Vennootschapsbelasting, dividendbelasting; ATR’s; aanpassingstermijn
De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.
Dit besluit bevat een goedkeuring inzake een aanpassingstermijn voor ATR’s die als gevolg van de invoering van de Wet implementatie wijzigingen Moeder-dochterrichtlijn 2015 hun geldigheid verliezen.
1. Inleiding
Tijdens de parlementaire behandeling van de Wet implementatie wijzigingen Moeder-dochterrichtlijn 20151Wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de Wet op de dividendbelasting 1965 in verband met de implementatie van aanpassingen in de Moeder-dochterrichtlijn (Wet implementatie wijzigingen Moeder-dochterrichtlijn 2015) (Kamerstuk 34 306) heb ik in de Nota naar aanleiding van het verslag2Kamerstuk 34 306, nr. 6, blz. 18 aangegeven een beleidsbesluit te publiceren inzake een aanpassingstermijn voor ATR’s.
1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen
2. Gevolgen relevante wetswijziging voor ATR’s
Het wetsvoorstel Wet implementatie wijzigingen Moeder-dochterrichtlijn 2015 bevat ondermeer aanpassingen van artikel 17, derde lid, onderdeel b van de Wet Vpb en artikel 1, zevende lid van de Wet DB, waarbij deze artikelen in overeenstemming zijn gebracht met de anti-misbruikbepaling in de Moeder-dochterrichtlijn3Richtlijn 2015/121/EU van de Raad van 27 januari 2015 tot wijziging van Richtlijn 2011/96/EU betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten (PbEU 2015, L 21). Als gevolg van deze aanpassingen is het in bepaalde situaties van belang of een in het buitenland gevestigd lichaam dat een aanmerkelijk belang houdt in een in Nederland gevestigd lichaam, respectievelijk het directe lid van een coöperatie beschikt over de substance als bedoeld in onderdeel 8a van het ATR-besluit.
De voorgestelde wet treedt, na aanvaarding ervan door de Tweede en Eerste Kamer en publicatie in het Staatsblad, op 1 januari 2016 in werking en voorziet niet in overgangsrecht. Op dat moment lopende ATR’s inzake de toepassing van artikel 17, derde lid, onderdeel b van de Wet Vpb en artikel 1, zevende lid van de Wet DB verliezen dan, indien in de hiervoor bedoelde gevallen niet wordt voldaan aan de substance-eisen, hun geldigheid op basis van de in de ATR opgenomen bepaling dat de ATR vervalt bij een relevante wetswijziging4Zie het ATR-Besluit, onderdeel 7, letter h. Voor deze situaties heb ik vanuit efficiency-overwegingen in onderdeel 3 een goedkeuring opgenomen.
3. Goedkeuring
Ik keur onder de volgende voorwaarden goed dat de ontbindende voorwaarde in de ATR inzake het direct vervallen van de ATR bij een relevante wetswijziging, van de reeds afgegeven ATR’s met betrekking tot artikel 17, derde lid, onderdeel b van de Wet Vpb 1969 en/of artikel 1, zevende lid van Wet DB 1965, tot 1 april 2016 wordt opgeschort.
Voor deze goedkeuring gelden de volgende voorwaarden:
Ik merk hierbij op dat, aangezien er niet is voorzien in overgangsrecht, dividenduitkeringen uit of vervreemdingen van het aanmerkelijk belang of de opbrengst van het lidmaatschapsrecht in de coöperatie in de periode tussen 1 januari 2016 en het tijdstip dat aan de substance-eisen wordt voldaan altijd, met inachtneming van toepasselijke verdragsbepalingen, in de heffing worden betrokken.
4. Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
Dit besluit wordt in de Staatscourant gepubliceerd.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.