkregen door tussenkomst van een persoon die fiscaal transparant is krachtens de wetgeving van een land, voor de toepassing van de rijkswet geacht te zijn verkregen door een inwoner van een land voor zover dat bestanddeel voor de toepassing van de belastingwetgeving van dat land wordt behandeld als het inkomen van een inwoner;
- b. mag een inkomensbestanddeel dat door een land beschouwd wordt te zijn verkregen door een persoon die inwoner is van dat land en door het andere land als te zijn verkregen door een persoon die inwoner is van dat andere land, door elk land worden belast als het inkomen van de persoon die volgens dat land geacht wordt het bestanddeel te hebben verkregen;
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.